Summary Geschiedenis examenkatern

-
ISBN-10 9057309653 ISBN-13 9789057309656
235 Flashcards & Notes
19 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Geschiedenis examenkatern". The author(s) of the book is/are Harald Buskop. The ISBN of the book is 9789057309656 or 9057309653. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Geschiedenis examenkatern

  • 1.1 De christelijke Kerk in West-Europa valt uiteen

  • De opstand in de Nederlanden tegen Spanje begon in 1568 vanwege een meningsverschil over de manier waarop de overheid moest reageren op aanhangers van het protestantisme onder een minderheid van de bevolking in de Nederlanden.
  • Tijdens de Reformatie scheidden hervormers zich af van de katholieke Kerk, omdat ze naar hun mening de bijbel verkeerd uitlegde of soms omdat ze tegen fouten in de Kerk waren. De nieuwe kerken werden protestants genoemd.
  • Een van de belangrijkste hervormers was Luther(1483-1546). Hij had de volgende kritiek:
    - Hij was tegen de machtsaanspraken en zelfgemaakte wetten en regels van de rooms-katholieke Kerk.
    - Alleen de bijbel was juist. Daarom moest iedereen deze kunnen lezen in de volkstaal ipv dat priesters hem voorlazen.
    - Volgens Luther kwam je niet in de hemel door goede daden of door geld te geven aan de kerk en je zonden af te kopen. Geloven was al genoeg.
    - Luther wilde het pausschap, het celibaat, veel sacramenten, de heiligenverering en de kloosterorden afschaffen omdat die niet in de bijbel stonden.
  • Een van de belangrijkste hervormers was Luther(1483-1546). Hij had de volgende kritiek:
    - Hij was tegen de machtsaanspraken en zelfgemaakte wetten en regels van de rooms-katholieke Kerk.
    - Alleen de bijbel was juist. Daarom moest iedereen deze kunnen lezen in de volkstaal ipv dat priesters hem voorlazen.
    - Volgens Luther kwam je niet in de hemel door goede daden of door geld te geven aan de kerk en je zonden af te kopen. Geloven was genoeg.
    - Luther wilde het pausschap, het celibaat, veel sacramenten, de heiligenverering en de kloosterorden afschaffen omdat die niet in de bijbel stonden.
  • Duitse vorsten steunden Luther omdat:
    - Zij werden het hoofd van de kerk.
    - Ze konden de kloosters sluiten en hun bezittingen innemen.
    - Protestanten altijd hun vorst moesten gehoorzamen.
    Bij de Vrede van Augsburg in 1555 werd besloten door Karel V dat elke vorst in zijn regio zijn eigen religie mocht kiezen.
  • Verschillen tussen Lutheranisme en Calvinisme:
    - Bij de lutheranen was de vorst de leider van de kerk en bij calvinisten was dit een gemeente met een raad van ouderlingen.
    - Calvinisten mogen wel tegen hun vorst in verzet komen als deze tegen Gods gebod handelt.
  • 1.2 De Opstand in de Nederlanden breekt uit

  • Indirecte redenen voor de Opstand:
    - De sterke positie van de stedelijke burgerij in de Nederlanden:
    De welvarende burgerij had veel priviliges gekregen en beriep zich hier vaak op.
    - De splitsing van de christelijke Kerk door de Hervorming:
    Het merendeel van de Nederlanden bleef katholiek, maar het aantal protestanten groeide.
  • Directe redenen voord de Opstand:
    - Karel V en Fillips II wilden de katholieke kerk handhaven en vervolgde protestanten met plakkaten. Veel stadsbestuurders wilde deze niet of met tegenzin invoeren omdat ze verdraagzaam waren.
    - Karel V en Filips II streefden naar centralisatie en schaften privileges van de burgerij af.
  • In april 1566 boden lagere edelen aan landvoogdes Margaretha van Parma een Smeekschrift aan met het verzoek de kettervervolgingen te matigen. Dit deed ze. Dit gaf ruimte voor Calvinisten om hagenpreken te houden. In augustus 1566 begon de Beeldenstorm in Vlaanderen, waar de meeste Calvinisten woonden, om de kerken te zuiveren van katholiek bijgeloof en geschikt te maken voor de protestants eredienst. De meerderheid van Katholieken keek passief toe.
  • Als reactie op de Beeldenstorm stuurde Filips II Alva met een leger. Deze werd ipv Margaretha van Parma landvoogdes van de Nederlanden en trachtte via de bloedraad, de raad van Beroerten, de protestanten te straffen.
  • Het beleid van Alva werd de directe aanleiding voor de Opstand. Willem van Oranje vocht in het Oosten tegen Alva en de (Water)geuzen in het westen tegen Alva door kaaptochten langs de Nederlandse kust.
  • Na de verovering van Den Briel(1 april 1572), kregen de calvinisten vele steden in Holland en Zeeland in handen. In Juli 1572 kwamen vertegenwoordigers van twaalf Hollandse steden en van de Geuzen in de Statenvergadering in Dordrecht bijeen en besloten:
    - gezamenlijk de kosten voor de strijd op zich te nemen.
    - Willem van Oranje als stadhouder te herkennen, nadat deze in 1567 door de graaf van Bossu was vervangen.

    Deze vergadering was revolutionair omdat:
    - Alleen de landsvoogdes, landsheer of stadhouder deze bijeen mocht roepen.
    - Alleen de landsheer een stadhouder mocht benoemen.
  • Alva was bang dat de hugenoten vanuit Frankrijk te hulp zouden komen, maar na de bloedbruiloft in 1572 waarbij bijna alle protestantse leiders werden gedood en toen in 1584 Willem van Oranje werd vermoord, kon Alva kiezen voor een harde aanpak.
  • Het verdrijven van de Geuzen in Holland en Zeeland lukte in het begin goed, maar liep vast op Alkmaar en Leiden. In 1573 verving Filips II hem, vanwege zijn falen met Requesens. Het mislukte omdat:
    - De langdurige belegeringen meer kosten dan ze opbrachten. Er was een constant geldtekort, waardoor de motivatie ontbrak bij de soldaten.
    - De Watergeuzen bezaten in Holland en Zeeland de waterwegen en waren daarom militair-strategisch in het voordeel.
    (- Ook de onverwachte dood van Requesens in 1576 hielp)
  • De strijd leidde tot politieke en godsdienstige verdeeldheid:
    - Het Spaanse leger heroverde alle opstandige steden behalve enkelen in Holland en Zeeland.
    - Op godsdienstig gebied ontstond een tegenstelling tussen de katholieke en calvinistische gewesten. In Holland was vrijheid van geweten, maar geen vrijheid van eredienst.
  • De gewesten die trouw waren gebleven aan de Spanjaarden kregen te maken met plunderingen en muitende soldaten zoals in 1576 in Antwerpen. Dit leidde tot een vrede met Holland en Zeeland: de Pacificatie van Gent(november 1576). Afgesproken werd dat:
    - de Spaanse troepen de Nederlanden moesten verlaten.
    - er geen godsdienstige vervolgingen meer zouden plaatsvinden
    - Holland en Zeeland het calvinisme bleven toestaan met gewetensvrijheid en dat de rest zelf mocht beslissen.
  • De godsdienstkwestie liet de pacificatie mislukken doordat:
    - De calvinisten zich meester maakte in enkele Vlaamse steden en hier het katholicisme verboden.
    - Als reactie hierop drie Waalse gewesten in 1579 de Unie van Atrecht begonnen. Deze unie sloot vrede met Spanje en erkende de landvoogd Parma.
    - De calvinisten de macht hielden in de noordelijke gewesten door hun belangrijke rol in het verzet tegen Spanje. Toch bleef gewetensvrijheid gelden.
  • In vier fasen ontstond de Republiek der Verenigde Nederlanden:
    1. De noordelijke gewesten sluiten de Unie van Utrecht in 1579 ter verdediging tegen de troepen van Parma.
    2. Filips II verklaard Willem van Oranje vogelvrij in 1580 waardoor de breuk tussen vorst en de opstandige gewesten een feit was.
    3. Met de Acte van Verlatinghe wordt Filips II afgezet in 1581. Eerst was men nog overtuigd van het droit divin en alleen tegen het slechte beleid van Filips II. Met de Acte verklaarden de gewesten dat ze het recht hadden om een vorst te vervangen als deze zich als een tiran gedroeg. De scheiding is nu definitief.
    4. De Republiek ontstaat in 1588. Na enkele mislukte pogingen om een vorst (koningin Elisabeth en Anjou) te zoeken kozen ze ervoor om zonder vorst verder te gaan.
  • Na de Acte van Verlatinghe kregen de gewesten enkele tegenslagen zoals:
    - de moord op Willem van Oranje in 1584.
    - de vergeefse zoektocht naar een staatshoofd
    - de militaire successen van Parma, die veel zuidelijke steden wist te heroveren, waaronder Antwerpen.
  • De Republiek had ook veel geluk:
    - Engeland en Frankrijk voerde veel oorlog met Spanje en deze oorlogen kregen de voorkeur boven de Republiek. Ook erkenden in 1596 Engeland en Frankrijk beiden de soevereiniteit van de Republiek en werden ze bondgenoten.
    - Het leger van de Republiek werd door Maurits en Frederik Hendrik goed geleid.
    - De Republiek groeide en rond 1600 was de handel van en met de Republiek enorm.
  • Willem van Oranje streefde naar een breed draagvlak voor de opstand:
    - Hij streefde naar religievrede in de Nederlanden. Overheden mochten van hem in geloofskwesties geen dwang toepassen.
    - Hij koos voor een nationale invalshoek, waarbij de Nederlanders het vaderland moesten beschermen in plaats van alleen hun gewest.
  • William van Oranjes religievrede werd door radicale katholieken en calvinisten weggedrukt. De calvinisten kregen als minderheid toch de macht omdat:
    - Ze beter georganiseerd waren.
    - Hun geloof inhoudelijke steun voor hun strijd gaf. Voor hen was het niet alleen een politieke strijd, maar ook een voor het juiste geloof.
  • De propaganda van Willem van Oranje werd niet tegen Filips II gericht omdat:
    - In die tijd de opvatting heerste dat het verboden was om tegen een koning in opstand te komen vanwege het droit divin.
    - De directe problemen voornamelijk kwam door Filips' zijn landvoogd en soldaten. Kritiek op hen had daardoor meer effect.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Tijd van televisie en computer(5):
45. De verdeling van de wereld in twee ideologische b lokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog.
46. Dekolonisatie die een eind maakte aan de westerse hegemonie in de wereld.
47. De eenwording van Europa
48. De toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren '60 van de 20ste eeuw aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen.
49. De ontwikkeling van pluriforme en multiculturele samenlevingen.
Tijd van wereldoorlogen(8):
37. De rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie
38. Het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën communisme en fascisme/ nationaal-socialisme.
39. De crisis van het wereldkapitalisme.
40. Het voeren van twee wereldoorlogen.
41. Racisme en discriminatie die leidden tot genocide, in het bijzonder op de joden.
42. De Duitse bezetting van Nederland.
43. Verwoestingen op een niet eerder vertoonde schaal door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij oorlogvoering.
44. Vormen van verzet tegen het West-Europese imperialisme.
Tijd van burgers en stoommachines(6):
31. De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving.
32. Discussies over de 'sociale kwestie'
33. De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie.
34. De opkomst van emancipatiebewegingen.
35. Voortschrijdende democratisering met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces.
36. De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme.
tijd van pruiken en revoluties(4):
27. Rationeel optimisme en 'verlicht denken' dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.
28. Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven(verlicht absolutisme)
29. Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden transatlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme.
30. De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.
tijd van regenten en vorsten(4):
23. Het streven van vorsten naar absolute macht.
24. De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek
25. Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.
26. De wetenschappelijke revolutie,
tijd van ontdekkers en hervormers(5):
18. Het begin van de Europese overzeese expansie.
19. Het veranderde mens- en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling.
20. De hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassiek Oudheid.
21. De protestantse reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had.
22. Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat.
tijd van steden en staten(5):
13. De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving.
14. De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden.
15. Het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de geestelijke macht het primaat behoorde te hebben.
16. De expansie van de christelijke wereld naar buiten toe, onder andere in de vorm van de kruistochten.
17. Het begin van staatsvorming en centralisatie.
tijd van monniken en ridders(4):
9. De verspreiding van het christendom in geheel Europa.
10. Het ontstaan van en de verspreiding van de islam.
11. De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur,  georganiseerd via hofstelsel en horigheid.
12.Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur.
Tijd van Grieken en Romeinen(5):
4. De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over  burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat.
5. De klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur.
6. De groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich in Europa verspreidde.
7. De confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur van Noordwest-Europa.
8. De ontwikkeling van het jodendom en christendom als de eerste monotheïstische godsdiensten.
Tijd van jagers en boeren(3x):
1. De levenswijze van jagers-verzamelaars.
2. Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenleving.
3. Het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen.