Summary Gezonde voeding

-
367 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Gezonde voeding

  • 1 Macronutriënten

  •  Macronutriënten
    •Eiwitten
    •Koolhydraten
    •Vetten

    Grote hoeveelheden nodig per dag
  • Waarom hebben we voeding nodig?

    •Levert energie voor het lichaam, brandstoffen
    - Warm te blijven
    - Lichamelijke activiteiten
    - Hersenactiviteiten
    - Andere lichaamsprocessen


    •Levert bouwstoffen voor het lichaam
    - Onderhouden van het lichaam
    - Opbouwen van het lichaam 
  • 1.1 Energie

  • Warm blijven, lichamelijke activiteit, hersenactiviteit en alle andere processen

    Koolhydraten en vetten belangrijkste energieleveranciers

    • Eiwit is de belangrijkste bouwstof
    • 1 kcal = 4,2 KJ(kilojoule)
    • 1 g eiwit: 4 kcal(17 KJ)
    • 1 g koolhydraten: 4 kcal(17 KJ)
    •1 g vet: 9 kcal (38 KJ)

    Gezondheidsraad geeft aanbevelingen voor verhouding in en%.

  • •Officiële maat voor warmte-energie: Joule
    •Voedingsindustrie gebruikt van oudsher: calorie
    •1 calorie verwarmt 1 gram zuiver water met 1 graad Celsius

    •Tegenwoordig gebruiken we kcal omdat calorie erg weinig is en hier veel verwarring door ontstaat
    1 kcal = 1000 calorieën
    1 kcal = 4,186 kilojoule (kj)
  • 1.1.1 Energetische waarde


  • •Voedingswaarde: het gehalte aan voedingsstoffen in een product, dus… de totale hoeveelheid energie die wordt geleverd door:
    •Eiwitten
    •Vetten
    •Koolhydraten
    •Mineralen
    •Vitamines


    •De totale hoeveelheid wordt energetische waarde genoemd.
  • Energieprocent
    •De Nederlandse Gezondheidsraad heeft vastgesteld hoeveel iedereen van de verschillende macronutriënten zou moeten binnenkrijgen.


    •Geen kcal of kjoule, maar energieprocent (energie%)


    •Energieprocent = het aandeel dat een voedingsstof levert aan de totale energie-inname
  • 1.2 Eiwitten

  • Stikstofverbindingen opgebouwd uit aminozuren

    • 10 tot 100 aminozuren is een peptide, vanaf 100 een eiwit

    • Essentiële(9), semi-essentiële(6) en niet-essentiële aminozuren(13).

    • Bouwstof

    • Spelen een rol als neurotransmitter of hormoon

    • Enzymen

    • Transport van stoffen

    • Leveren ook energie.

  • Niet-essentiële aminozuren (gezond lichaam)
    •Essentiële aminozuren --> moeten via voeding worden ingenomen
    •Eiwit = proteïne
  • 1.2.1 Functies van eiwitten


  • -Opbouw van spier- en botweefsel
    -Groei van het lichaam
    -Neurotransmitter (transport van stoffen)
    -Hormoon

    Alle enzymen zijn eiwitten

    Enzymen: eiwitten die een rol spelen bij de stofwisseling. Bij de spijsvertering zijn veel enzymen nodig.

    Cellen worden voortdurend vernieuwd. Het lichaam breekt eiwit af en vervangt dit door nieuw eiwit
  • 1.2.2 Bronnen van eiwitten

  • Dierlijke eiwitten: melk, melkproducten, kaas, vlees, vleeswaren, kip, vis en ei.

    • Plantaardige eiwitten: brood, graanproducten, peulvruchten, aardappelen, sojabonen en noten.

    • Verschil in waarde tussen eiwitten: eiwitkwaliteit.

    • 2/3 plantaardig, 1/3 dierlijk door vetten.
  • 1.2.3 Eiwitkwaliteit


  • •Wordt bepaald door:
    –Het gehalte aan essentiële aminozuren
    –De onderlinge verhouding waarin deze aminozuren in het eiwit voorkomen
    –De mate van verteerbaarheid van het eiwit
    Dierlijke eiwitten zijn over het algemeen volwaardiger dan plantaardige eiwitten.

    Nadeel van dierlijke eiwitrijke producten?

    Voorkeur bij eiwitten: 2/3 uit plantaardige producten, 1/3 uit dierlijke producten 
  • 1.2.4 Aanbevolen hoeveelheid eiwitten

  • • 0,8 g x kg lichaamsgewicht
    • 10 en% (bovengrens 25 en%)

    • Bepaalde groepen hebben hogere eiwitbehoefte
  • 1.2.5 Eiwittekort

  •  • Een eiwittekort leidt tot
    • verstoring van de processen waar eiwit bij betrokken is
    • een verminderde afweergroeistoornissen
    • afname van spiermassa etc.
  • 1.3 Koolhydraten

  • • Belangrijkste brandstof
    • Mono-, di-, (oligo) en polysachariden
    • polysachariden (verteerbare en onverteerbare)
    • Vezels = Onverteerbare polysachariden (ze worden niet opgenomen in het bloed)
    • Hersencellen, rode bloedlichaampjes, niermergcellen en melkklieren
    • Afbraak tot monosachariden, opname in de darm
    • Glycogeen in spieren en lever
    • Lever belangrijk bij regulatie bloedsuiker Glucose <-> Glycogeen
    • De glycemische index(GI) en glycemische lading(GL)
  • Bron:
    • Dierlijke koolhydraten: zuivel (lactose)
    • Plantaardige koolhydraten: zetmeel, vruchtensuiker en suiker
  •  •Doel koolhydraten: (na afbraak tot monosachariden) energiebron
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Vitamine C ook wel
ascorbinezuur 
Vitamine B12 ook wel
Cobalamine
Foliumzuur ook wel
Vitamine B11
Biotine ook wel
Vitamine B8
Vitamine B6 ook wel
Pyridoxine
Vitamine B5 ook wel
Pantotheenzuur
Vitamine B3 ook wel
Niacine
Vitamine B2 ook wel
Riboflavine
Vitamine b1 ook wel
Thiamine
Vitamine a ook wel
Retinol