Summary Handboek Biologie voor jou VMBO-GT

-
437 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Handboek Biologie voor jou VMBO-GT

  • 1.1 Bladeren

  • Waarom zouden planten niet lang blijven leven zonder bladgroenkorrels?
    Bladgroenkorrels maken glucose (voedingsstof voor de plant)
  • 1.1.1 Bouw van bladeren

  • Bladeren bestaan uit verschillende typen weefsels.
    Benoem ze alle 3 en hun functie.
    1. Opperhuid met huidmondjes: hiermee worden gassen opgenomen en afgegeven
    2. Weefsel met bladgroenkorrels: voor fotosynthese
    3. Vaatbundels: hiermee worden o.a. Water en suiker vervoerd.
    In (bloem)bladeren vertakken de vaatbundels zich in nerven
  • Zitten er ook bladgroenkorrels in de vaatbundels en in de opperhuid?
    Nee. Niet in vaatbundels, de nerven en in de opperhuid (behalve de sluitcellen van de huidmondjes, die hebben wel bladgroenkorrels)
  • 1.1.2 Fotosynthese

  • Wat gebeurt er bij fotosynthese?
    Koolstofdioxide en water wordt omgezet in glucose en zuurstof
  • 1. Welk deel van het blad neemt vooral de koolstofdioxide uit de lucht op?
    2. Welk deel van de plant neemt het water op? 
    3. En hoe wordt het water naar alle delen van de bladeren vervoerd?
    1. Huidmondjes
    2. Wortels 
    3. Eerst: De vaatbundels vervoeren dan o.a. Water en opgeloste stoffen naar de bladeren
        En dan: in bladeren vertakken de vaatbundels zich in nerven. En zo wordt het water naar alle delen van het blad vervoerd.
  • 1. Wat gebeurt er met de zuurstof?
    2. Wat gebeurt er met de glucose?
    1. Grootste deel zuurstof wordt via de huidmondjes afgegeven aan de lucht (SARAH: daarom zo gezond om planten in huis te hebben)
    2.  Van glucose maakt een plant allerlei stoffen: bijvoorbeeld de stoffen waaruit de plant zelf bestaat
  • Wanneer kan fotosynthese plaatsvinden? Noem 3 elementen
    1. (zon) licht is nodig. Licht is vorm van energie en die energie wordt gebruikt bij de vorming van glucose
    2.  Cellen met bladgroenkorrels
    3. Geschikte temperatuur (te koud? Dan gaan fotosynthese)
  • 1.1.3 Stevigheid door water

  • Hoe krijgen planten stevigheid? Noem er 3
    1. Door water
    2. Door houtvaten
    3. Door vezels
  • Planten krijgen stevigheid door water, houtvaten en vezels.
    Beschrijf het proces van stevigheid door water. Noem de 3 stappen
    1. Opperhuid, weefsel met bladgroenkorrels krijgen stevigheid door vocht in de vacuolen van cellen.
    2. Vocht in de vacuolen drukt de cel tegen de celwand
    3. Celwand kan maar een klein beetje uittrekken en duwt terug (zoals opgepompte fietsband)
  • Wat gebeurt er bij uitdroging van een plant? Noem de 4 stappen
    1. Er verdwijnt water uit de vacuolen van de cellen
    2. De druk van de cel tegen de celwand neemt af  
    3. De opperhuid en weefsel met bladgroenkorrels verliezen stevigheid
    4. Plant gaat slap hangen
  • 1.1.4 De werking van huidmondjes

  • Hoe werken de huidmondjes?
    1. Plant verlies voortdurend water via de huidmondjes in de stengel en bladeren
    2. 's Nachts zijn bijna alle huidmondjes gesloten
    3. Bij droge omstandigheden kan de plant de huidmondjes ook overdag sluiten
    4. Gesloten huidmondjes betekent: geen koolstofdioxide opname uit de lucht DUS ook geen fotosynthese
  • Wat kan je vertellen over de sluitcellen (van de huidmondjes)?
    1. Openen en sluiten van de huidmondjes gebeurt door vormverandering van de sluitcellen
    2. Sluitcellen hebben bladgroenkorrels
    3. Als stevigheid sluitcellen afneemt, dan veranderen de sluitcellen zodanig van vorm dat de opening tussen de sluitcellen kleiner wordt. Het huidmondje gaat ten slotte dicht
    3. Als stevigheid sluitcellen toeneemt, wordt de opening tussen de sluitcellen groter waardoor het huidmondje opengaat.
  • Wat was ook al weer een vacuole?
    Een vacuole is een blaasje gevuld met vocht, dat omgeven is door een vacuolemembraan en dat zich in het cytoplasma van een cel bevindt.
  • 1.2 Wortels en stengels

  • Planten krijgen stevigheid door water, vezels en houtvaten (= dikke wanden met cellulose en houtstof.
    1. Wat is cellulose
    2. Leg de stevigheid van planten door houtvaten uit.  
    3. Benoem de functie van wortels en stengel
    1, Cellulose is een hoofdbestanddeel van de celwanden van planten. Het is een organische verbinding die de meest voorkomende natuurlijke polymeer is op aarde

    2. A. Wortels zetten een plant vast   
        B. Stengels geven stevigheid en dragen de bladeren en bloemen
         
    3.  A. Wortels zorgen voor het opnemen van water en mineralen (voedingszouten)  
         B. Stengels zorgen voor transport (water en opgeloste stoffen  van de wortels naar de bladeren en vice versa)    
          C. In wortels en stengels kunnen reservestoffen worden opgeslagen
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Mensen die geen resuspositief hebben, zijn resusnegatief.Deze mensen kunne antiresus maken. Wat is dat?
Antistof tegen. de resusfactor
Als iemand met resusnegatief bloed (bijv. A Rh-) resuspositief bloed (bijv. A Rh+) ontvangt, dan zal deze persoon antiresus maken.
Test jezelf met bloedtransfusie
Ga naar: https://www.biodoen.nl/lesmateriaal.php?go_to=314991
Wat is resusfactor?
Rode bloedcellen zijn donutvormige cellen die ervoor zorgen dat zuurstof door je lichaam wordt vervoerd. Deze cellen bepalen of je bloedgroep A, B, AB of O hebt. Ook bestaat er nog een specifiek eiwit dat iemand wél of niet op zijn rode bloedcellen heeft zitten. Wanneer dit eiwit niet op je rode bloedcellen zit, ben je Rhesus negatief. Heb je het eiwit wel op je rode bloedcellen zitten, dan ben je Rhesus positief. 

Ongeveer 85 procent van de mensen heeft de rhesusfactor en is rhesus-positief. Bij ongeveer 15 procent van de mensen ontbreekt de rhesusfactor, je bent dan rhesus-negatief. 
Beschrijf welke bloedfactoren (antigenen) een rol kunnen spelen bij bloedtransfusies
Bloedfactor: stof op het celmembraam van rode bloedcellen die als lichaamsvreemde stof werkt voor iemand die deze stof niet heeft.
- de belangrijkste zijn bloedfactor A, B en de resusfactor
- je bloedgroep is erfelijk

Bloedgroepen A (43% Nederlanders), B (9%), AB (3%) en 0 (45%)
- het bloedplasma bevat antistof tegen de bloedfactor die niet op de rode bloedcellen ligt
Zie schema.
Vb: Iemand met bloedgroep A heeft zelf bloedfactor A. Deze persoon heeft dan in het bloedplasma de antistof tegen bloedfactor B. Deze antistof wordt Anti-B genoemd.

Resusfactor
- Bij resuspositief bloed (Rh+) bevatten de rode bloedcellen de resusfactor; bij resusnegatief bloed (Rh-) niet.
- Antiresus wordt gevormd als Rh- bloed in contact komt met Rh+ bloed. De vorming van antiresus verloopt langzaam.

Bloedtransfusies
- Bij voorkeur geeft men bloed van een donor met dezelfde bloedgroep en resusfactor als de ontvanger
- In noodgeval: ander bloed maar in bloed van ontvanger mogen GEEN antistoffen aanwezig zijn tegen de bloedfactoren van de donor. Want: bloedklontering
- Bloedfactor A en anti-B reageren met elkaar, net als bloedfactor B en anti-B. Ook de resusfactor reageert met antiresus.
- Rode bloedcellen klonteren samen als de bloedfactor van de donor reageert met antistof van de ontvanger
-Mogelijke bloedtransfusies bij de bloedgroepen A, B, AB en O
*bloedgroep 0 is de algemene donor
*Bloedgroep AB is de algemene ontvanger
*Transfusie van resusnegatief bloed naar een resuspositieve ontvanger is mogelijk
Hoe worden afstotingsreacties opgewekt?
Door eiwitten op de cellen van het getransplanteerde weefsel of orgaan.
Deze eiwitten worden door het afweersysteem van het lichaam herkend als lichaamsvreemde stoffen.
Het lichaam gaat dan antistoffen maken tegen deze antigenen.
Welke rol speelt de resusfactor bij zwangerschap? Leg uit
Problemen kunnen optreden bij een resusnegatieve moeder die zwanger is van een resuspositief kind.
- na de bevalling vormt de moeder langzaam antiresus
- tijdens een volgende zwangerschap kan antiresus van de moeder in het (resuspositieve) bloed van het kind terechtkomen. Gevolg: de rode bloedcellen van het kind worden afgebroken (resuskindje)
- door toediening van antiresus aan de moeder die zwanger is van een resuspositief kind, wordt de vorming van antiresus tegengegaan.
Beschrijf de problemen die door het afweersysteem worden veroorzaakt bij transplantaties en auto-immuunziekte.
Transplantatie
Een aangetast weefsel of orgaan wordt vervangen door een ander weefsel of orgaan
- zo mogelijk is dit van de patient zelf afkomstig of van een nauw verwant persoon (de donor)
- uit een verwantschapsstudie blijkt wie de meest geschikte donor is
- bij donorweefsel of een donororgaan kunnen afstotingsreacties optreden. Het lichaam maakt dan antistoffen tegen antigenen op het lichaamsvreemde weefsel of orgaan

Auto-immuunziekte      
Ziekte waarbij het afweersysteem een lichaamseigen eiwit niet meer herkent (bijv. Reuma)
- gevolg: er worden antistoffen gevormd tegen een lichaamseigen eiwit. Cellen met dit eiwit worden vernietigd.
(door de aanval in te zetten op dat eiwit, raken gewrichten ontstoken)
1. Wat is actieve immunisatie?
1. Immuniteit die ontstaat doordat je wordt ingeent met een vaccin. De persoon vormt zelf antistoffen.
Denk aan DKTP-prik, BMR-prik en HPV.

2. Bij passieve immunisatie wordt een serum ingeent (met 1 of meer antistoffen). De persoon vormt zelf gaan antistoffen. 
Denk aan beet bij slang. Dan krijg je een serum die q of meer antistoffen tegen lichaamsvreemde giftige stoffen bevat. De ingespoten antistoffen maken de antigenen direct onschadelijk.
Noem een voorbeeld van kunstmatige immuniteit? Leg uit
- via inenting/vaccinatie tegen ziektes (denk aan Corona)

Een vaccin bevat een dode of verzwakte ziekteverwekker.
Bepaalde witte bloedcellen maken antistoffen tegen de antigenen van de ziekteverwekker.
Doordat de ziekteverwekker is verzwakt of gedood voel je je hoogstens korte tijd een beetje ziek
Word je later geinfecteerd, dan kunnen de witte bloedcellen vrijwel onmiddellijk antistof aanmaken
Wat is immuniteit?
Na een infectie blijft de antistof tegen de ziekteverwekker in het bloed aanwezig of kan bij een nieuwe infectie met dezelfde ziekteverwekker snel worden gemaakt (de witte bloedcellen 'onthouden' dat)