Summary Handboek Ouderenpsychologie

-
ISBN-13 9789058983121
979 Flashcards & Notes
16 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Handboek Ouderenpsychologie". The author(s) of the book is/are Marja Vink, Yolanda Kuin, Gerben Westerhof Sanne Lamers Anne Margriet Pot. The ISBN of the book is 9789058983121. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Handboek Ouderenpsychologie

  • 1 Ouder worden en ouderenpsychologie

  • In het rapport "Verkenning levensloop" wordt een indeling in vijf levensfasen beschreven. Welke fasen zijn er volgens het rapport?
    1. Vroege jeugd (0-15 jaar)
    2. Jongvolwassenheid (15-30 jaar)
    3. Consolidatie en spitsuur (30-60 jaar)
    4. Actieve ouderdom (60-80 jaar)
    5. Intensieve verzorging (80+)
  • Welke kritiek is er op de indeling in vijf fasen (vroege jeugd 0-15, jongvolwassen 15-30,consolidatie/spitsuur 30-60, ouderdom 60-80, intensieve verzorging 80+) in het rapport "Verkenning levensloop"?
    •  60-80 ouderdom noemen is onzorgvuldig, beter verlengde middelbare leeftijd
    • Sommige onderzoekers liever indelen in voor en na pensioen 
    • De 80+ fase is niet voor iedereen 'intensieve verzorging'
    •  Levensfase 95+ of 100+  als een aparte levensfase toevoegen
  • Welke kritiek is er op de indeling in vijf fasen in het rapport "Verkenning levensloop"?
    • De leeftijdsgroep bestempelen als ouderdom getuigt van onzorgvuldig taalgebruik. Sommige onderzoekers spreken liever van een verlengde middelbare leeftijd + de fase is op te delen in voor het pensioen en na het pensioen.
    • De 80+ fase kan niet alleen beschouwt als intensieve verzorging, is ook een te eenzijdig perspectief. 
    • Wellicht zou de levensfase 95+ of 100+ ook als een aparte levensfase moeten worden beschouwd.
  • Wat wordt er bedoeld met het begrip "participatiesamenleving" (voorheen 'verzorgingsstaat') en wat betekent dit voor het verlenen van zorg aan ouderen?
    • Burgers nemen zelf verantwoordelijk voor hun eigen gezondheid en welzijn.
    • zelf de regie voeren over hun leven,
    • competenties inzetten voor zichzelf en anderen,
    • in eerste instantie terugvallen op hun sociale netwerk voor ondersteuning.

    Voor de hulpverlening vraagt dit een andere opstelling: 
    • begeleiden in het behoud van de eigen regie. 
    • Er moet meer worden geluisterd en gevraagd worden naar wat de cliënt en de naasten willen. 

    Dit leidt tot meer differentiatie en pluriformiteit in zorgaanbod en zorguitvoering waardoor cliënten meer te kiezen hebben.   
  • Er zijn vele veronderstellingen over ouderen, die niet blijken te kloppen met de werkelijkheid. Wat zijn de belangrijkste bevindingen ten aanzien van de hedendaagse ouderen?
    • Ouderen laten in de laatste 10-15 jaar meer gezondheidsproblemen zien en behoeven meer zorg.
    • Een grotere groep ouderen wil na zijn pensionering doorwerken in hun huidige baan of in een nieuwe setting. Dit zorgt beleven van plezier en geeft zin aan het leven.
    • Een derde van de mensen tussen 55 en 74 jaar doet gemiddeld 6 uur per werk aan vrijwilligerswerk.
  • Wat zijn de 4 belangrijkste aandachtspunten binnen de ouderenpsychologie die anders zijn dan in de psychologische hulpverlening aan jongere volwassenen?
    • Leeftijdsgerelateerde factoren
    • veranderingen in hun omgeving, 
    • levensgeschiedenis.
    • De werkrelatie tussen de therapeut en de oudere cliënt
  • De oudere bestaat niet, er is veel diversiteit. Welke factoren spelen mee bij het proces van ouder worden, in de levensontwikkeling?
    • Maatschappelijke positie: cohortverschillen, geslacht, sociaal-economische status, migratiegeschiedenis.
    • Individuele verschillen: persoonlijkheid, het omgaan met het ouder worden en de individuele levensgeschiedenis.
    • Verschillen binnen een individu op verschillende domeinen: verlies ervaren, lichamelijke gezondheid, sociale relaties, welbevinden, continuïteit of groei.
  • Veronderstellingen tav ouderen blijken niet meer te kloppen
    Wat is er veranderd?
    • Ouderen laatste 10-15 jaar meer gezondheidsproblemen 
    • Een grotere groep ouderen werkt na pensionering door of in andere setting. 
    • 1/3 van de mensen tussen 55 en 74 jaar doet gemiddeld 6 uur per week aan vrijwilligerswerk.
  • Het begrip gezondheid had vroeger een andere betekenis dan hoe er tegenwoordig naar wordt gekeken. Kun je de verschillende betekenissen beschrijven en welk model wordt hiervoor tegenwoordig gebruikt?
    • Vroeger: gezondheid werd vooral gezien als afwezigheid van ziekte.
    • Tegenwoordig: Healthy Aging Model: dit model is van de World Health Organization (WHO). Dit model gaat ervan uit dat gezond ouder worden van belang is voor iedereen om het functioneren zo veel mogelijk te bevorderen en te behouden. Dit geldt voor zowel mensen zonder ziekten en aandoeningen, maar ook voor degenen van wie de mentale of fysieke capaciteiten zijn verminderd, zoals bv dementie.
    • Er is een toenemende aandacht voor veerkracht, zingeving en welbevinden om het eigen functioneren zo optimaal mogelijk te houden, ook wanneer men met tegenslagen te maken krijgt.
  • Onder ouderen is veel diversiteit. Waarin zit die diversiteit ?
    • Maatschappelijke positie: cohort verschillen, geslacht, sociaal-economische status, migratiegeschiedenis.
    • Individuele verschillen: persoonlijkheid, het omgaan met het ouder worden en de individuele levensgeschiedenis.
    • Verschillen binnen een individu op verschillende domeinen: verlies ervaren, lichamelijke gezondheid, sociale relaties, welbevinden, continuïteit of groei.
  • Het denken in de ouderenpsychologie sluit aan bij het model van Healthy Aging, op welke manier sluit het aan?
    In de ouderenpsychologie wordt ontwikkeling gezien als groei, maar ook als behoud van functioneren en als het omgaan met tegenslagen en verlies.
  • Knight en Pachana (2015) hebben vanuit de levensloop theorie een raamwerk ontwikkeld om de psychologische behandeling van ouderen aan te passen aan de individuele oudere cliënt . Hoe heet dit model en waarom is dit een goed model?
    Het model heet Contextual Lifespan Theory for Adapting Psychotherapie (CALTAP).
    • Helpt te kijken naar verschillende relevante factoren die van invloed zijn op problemen
    • Geeft helderheid aan de therapeut, de oudere en zijn naasten over de vraag: Wat heeft leeftijd met het probleem van doen?"
    • Het helpt om de de valkuil 'het komt door de leeftijd' te omzeilen en dat er dus niets aan gedaan kan worden.
  • Wat wordt er bedoeld met het begrip "participatiesamenleving" en wat betekent dit voor het verlenen van zorg aan ouderen?
    In de participatiesamenleving nemen burgers zelf verantwoordelijk voor hun eigen gezondheid en welzijn. Er wordt verwacht dat zij zelf de regie voeren over hun leven, hun competenties inzetten voor zichzelf en anderen, en in eerste instantie terugvallen op hun sociale netwerk voor ondersteuning.

    Voor de hulpverlening vraagt dit een andere opstelling: ze moeten burgers begeleiden in het behoud van de eigen regie. Er moet meer worden geluisterd en gevraagd worden naar wat de cliënt en de naasten willen. Dit leidt tot meer differentiatie en pluriformiteit in zorgaanbod en zorguitvoering waardoor cliënten meer te kiezen hebben.
  • In de participatiesamenleving wordt er een grote nadruk gelegd op autonomie en zelfbeschikking, welke problemen brengt dit met zich mee ten aanzien van ouderen?
    Het zorgt voor problemen bij kwetsbare mensen. Zij kunnen hun leven niet altijd meer naar eigen inzicht vormgeven en zijn ook niet altijd in staat om hun eigen zorgvragen adequaat te formuleren. bv ouderen met dementie of met een psychotische stoornis die niet altijd zelf om hulp zal gaan vragen.
    Er moet per persoon worden bekeken waar belangenbehartiging gerechtvaardigd is om te voorkomen dat iemand van de noodzakelijke hulp verstoken blijft.
  • Wat zijn de belangrijkste aandachtspunten binnen de ouderenpsychologie die anders zijn dan in de psychologische hulpverlening aan jongere volwassenen?
    • Leeftijdsgerelateerde factoren, verbonden met het ouder worden van de cliënt, veranderingen in hun omgeving, en met hun levensgeschiedenis.
    • De werkrelatie tussen de therapeut en de oudere cliënt
  • Wat is een valkuil in de hulpverlening aan ouderen?
    De problemen worden toegeschreven aan ouderdom en worden daarmee als onoplosbaar gezien. Behandelbare aspecten worden hierdoor gemist en er ontstaat geen ruimte voor hoop op verbetering. Dit doet zich voor bij de ouderen zelf, bij hun naasten en bij hulpverleners.
    Zorgvuldige analyse van welke klachten aan de leeftijd zijn toe te schrijven en welke een andere oorzaak hebben.
  • Knight en Pachana (2015) hebben conceptueel raamwerk ontwikkeld, hierin worden de factoren die van belang zijn voor aanpassing van de psychologische behandeling aan de individuele oudere cliënt ondergebracht. Hoe heet dit model en waarom is dit een goed model?
    Het model heet Contextual Lifespan Theory for Adapting Psychotherapie (CALTAP).
    • Het model helpt om benodigde aanpassingen te bepalen vanuit de verschillende relevante perspectieven
    • Het model is nuttig om helderheid te geven aan de therapeut, de oudere en zijn naasten over de vraag: Wat heeft leeftijd met het probleem van doen?"
    • Het helpt om de de valkuil te omzeilen dat de problemen passend zijn bij de leeftijd en als onoplosbaar worden gezien.
  • Wat zijn de belangrijkste aspecten van CALTAP-model? (zie ook model 1.1. blz.23)
    • Positieve en negatieve biopsychologische aspecten van veroudereing: positive maturation: fysieke, psychische en sociale veranderingen van positieve aard; negative maturation: fysieke, psychische en sociale veranderingen van negatieve aard. Deze maken deel uit van het normale verouderingsproces.
    • Specific challenges: Ingrijpende veranderingen of specifieke aandoeningen die zich relatief vaak voor doen bij ouderen, maar die niet een natuurlijk onderdeel zijn van het ouder worden, bv ernstig gehoorverlies, chronische ziekte, cognitieve stoornissen e.d.
    • Sociale context, sociaal-historische context (bv specifieke cultuur of subcultuur) en specifieke cohort
    • Cognities en attitudes van de hulpverlener worden ook meegenomen
  • Wat heeft de hulpverlener in de ouderenpsychologie nodig om zijn taak goed uit te kunnen voeren?
    Specifieke kennis en sensitiviteit voor de beleving van het ouder worden, met de vele veranderingen die ouder worden met zich meebrengt en voor de context waarin ouderen leven.
    Adequate hulpverlening vraagt om zelfreflectie en om bewustwording van de eigen beelden, vooroordelen, oordelen en gevoelens van de therapeut over ouder worden.
  • Wat is het CALTAP model?
    Contextuele levensloop theorie voor aanpassing van psychotherapie CALTAP:
    Het CALTAP model helpt om benodigde aanpassingen te bepalen vanuit de verschillende relevante perspectieven bij ouderen.
    Positive maturation: fysieke, psychische en sociale veranderingen van positieve aard op het welzijn
    Negative maturation: fysieke, psychische en sociale veranderingen van negatieve aard op het welzijn.
    Specific challenges: specifieke omstandigheden. Veranderingen of specifieke aandoeningen die relatief vaak voorkomen bij ouderen, maar niet een natuurlijk onderdeel zijn van het ouder worden (chronische ziekte, mantelzorgtaken, opname, cognitieve stoornissen)
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Welke 3 doelstellingen kan mediatieve oplossingsgerichte therapie hebben?
Een mediatieve therapie kan 3 soorten doelstellingen hebben:
  • Het gedragsprobleem beïnvloeden (het roepgedrag verminderen)
  • Het welbevinden beïnvloeden  van het zorgteam tegenover het gedragsprobleem (bevorderen van rust tijdens het bestaande roepgedrag)
  • Gewenst gedrag bij de cliënt bevorderen (rustig aanwezig zijn)
Wat houden 'leading from one step behind' en 'tap on the shoulder' in icm oplossingsgerichte therapie?
Leading from one step behind: houdt in dat de therapeut de cliënt zelf laat bepalen wat het doel is en wat bijdraagt aan het dichterbij brengen van dat doel. De therapeut stelt vragen waarmee hij de cliënt helpt de aandacht te richten op informatie die bijdraagt aan vooruitgang (tap on the shoulder). 
Welk onderscheid maakte Butler tussen reminiscentie en life-review?
Butler maakte onderscheid tussen reminiscentie en life review:
Reminiscentie: het proces van persoonlijke herinneringen ophalen
Life review: een reorganisatieproces waarbij alle belangrijke ervaringen nog eens de revue passeren en geherwaardeerd worden binnen het perspectief van de hele levensloop. 
Wat is de holistische theorie/casusconceptualisatie?
Holistische theorie/casusconceptualisatie: over het algemeen werkt men aan 1 probleem, maar in de gedragstherapie is het gebruikelijk om een analyse te maken van de causale samenhang tussen meerdere problemen in het leven van de cliënt en welke betekenis deze problemen hebben. 
Welke 2 meetinstrumenten voor ouderen met persoonlijkheidsstoornissen zijn er?
Voor zover bekend zijn er 2 meetinstrumenten ontwikkeld vanuit de ouderenzorg om de aan- of afwezigheid van een DSM-persoonlijkheidsstoornis vast te stellen en de aard van pathologische persoonlijkheidstrekken bij ouderen in kaart te brengen:
  • De Gerontologische Persoonlijkheidsstoornissen Schaal (GPS)
Screent of er sprake is van een DSM-V persoonlijkheidsstoornis.
  • De Hetero Anamnestische Persoonlijkheidsvragenlijst (HAP)
Is voor ouderen gevalideerd in de eerste lijn, de ggz en in de verpleeghuiszorg. Brengt 10 verschillende pathologische persoonlijkheidstrekken in kaart
Wat betekent de stoornis persoonlijkheidsverandering door somatische aandoening?
Persoonlijkheidsverandering door somatische aandoening: wordt omschreven als een persisterende verandering van de persoonlijkheid ten opzichte van het karakteristieke persoonlijkheidspatroon dat de betrokkene voorheen vertoonde, met tevens aanwijzingen dat de stoornis het directe gevolg is van een somatische aandoening zoals een herseninfarct een schedeltrauma of epilepsie van de frontaalkwab. 
Waaruit bestaat cluster C van persoonlijkheidsstoornissen?
De cluster-C persoonlijkheidsstoornissen zijn de vermijdende-, de afhankelijke- en dwangmatige- persoonlijkheidsstoornis. Bij Cluster C persoonlijkheidsstoornissen staan angst, insufficiëntiegevoelens en rigiditeit op de voorgrond.
De vermijdende persoonlijkheidsstoornis: wordt getypeerd als geremdheid in gezelschap, continu het gevoel hebben tekort te schieten en overgevoelig zijn voor een negatief oordeel
De afhankelijke-persoonlijkheidsstoornis: heeft een buitensporige behoefte aan verzorgd worden en is angstig om in de steek gelaten te worden, wat leidt tot onderworpen en vastklampend gedrag
De dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis: wordt gekenmerkt door een preoccupatie met ordelijkheid, en door de neiging tot beheersing van psychische en sociale processen ten koste van soepelheid, openheid en efficiëntie. 
Waaruit bestaat cluster B van persoonlijkheidsstoornissen?
Onder de persoonlijkheidsstoornissen van Cluster B vallen de antisociale-, de borderline-, de histrionische- (voorheen theatrale) en narcistische persoonlijkheidsstoornis. Buitenproportioneel heftige emoties en grensoverschrijdend gedrag staan bij cluster B persoonlijkheidsstoornissen op de voorgrond en dit leidt vaak tot problemen in het interpersoonlijk functioneren.


De antisociale persoonlijkheidsstoornis: wordt gekenmerkt door gebrek aan achting voor, en schending van rechten van anderen. Ouderen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis conformeren zich doorgaans nog steeds niet aan bijvoorbeeld de regels in een zorginstelling, evenmin zijn er spijtgevoelens over obstinaat gedrag jegens de zorgmedewerkers
De borderline persoonlijkheidsstoornis: wordt vooral gekenmerkt door instabiliteit in relaties, in zelfbeeld en in gevoelens evenals door impulsiviteit. Er zijn aanwijzingen dat de impulsiviteit bij ouderen afneemt, maar ook dat het accent komt te liggen op depressieve kenmerken en verlatingsangsten, al of niet geactualiseerd door het overlijden van naasten.
De histrionische-persoonlijkheidsstoornis: gaat gepaard met buitensporige emotionaliteit en vraagt veel aandacht. Ouderen met histrionische persoonlijkheidsstoornis neigen er vooral toe om met somatiserend gedrag buitensporig veel aandacht te vragen
De narcistische persoonlijkheidsstoornis: representeert grootheidsgevoelens, behoefte aan bewondering en gebrek aan inlevingsvermogen. Ouderen met narcistische kenmerken lopen het risico op een depressie doordat de bewondering van anderen drastisch kan afnemen door bijv. pensionering. 
Wat kan kenmerkend zijn voor ouderen met een persoonlijkheidsstoornis uit cluster A?
Ouderen met cluster-A persoonlijkheidsstoornissen komen in contact vreemd of excentriek over. De emotionele expressie is daarentegen vaak beperkt. Als gevolg van achteruitgang van zintuiglijke of cognitieve functies kunnen achterdocht en psychotische belevingen in ernst toenemen
Waaruit bestaat Cluster A van persoonlijkheidsstoornissen?
De persoonlijkheidsstoornissen van Cluster A worden gevormd door de paranoïde, de schizoïde en de schizotypische-persoonlijkheidsstoornis. De stoornissen uit dit cluster delen de kenmerken als cognitief-perceptuele stoornissen, zoals achterdocht en psychotische belevenissen alsmede sociale isolatie.

De paranoïde persoonlijkheidsstoornis: wordt gekenmerkt door wantrouwen en achterdocht tegenover anderen, waardoor de beweegredenen van deze patiënten worden geïnterpreteerd als kwaadwillig
De schizoïde-persoonlijkheidsstoornis: afstandelijkheid in sociale relaties en beperkingen in het uiten van emoties in sociale situaties zijn de voornaamste kenmerken.
De schizotypische persoonlijkheidsstoornis: wordt gekenmerkt door sociale beperkingen alsmede door (wantrouwende) gedachten en perceptuele vervormingen en eigenaardigheden in het gedrag.