Summary Groepen aan het werk + Cd-rom

-
ISBN-10 9001605559 ISBN-13 9789001605551
247 Flashcards & Notes
4 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Groepen aan het werk + Cd-rom". The author(s) of the book is/are J P van Oudenhoven E Giebels. The ISBN of the book is 9789001605551 or 9001605559. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Groepen aan het werk + Cd-rom

  • 1.1 Groepsvorming

  • Wat houdt de 'Belongingness hypothesis' van Baumeister en Leary in?
    Alle mensen hebben een natuurlijke behoefte om zich aan te sluiten bij anderen. Gebrek aan sociaal contact zorgt ervoor dat mensen zich ongelukkig en eenzaam voelen.
  • Noem de verschillende basisfuncties die groepen vervullen volgens Forsyth en Robbins.
    1. Affiliatie: groepen verbinden individuen met elkaar en voorzien daarmee in de basale behoefte om 'ergens bij te horen' en geaccepteerd te worden door anderen.
    2. Zekerheid: Door lidmaatschap aan de groep voelen mensen zich vaak sterker staan en kunnen zij beter het hoofd bieden aan bedreigingen van buiten.
    3. Intimiteit: groepen verschaffen de mogelijkheid om plezierige, intensieve contacten met anderen te onderhouden -> basis voor hechte vriendschap.
    4. Sociale steun: groep vormt belangrijke bron van sociale steun bij kleine en grote crises. Groepsleden moedigen elkaar aan of beuren elkaar op.
    5. Sociale vergelijkingsinformatie: groepen voorzien individuen van informatie over hoe vergelijkbare anderen het doen. We vergelijken onszelf met iemand die slechter presteert=neerwaartse vergelijking. We trekken ons op aan iemand die beter presteert=opwaartse vergelijking.
    6. Invloed: groepen hebben mogelijkheid om invloed uit te oefenen doordat de macht van de groep groter is dan van individu en ze kunnen meer mensen bereiken. Ook invloed op andere groepsleden uitoefenen.
    7. Status: het lidmaatschap van een groep die anderen belangrijk achten, biedt erkenning en status
    8. Productiviteit: groepen kunnen hun leden helpen om hun productiviteit te verhogen, persoonlijke en gezamenlijke doelen te realiseren.
    9. Exploratie: groepen voorzien leden van info, nieuwe ideeën en nieuwe ervaringen -> leren dus van elkaar.
  • Wat houdt de Fundamentele Interpersoonlijke Relatie Theorie van Schutz in?
    Schutz stelt dat groepslidmaatschap drie basale behoeftes vervult:
    1. Inclusion: affiliatie
    2. Affection: intimiteit
    3. Control: invloed
    Deze behoeftes bepalen hoe we ons naar anderen behandelen en hoe wij willen dat andere zich naar ons opstellen.
  • 1.2 De keuze van een groep

  • Noem verschillende factoren die ervoor zorgen dat we relaties met anderen in groepsverband willen aangaan en behouden.
    1. We voelen ons aangetrokken tot anderen die op ons lijken. Zo bekrachtigen we elkaar in wie we zijn en wat we vinden en dat draagt bij aan een positief gevoel van eigenwaarde.
    2. Fysieke nabijheid. Het regelmatig vertoeven in de nabijheid van een ander vergroot de aantrekkelijkheid van die persoon.
    3. Sociale ruiltheorie: mensen maken een kosten-batenanalyse van groepslidmaatschap om te bepalen of ze lid willen worden of blijven.
  • Wat houdt de 'sociale ruiltheorie' in?
    Mensen maken een kosten-baten afweging van groepslidmaatschap om te bepalen of ze lid willen worden of blijven van een groep.
  • Wat houdt het 'Principe van wederkerigheid' in?

    De gevoelsmatige morele verplichting om groepsleden die ons hebben geholpen bij het realiseren van onze doelen te helpen. (hier zijn ook kosten aan verbonden, maar als de opbrengst hoger is dan zal het individu geneigd zijn lid te worden/blijven van de groep)
  • Wat houdt het 'Comparison level' in?

    Volgens Thibaut en Kelley heeft iedereen een bepaald idee over wat hem of haar zou moeten toekomen in die specifieke situatie. (subjectief, want wordt bepaald door de individuele geschiedenis van een persoon.
  • Wat houdt 'Comparison level for alternatives' in?

    Volgens Thibaut en Kelley: Als we het idee hebben dat in een andere groep de balans beter uitvalt, dan zullen we sneller geneigd zijn te kiezen voor het alternatief.
  • Noem drie vergelijkingen die mensen maken om lid te worden of blijven van een groep.

    1. Individuen vergelijken huidige situatie met het verleden (Comparison level)
    2. Keuze wordt beïnvloed door eventuele alternatieven die voorhanden zijn (Comparison lever for alternatives)
    3. Individuen vergelijken zich met andere groepsleden
  • Wat houdt de 'Groepssocialisatietheorie' van Moreland en Levine in?

    De wijze waarop individuen in de groep staan hangt af van twee processen: 1. Evaluatie -> wordt in belangrijke mate bepaald door de uitkomst van kosten-batenanalyse
    2. Betrokkenheid -> verwijst naar de verwachtingen over de duur van het groepslidmaatschap. Wordt vooral beïnvloed door de uitkomst van verschillende vergelijkingen, in het bijzonder m.b.t. alternatieve die voorhanden zijn.
  • Wat houdt het 'Groepssocialisatiemodel' van Moreland en Levine in?

    Dit model beschrijft in vijf fasen welke veranderingen er in de tijd plaatsvinden in de relatie tussen het individu en de groep. In elke fase evalueren het individu en de groep elkaar, wat van invloed is op de wederzijdse betrokkenheid.
  • 1.3 Groepssocialisatie

  • Noem de fasen en overgangspunten van het 'Groepssocialisatiemodel' van Moreland en Levine.

    Elke fase wordt gekenmerkt door een overgangspunt dat de transitie naar een nieuwe fase inluidt.
    1. Onderzoeksfase: potentiele leden vergelijken de waarde van groepslidmaatschap en vergelijken verschillende beschikbare groepen. Groepen inventariseren interesse van individuen om lid te worden en hun individuele waarde. Er is sprake van succes als ze met elkaar in zee gaan en dit is het overgangspunt: Toetreding.
    2. Socialisatiefase: voor de groep belangrijk dat nieuwkomer groepscultuur accepteert. Voor individu belangrijk dat groep flexibel genoeg is om tegemoet te komen aan zijn behoeften. Overgangspunt: Acceptatie
    3. Onderhoudsfase: staat in het teken van rolonderhandeling. Welke rol gaat het individu vervullen? Soms wordt individu bijna gedwongen een taak op zich te nemen die zij liever niet willen of blijken groepsleden niet aan de verwachtingen van groep te voldoen. Dan is overgangspunt: Divergentie
    4. Resocialisatie: bijdrage van individu aan groep is marginaal. Door groeiende ontevredenheid over en weer distantiëren groep en individu zich van elkaar. Door accomodatie of assimilatie kunnen groepsleden problemen oplossen en kan individu volwaardig lid worden. Overgangspunt is dan: Convergentie. Pogingen tot resocialisatie kunnen falen. Overgangspunt is dan: Uittreding
    5. Herinneringsfase: Voormalig lid en groep kijken terug op een gezamenlijke periode. Voormalig lid evalueert zijn bijdrage aan groep en probeert helder te krijgen wat heeft geleid tot uit elkaar gaan. Groepsleden evalueren bijdrage en opstelling voormalig lid. Vaak ontwikkelen groepsleden een negatieve houding t.o.v. het voormalig lid en minimaliseren diens inbreng. Dit kan opgevat worden als verdedigingsmechanisme zie: 'Sociale-identiteitstheorie' van Tajfel.
  • Wat houdt de 'Sociale-identiteitstheorie' van Tajfel in?

    Deze theorie stelt dat mensen een positief zelfbeeld nastreven. Groep waartoe iemand behoort, bepaalt iemands sociale identieit en daarmee, in veel gevallen, het zelfbeeld -> gevolg: iemand vergelijkt eigen groep steeds met andere groepen en wel zo dat eigen groep gunstig uit de bus komt. Zo gaat de positieve sociale identiteit gaat zo gepaard met bevoordeling van de groep. Dit is een van de redenen waarom mensen graag lid blijven van een groep waarvoor ze een maal hebben gekozen. Als iemand groep verlaat kan dat opgevat worden als afwijzing. Positieve groepsidentiteit moet dan worden hersteld door cognitieve herinterpretatie.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Welke factoren oefenen invloed uit op het besluitvormingsproces?
- Attractie tussen de groepsleden: een hoge onderlinge attractie leidt tot een cohesieve groep (zijn effectiever dan niet-cohesieve groepen)
- Deskundigheid: groepen die wat deskundigheid betreft heterogeen samengesteld zijn, effectiever in het oplossen van problemen. (meer verschillende soorten informatie)
- Grootte van de groep: voor een goede besluitvorming is een groep van vijf a zes personen het geschiktst. Naarmate groep groter wordt verloopt communicatie moeilijker.
Beschrijf een practicum
- stof van het boek doornemen
- cursisten kennen vaktermen
- telkens één onderwerp behandelen
- onderwerpen nemen toe in complexiteit
- geen kant en klaar programma, maar telkens twee deelnemers voor één cursusonderdeel verantwoordelijk maken
- cursisten voor aanvang laten nadenken over eigen gedragspatronen waarover ze feedback willen hebben
Welke rol vervult de begeleider m.b.t. het practicum?
1. Hij is verantwoordelijk voor het verloop
2. Treedt op als adviseur voor de cursisten die en thema voorbereiden
3. Heeft voorbeeldfunctie en treedt op als 'deskundige achter de hand'
Wat betekent modelling?
Leren door nabootsen.
Dit is gebaseerd op de sociale leertheorie van Bandura. Deze theorie stelt dat veel menselijk gedrag geleerd wordt door de gedragingen van anderen te observeren (leren door observeren) en te imiteren.
De begeleider moet een vastzittende discussie vlot kunnen trekken. Door middel van welke vragen?
Doorspeelvragen -> Is iedereen het daarmee eens?
Bijsturende vragen -> volgens mij is daar nog een ander kijk op
Concretiserende vragen -> wat bedoel je precies met die opmerking?
Confronterende vragen -> 
Metavragen -> ik krijg het idee dat jullie het lastig vinden om in termen van het model van... te denken
Wat is een logische opbouw van het stellen van de vragenreek?
Begin met vragen van een lager niveau zoals begripsvragen en dit opbouwen naar vragen van hoger niveau
Welk type vragen kunnen gebruikt worden voor en vragenreeks?
Evaluatievragen
Begripsvragen -> begrip van stof wordt getoetst
Analysevragen -> groepsleden moeten standpunt onderbouwen
Toepassingsvragen -> een voorbeeld geven m.b.t de stof
Synthesevragen -> om de groepsleden uit te dagen buiten de gebruikelijke kaders te denken (bv. alternatieve oplossing)
Wat is cruciaal voor het slagen van een onderwijsleergesprek?
-Van tevoren bepalen wat het doel is.
-Het is belangrijk om alvast te bepalen weke denkroute daarvoor het beste gevolgd kan worden -> aanbeveling: denkstappen in de vorm van een vragenreeks uit te werken
-Het is belangrijk om samen te vatten. Dit is een hulpmiddel om discussie af te ronden en evt. brug te slaan naar volgende punt.
Noem de belangrijkste pluspunten van een onderwijsleergesprek
- door de actieve inbreng van de groepsleden zal de nieuw verworven kennis en inzichten beter beklijven
- meer abstracte en theorie en modellen worden concreet en verhogen zo de praktische waarde van het geleerde
- het is een afwisselende en ontspannende manier van onderwijs
Wat is een onderwijsleergesprek?
Een leerzaam gesprek met een groep. Het is een manier om lesstof met de groep te bespreken, waarbij de groep nieuwe kennis en inzichten zelf genereert. Aan de hand van prikkelende vragen van de begeleider discussiëren de deelnemers over de stof en kunnen ze zo de waarde hiervan bepalen.