Summary Handboek psychodiagnostiek en beperkte begaafdheid

-
ISBN-10 9026517750 ISBN-13 9789026517754
251 Flashcards & Notes
3 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Handboek psychodiagnostiek en beperkte begaafdheid". The author(s) of the book is/are D W Kraijer J Plas. The ISBN of the book is 9789026517754 or 9026517750. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Handboek psychodiagnostiek en beperkte begaafdheid

  • 1 UITGANGSPUNTEN, BEGRIPPEN EN PRAKTISCHE AANWIJZINGEN

  • Doel van het boek van Kraijer en Plas
    praktische handleiding voor het gebruik van psychiatrische classificatiesystemen en psychodiagnostische instrumenten in de zorg.
  • Wat is handelingsgerichte diagnostiek?
    Een besluitvormingsproces waarbij de diagnosticus psychische problemen bij kinderen onderkent, analyseert, zoekt naar mogelijke verklaringen voor die problemen en oplossingen adviseert.
  • Benadering van Kraijer en Plas sluit aan bij:
    Hypothesetoetsend model
  • Definitie van Psychodiagnostiek, volgens Kraijer en Plas (overgenomen van Prins en Pameijer):
    Handelingsgerichte diagnostiek omschrijven we als een besluitvormingsproces waarbij de diagnosticus psychische problemen bij de kinderen onderkent, analyseert, zoekt naar mogelijke verklaringen voor die problemen en - in het verlengde daarvan - oplossingen adviseert.
  • 5 Fasen van handelingsgerichte diagnostiek:
    1. intake
    2. strategiefase
    3. onderzoeksfase
    4. a) integratiefase (wat)
        b) indicatiestellingsfase (hoe)
    5. adviesfase (tussen 'maximaal wenselijke' en 'minimaal noodzakelijke'
  • Verschuiving gebruik 'zwakbegaafdheid' door komst tweede versie van ICF (Internationale Classificatie van het menselijk Functioneren) naar beperking.
    Gehanteerde termen in schema
    • Algemene ontwikkelingsbeperkingen:
               -verstandelijke beperking    (karakter v/e tekort + in principe harmonie)
               -autismespectrumstoornis (karakter van een stoornis, en disharmonie)
    • Deelontwikkelingsbeperkingen
              -motorisch
              -visueel
              -auditief
              -lees-/reken-/taal-
              -aandachts-/activiteits-
  • IQ grens mensen met een beperkte begaafdheid
    van 70 naar 85/90
  • Diagnostic overshadowing=
    gedrag (bijv. stereotypieen) maskeert verschijnselen die horen bij een vorm van psychopathologie (bijv. autisme). 
  • Diagnostic underrepresentation=
    het ontbreken van bepaald gedrag (bijv. spraak en taal) ontneemt bij mensen functionerend op lager niveau de mogelijkheid verschijnselen te constateren.
  • Voordeel gebruik van classificatiesysteem:
    1. gerichter en beter kijken
    2. het dwingt om eerste waarnemingen expliciet te maken en te ordenen
    3. maakt bevindingen overdraagbaar binnen  en tussen sectoren
    4. zorgt voor kennisbevordering
    • classificatie alléén biedt onvoldoende handvatten voor bijvoorbeeld een individueel handelingsplan
    • ondanks dat toepasbaarheid van classificatiesystemen matig zijn, toch blijven hanteren, omdat:
                                                          - de diagnosticus beter leert kijken
                                                          - leidt vaak tot onverwachte ontdekkingen (op                          het eerste oog ongecompliceerder dan hij/zij daadwerkelijk is)
  • DSM-IV-TR verkozen boven ICD-10, 2 crusciale redenen:
    1. categorieen zijn veel overzichtelijker mét aanwijzingen van het aantal criteria
    2. in DSM zélf is een assenstelsel opgenomen
  • COTAN beoordeling:
    1. Uitgangspunten testconstructie
    2. a)  Kwaliteit van het testmateriaal
              b)  Kwaliteit van de handleiding
         3.  Normen
         4.  Betrouwbaarheid
         5.  a)  Begripsvaliditeit
              b)  Criteriumvaliditeit
  • Criteria keuze van instrument:
    1. psychometrische basiskwaliteit
    2. toepasbaarheid in de zorg voor mensen met een VB
    3. praktische hanteerbaarheid
    4. gestandaardiseerde, Nederlandse handleiding en instrument
    5. minstens voldoende beoordeling van COTAN
    6. beperkte kwantiteit toe te passen tests, schalen en vragenlijsten
  • Voordelen van schaalgebruik boven testgebruik binnen deze doelgroep:
    • betrokkene wordt niet geplaagd of verstoord
    • betrokkene wordt beoordeeld op zijn gewone gedrag, over een langere periode
    • ouders en/of begeleiders leveren een bijdrage aan de diagnostiek
    • beeld gestoeld op de dagelijkse gang van zaken
  • Tests, Schalen en Vragenlijsten voorbeelden op meetpretentie en doelgroep
  • Diagnostisch proces:
    Stap 1 Klinische beeldvorming , op basis van:
    • klinische indruk
    • de toepassing van de DSM-IV-TR
    Stap 2 Instrumentele beeldvorming , op basis van:
    • uitslag van algemene tests en schalen 
    • categorisering op specifieke instrumenten
    Stap 3 Individuele diagnose
    • op basis van de beeldvorming in Stap 1 en Stap 2 (instrumenteel verkregen), komen tot een voor deze persoon, met dit verleden, in deze context geldige diagnose
  • Predisposing factors=
    Factoren/condities die iemand kwetsbaar maken voor een stoornis/ziekte bijv. aanwezigheid van het lesch-Nyhansyndroom
  • Maintaining factors=
    alleen als betrokkene zichzelf bijt, wordt er persoonlijke aandacht gegeven
  • Verschillende typen psychodiagnostiek:
    gericht op:
    • onderkenning
    • behandeling
    • indicatie voor een vorm van wonen/scholing/dagbesteding
    • indicatie voor een vorm van bejegening
    • evaluatie
    • voorspelling
    • inventarisatie
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat is het geslachtschromosoomgebonden syndroom 47-xxy en 47-xyy (respectievelijk klinefeltersyndroom en super-malesyndroom)?
Lichamelijke kenmerken: lange benen waardoor ongewone lichaamslengte. Meeste mensen worden niet gediagnosticeerd. 

Psychische kenmerken: zwakbegaafd en licht verstandelijk beperkt (soms ook bovengemiddelde begaafdheid). Spraak/taalproblemen, moeite met begrijpend lezen en schrijven, rekenproblemen. Motorische onhandigheid. VIQ meestal lager dan PIQ. Vaak overschat door lichaamsgrootte, wat leidt tot driftbuien, weinig zelfvertrouwen en frustratie. 
Klinefelter: stilletjes, teruggetrokken, weinig assertief, sociaal niet weerbaar: internaliserende problematiek
Super-malesyndroom: externaliserend: agressie, onrust, diefstalletjes, etc. 
Wat is het Williamssyndroom (William-Beurensyndroom of elfin-facesyndroom)?
Lichamelijke kenmerken: vanaf volwassenheid typische gelaatskenmerken als breed voorhoofd, bolle wangen, opvallende oorlelletjes, grote afstand tussen neus en bovenlip, kleine wipneus. Grof/fijn motorische onhandigheid, iets kleiner dan gemiddeld.

Psychische kenmerken: licht/matig verstandelijk beperkt (soms ernstig verstandelijk beperkt/zwakbegaafd). Moeite met motorische coordinatie en controle, ruimtelijke waarneming en planning. Goede woordenschat, auditief korte termijngeheugen, levendige en invoelende verteltrant, onthouden gezichten, goede TOM vaardigheden. Maar te vriendelijk en kritiekloos, ook tegen wildvreemden, aanklampen. Storend gedrag: aandachtsproblemen, impulsiviteit, aandacht op eisen, obsessies, angsten, hyperacusis (overgevoelig voor zachte geluiden) odynacusis (overgevoeligheid/lage drempel harde geluiden). Psychose als depressie. Soms ook ASS.
Wat is het 5p-syndroom (of Cri-du-chatsyndroom: baby maakt miauwgeluid)?
Lichamelijke kenmerken: klein schedel, laag ingeplante, misvormde oren, nasale stem. Achtergebleven lengtegroei, grote motorische achterstand (slappig).

Psychische kenmerken: ernstig verstandelijk beperkt (soms matig/licht verstandelijk beperkt). Verbale IQ neiging tot dalen, evenals het sociale redzaamheidsniveau. Wel ontwikkeling, maar die verloopt traag. Betere receptieve taal dan expressief en de spraak. Wel gebaren. Sociaal en communicatief ingesteld, wel veel aandacht opeisen. Storend gedrag komt vaak voor: concentratieproblemen, overactiviteit, driftbuien, ongehoorzaamheid, agressief gedrag, braken, zichzelf verwonden. Overgevoeligheid voor geluiden. Heel soms ASS.
Wat is Tubereuze sclerose (of syndroom van Bourneville-Pringle of tubereuze sclerosis complex)?

Lichamelijke kenmerken: huidafwijkingen, epilepsie. Maar in aanleg is het uiterlijk normaal.

 

Psychische kenmerken: 20% is gemiddeld begaafd, de rest zwakbegaafd en voor verstandelijk beperkt (meestal niet diep). Vaak een ASS.

Wat is het Velocardiofaciaal syndroom (22q11-deletiesyndroom of Shprintzensyndroom)?

Lichamelijke kenmerken: afwijking aan gelaat (lang gezicht, vlakke uitdrukking, kleine mond, dunne bovenlip, kleine oren, grote neus), gespleten verhemelte, nasale spraak. Kleine handen.

 

Psychische kenmerken: de helft is verstandelijk beperkt (licht en matig). een kwart functioneert op zwakbegaafd niveau. Lager performaal IQ dan verbaal IQ, maar dat hoeft niet. Contact- en communicatieproblemen (PDD), aandachtsproblemen, ongeremd, impulsief gedrag, emotionele instabiliteit, gegeneraliseerde angst. Hoog totaalprobleemgedrag op CBCL. In puberteit kan psychose ontstaan.

Wat is het Sotossyndroom?

Lichamelijke kenmerken: groot schedel, breed bol voorhoofd, ogen ver uiteen, kaak is opvallend. Na puberteit is dit alles wat minder. Lang lichaam, lange armen, grote handen en voeten, neiging tot slapheid en onhandigheid.

 

Psychische kenmerken: 1/2-1/4 functioneert beneden zwakbegaafd niveau (meest matig/licht verstandelijk beperkt). Meer performaal zwak, dan verbaal. Overvraging door lichaamslengte waar ze overgevoelig voor zijn, evenals voor prikkels. Eenling. Aandachtproblemen, driftbuien, seperatieangst, angst voor verandering, obsessief of ritualistisch gedrag. Ass komt voor.

Wat is het Smith-Magenissyndroom?

Lichamelijke kenmerken: doll-like gelaat en uitdrukking, ruwe en hese stem. Vanaf puberteit vlak achterhoofd en aangezicht, brede neusbasis. Kort lichaam, korte brede handen.

 

Psychische kenmerken: Matig verstandelijk bepekrt niveau (soms ook gemiddeld begaafd, licht of ernstige verstandelijke beperking). Verbaal lijkt zwakker te zijn. Veel gedragsproblemen (lage frustratietolerantie en verhoogde prikkelbaarheid): zichzelf pijn doen (rare dingen in neus stoppen, nagels beschadigen, uittrekken), aandachtsproblemen met en zonder overactiviteit, slaapproblemen. Soms ASS, er komen autistiforme kenmerken voor: preoccupatie, steeds hetzelfde vragen, stereotiep gedrag. Veel externaliserende problemen (agressief gedrag) en ook sociale problemen.

Wat is het Rubinstein-Taybisyndroom?

Lichamelijke kenmerken: klein schedel, ogen lijken scheef te staan, neus is opvallend, kleine mond en vooruitstekende onderlip, karakteristieke glimlach vanaf kleuterleeftijd. Achtergebleven lichaamslengte, brede duimen, motorische onhandigheid.

 

Psychische kenmerken: matig (soms diep/ernstig/licht) verstandelijk beperkt. IQ wordt lager naarmate het ouder worden. Taalgebruik, sociale gerichtheid, makkelijk temperement is goed. Doorzettingsvermogen minder. Ze vertonen weinig storend gedrag. Wel aandachtsproblemen en eisen veel aandacht op. Stemmings- en obsessief-compulsieve stoornissen.

Wat is het Rettsyndroom?

Lichamelijke kenmerken: meer meisjes. verlies van de handvaardigheid, wassende handbewegingen. Achteruitgaan van coordinatie kan tot rolstoelgebruik en eetstoornissen leiden. Vaak epilepsie. Rond pubertiet stabilisatie en soms weer ontwikkeling.

 

Psychische kenmerken: eindniveau diep/ernstige verstandelijk beperking, soms matig verstandelijk beperkt. Taal/spraak, fijne/grove motoriek en contactproblemen zijn het ergst. Ook gedragsproblemen als angst/stemmingsstoornissen, zichzelfverwonden (waarschijnlijk door overprikkeling). Veel autistiforme verschijnselen: wel of geen ASS?

Wat is het Prader-Willisyndroom?

Twee subtypen: deletiesubtype (1/3) en disomiesubtype (harmonischer profiel).

Lichamelijke kenmerken: amandelvormige ogen, smal voorhoofd, achtergebleven lengtegroei, kleine handen, voeten. Vetophoping rond buik, heupen, dijen. Onhandige slappe motoriek. Willen zo weinig mogelijk bewegen.

 

Psychische kenmerken: 1/3 zwak-gemiddeld begaafd, 1/3 licht verstandelijk beperkt, 1/3 matig of lager verstandelijk beperkt. IQ is gemiddeld 40 punten lager dan gemiddeld. Geen duidelijk profiel. Sterk visueel-motorisch functioneren. Veel gedragsproblemen: eerst niet willen eten tot 3/4 jaar, op latere leeftijd heel veel willen eten. Zichzelf pijn doen/verwonden, koppigheid, driftbuien, obsessief-compulsief gedrag, veel slapen, vooral tijdens adolescentie veel problemen, daarna sterk minder psychotische verschijnselen, sociale problemen. Door vroegtijdige adequate bejegening (voorspelbaar) kunnen veel problemen voorkomen worden.