Summary Handboek klinische ontwikkelingspsychologie : over aanleg, omgeving en verandering

-
ISBN-10 9031352063 ISBN-13 9789031352067
357 Flashcards & Notes
32 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Handboek klinische ontwikkelingspsychologie : over aanleg, omgeving en verandering". The author(s) of the book is/are Pier Prins, Caroline Braet. The ISBN of the book is 9789031352067 or 9031352063. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Handboek klinische ontwikkelingspsychologie : over aanleg, omgeving en verandering

  • 1 Ontwikkeling en psychopathologie

  • De prevalentie van kinderpsychopathologie wordt geschat tussen de 8 en de 26 proces.

  • Jongens laten meer vroege (ontwikkelings)stoornissen zien gebaseerd op een problematische neurologische ontwikkeling, terwijl meisjes meer emotionele stoornissen laten zien, met een piek in de adolescentie.

  • 4.1 Inleiding

  • In welke mate genen en omgevingsinvloeden verschillen tussen mensen bepalen zal per eigenschap anders zijn en moet dus per eigenschap onderzocht worden.
  • Onderzoeksdesigns die de genetische- en omgevingsinvloeden op stabiliteit en verandering van emotionele en gedragsproblemen goed kunnen onderzoeken zijn onder meer het adoptiedesign, waarin kinderen worden vergeleken met hun biologische en hun niet-biologische verwanten, en het klassieke tweelingdesign dat kijkt naar de vergelijking tussen een- en twee-eiige tweelingen.
  • 4.2 Oorzaken van individuele verschillen in de ontwikkeling: verschillen in erfelijke aanleg en omgeving

  • Hoe worden verschillen in ergelijke aanleg veroorzaakt?
    Doordat sommige genen voorkomen in meerdere varianten (polymrfismen of allelen). Daarnaast erven alle individuen een unieke combinatie van polymorfe genen van hun ouders.
  • Hoe worden eiwitten gemaakt?
    Een gen bevat informatie voor de synthese van eiwitten, maar maakt zelf geen eiwitten. Pas wanneer de informatie van een gen wordt gelezen en vertaald (transciptie), wordt er daadwerkelijk een eiwit gemaakt. Hierbij wordt de basenvolgoirde van een gen gekopieerd naar een ribonucleïnezuur (RNA). RNA wordt vertaald naar een volgorde van aminozuren die samen een eiwit vormen (translatie). Deze expressie van het RNA kan zichtbaar gemaakt worden op micro-arrays.
  • Wat is de functie van een gen?
    De regulatie van andere genen en de aanmaak van eiwitten.
  • Hoe hebben eiwitten invloed op een populatie?
    Eiwitten hebben invloed op de structuur en het functioneren van een cel, een cellulair proces. Het functioneren van de cellen komt tot uiting op het niveau van een organisme. Het functioneren van meerdere organismen komt ten slotte tot uiting op populatieniveau. 
  • De variatie in een populatie in eigenschappe ligt in de variatie tussen mensen op DNA-niveau en in de omgeving. Bij een inteeltpopulatie (gefokt) wordt alle waargenomen variatie in de oppulatie verklaard door verschillen in de omgeving.
  • Wanneer is er sprake van additief genetische invloeden?
    Wanneer de invloed van meerdere genen sommeert.
  • Wat is epistase?
    Wanneer er sprake is van interactie tussen verschillende genen.
  • Wanneet is er sprake van genetische dominantie?
    Als verschillende allelen van eenzelfde gen interacteren.
  • Naast informatie over de synthese van eiwitten bevat DNA ook informatie waarmee wordt bepaald dat een eiwit wordt aangemaakt in de juiste lichaamscel op het juiste moment in de juiste hoeveelheid.
  • Wat is mutatie?
    Een verandering in de volgorde van het DNA. Dit kan zijn een verandering van één base (puntmutatie), maar ook verdwijning (deletion) of toevoeging (insertion) van één of meerdere basen.
  • Wat zijn gameten?
    Geslachtscellen.
  • Tijdens de aanmaak van gameten wordt van ieder paar een chromosoom doorgegeven, zodat na de versmelting van gameten het aantal chromosomen in de volgende generatie constant is. Bij de splitsing van de paren chromosomen kan het zijn dat er stukken van het ene - op het andere chromosoom terecht komen. Er is dus sprake van herordening van het erfelijk materiaal van de grootouders.
  • Wat zijn gedeelde omgevingsinvloeden?
    Invloeden uit de omgeving die kinderen in een gezin meer op elkar doen lijken (opvoedingsstijl, eet- en slaapgewoontes, buurt, ses etc.).
  • Wat zijn unieke omgevingsinvloeden?
    Invloeden die kinderen (en volwassenen) van elkaar doen verschillen. Het ene kind kan andere reacties van de ouderst uitlokken of heeft de verantwoordelijkheden van het "de oudste zijn", interacties met vriendjes en vriendinnetjes zijn verschillend en ook de wijze waarop andere volwassenen het kind behandelen.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Leg het ecologisch transactioneel model van Cichetti, Tuch en Maughan uit.
  • Het is een transactioneel model dat rekening houdt met transacties tussen de verschillende contexten zoals eerder beschreven bij Bronfenbrenner en Belsky.
  • Het benadrukt nog meer dat psychopathologie bij een kind het resultaat is van een balans tussen interacterende systemen op micro-, meso- en macroniveau enerzijds en buffer of beschermende factoren anderzijds. 
  • Lijkt momenteel het meest complete model. 
  • Het model beschrijft de etiologische en instandhoudende processen voor een bepaald probleem, met aandacht voor contextuele aspecten, moet ze stoornispecifiek geconcretiseerd worden. 
  • Figuur: proberen begrijpen hoe kinderen al dan niet psychopathologie ontwikkelen nadat ze mishandeld werden. 
Leg het diathese-stress model uit.
  • Het is een transactioneel model dat aanvaard wordt voor het begrijpen van depressie. 
  • Uitgangspunt: er is een wederzijdse invloed van de omgeving en het kind op elkaar en dit op een dynamische manier.
  • Stressfactoren hebben de depressie 'uitgelokt' en kunnen dit in de toekomst weer uitlokken bij hiervoor kwetsbare personen. 
  • Bij depressie verondersteld men steeds een 'diathese'. Deze kan biologisch zijn of psychologisch.
         - Biologisch: bvb. verstoorde neurotransmitters.
         - Psychologisch: bvb. aanwezigheid afwijkende denkprocessen.
  • Het is een transactioneel model omdat het de diathese op zijn beurt nieuwe stresserende reacties vanuit de omgeving in gang kan zetten. 
  • Stress = levensgebeurtenissen die het fysiologisch, emotioneel of cognitief evenwicht van een persoon verstoren. 
  • Hoge niveaus van kwetsbaarheid: slechts weinig stress nodig om een stoornis te activeren.
  • Hoog stressniveau: zelfs mensen met een minimale kwetsbaarheid toch kans een stoornis te ontwikkelen.
Leg het ecologisch model van Bronfenbrenner uit.

Bronfenbrenner maakt een onderscheid tussen contexten op: 

  • microniveau
  • mesoniveau
  • macroniveau
Wat is de DIPSI (de Clerque et al)?
Om de structuur van de persoonlijkheidspathologie die men op jonge leeftijd kan observeren te onderzoeken ontwikkelden zij de dimensional personality symptom itempool, een taxonomie bestaande uit 27 lagere ordefacetten die geordend zijn onder vier hogere ordedimensies: 
  • onwelwillendheid (externaliserend)
  • emotionele instabiliteit (internaliserend)
  • introversie (internaliserend)
  • complusivitieit (internaliserend) 
Behavioral inhibition (BI) tijdens de peutertijd is predictief voor angststoornissen later. hoe kan BI in verband worden gebracht met taxonomieën van persoonlijkheid?
BI kan geïnterpreteerd worden door de combinatie van een hoge score op neuroticisme en een lage score op extraversie. Een combinatie van BI en een lage score op consciëntieusheid hangt significant samen met zelfmoordpogingen.
Clark (2005) stelt temperament (positieve affectiviteit, negatieve affectiviteit en disinhibitie) als basis om zowel psychopathologie als persoonlijkheid te organiseren. Hoe kan haar theorie aan de spectrumhypothese, kwetsbaarheidsmodel, diathese-stressmodel, pathoplastiemodel, complicatiemodel en het littekenmodel gekoppeld worden?
  • Ze ziet temperament als dezelfde onderliggende factor voor zowel persoonlijkheid als psychopathologie (spectrumhypothese).
  • Individuen met extreme scores op bepaalde persoonlijkheidstrekken zijn meer kwetsbaar voor het ontwikkelen van psychopathologie (kwetsbaarheidmodel).
  • ^ Deze individuen ondervinden ook heftigere (psychopathologie) gevolgen op negatieve levensgebeurtenissen (diathese-stress model).
  • De manifestatie van de stoornis wordt beïnvloedt door de persoonlijkheidstrekken van het individu (pathoplastiemodel).
  • Stoornissen kunnen ook tijdelijke veranderingen op het vlak van persoonlijkheid veroorzaken (complicatiemodel).
  • Ook kunnen stoornissen blijvende veranderingen op het vlak van persoonlijkheid veroorzaken (littekenmodel).
Clark (2005) stelt temperament als basis om zowel psychopathologie als persoonlijkheid te organiseren. Deze zijn secundair aan drie grote temperamentdimensies. Welke zijn dit?
  • Positieve affectiviteit: speelt een rol bij depressie en in mindere mate bij schizofrenie en sociale fobie. Positieve affectiviteit differentieert dus tussen internaliserende problematiek.
  • Negatieve affectiviteit: dekt nagenoeg het hele scala van internaliserende stoornissen.
  • Disinhibitie: van belang voor het beschrijven van externaliserende problematiek.
Wat is de link tussen het tripartitemodel en het VFM?
NA van het tripartitemodel kan gelijk gesteld worden met neuroticisme en PA met extraversie.
Wat houdt het tripartitemodel van Clark en Watson in?
Dat de structurele relatie tussen angst en depressie kan worden begrepen vanuit drie grote factoren:
  • Negatief affect (NA): een niet-specifieke factor die zowel met angst en depressie samen hangt.
  • Positief affect (PA): afwezigheid hiervan is typerend voor depressie 
  • Fysiologische hyperarousal (FH): typerend voor angststoornissen
 Wat stelt de spectrumhypothese met betrekking op de relatie tussen persoonlijkheid en psychopathologie bij kinderen?
Dat er geen unidirectionele relatie is, maar dat persoonlijkheid, subklinische trekken en As I syndromen deel uitmaken van eenzelfde continuüm. Onderliggende genetisch-biologische factoren zijn hiervoor verantwoordelijk.