Summary Handboek psychodiagnostiek voor de hulpverlening aan kinderen

-
ISBN-10 9058980324 ISBN-13 9789058980328
1057 Flashcards & Notes
27 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Handboek psychodiagnostiek voor de hulpverlening aan kinderen". The author(s) of the book is/are Th Kievit, J A Tak J D Bosch ( ). The ISBN of the book is 9789058980328 or 9058980324. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Handboek psychodiagnostiek voor de hulpverlening aan kinderen

  • 1 theoretische achtergronden van klinische diagnostiek

  • Het onderscheid tussen alledaagse en professionele hulpverlening zit vooral in de relationele aspecten (staat er verder van af) en in theoretische en methodologische vormgeving van hulpverleningsproces. Ook wordt er andere kennis gebruikt bij professionele hulpverlening (wetenschappelijk onderbouwd).

  • De regulatieve cyclus bestaat uit een aantal fasen;

    a. probleemstelling 

    b. diagnose

    c. plan

    d. ingreep

    e. evaluatie

    Deze cyclus kenmerkt zich door het probleemoplossingsgerichte karakter. 

  • wat is het verschil tussen alledaagse hulp en professionele hulp? 

    professionele hulp onderscheidt zich van alledaagse hulp door:
    - de specifieke relatie tussen de hulpverlener en de hulpvrager

    - de specifieke vaardigheden van de hulpverlener op methodisch, diagnostisch en therapeutisch gebied

    -de aard van de kennis die daarbij gebruikt wordt. 

  • Monitoring; bij verschillende informanten (ouders, leerkrachten) voor alle relevante aspecten van de problematiek nagaan of er iets ten goede verandert en achterhalen waaraan het ligt als dit niet het geval is.

    Evaluatie; einbalans opmaken en bezien welke vervolgstappen nodig zijn.

  • wat is assesment 

    het vaststellen en meten van kenmerken van de hulpvrager en zijn situatie. dit kan in alle fasen van het proces van de diagnostiek en hulpverlenen een rol spelen: steeds wanneer  het nodig is om iets vast te stellen. In praktijk wordt het begrip meestal gebruikt om de eerste fase van het diagnostisch proces aan te duiden; de screening

     

  • Welke twee theorieën vormen samen een theorie van het individuele geval?

    De ontstaanstheorie en de behandelingstheorie.

    Ontstaanstheorie: welke problemen spelen er, wat zijn mogelijke oorzaken, hoe worden ze beïnvloedt.

    Behandelingstheorie: zorgen dat het behandelplan op inzichtelijke manier aansluit bij verklaring van problematiek.

  • Professionele hulp en alledaagse hulp verschilt door;

    a. de relatie tussen hulpverlener en hulpvrager

    b. de specifieke vaardigheden van de hulpverlener op methodisch, diagnostisch en therapeutisch gebied

    c. de aard van de kennis die daarbij gebruikt wordt

  • wat is screening

    het eerste brede, maar betrekkelijk oppervlakkige verkennen van de problematiek met het oog op het nemen van een eerste beslissing bij aanmelding en intake

  • Wat houdt screening in?

    Het eerste brede, maar oppervlakkig verkennen van de problematiek met het oog op het nemen van beslissingen bij aanmelding en intake.

  • Psychodiagnostiek voor de hulpverlening is gericht op het verwerven en verwerken van informatie met het oog op het oplossen van problemen

  • classificatie

    de unieke en individuele kenmerken onder een bepaald,  binnen het vakgebied bekend type probleem worden ondergebracht 

  • Wat houdt classificatie in?

    Het onderbrengen van de unieke, individuele kenmerken onder een bepaald, bekend type probleem.

  • De eis dat de hulpverlener reflecteert op persoonlijk, methodisch en theoretisch gebied wordt aangeduid met de term disciplinering. Deze eis gaat hand in hand met de term explicitering; de professionele hulpverlener moet zich kunnen verantwoorden op bovenstaande punten.

  • Diagnostiek

    verwijst naar het gehele proces van informatie en verwerving/verwerking ten behoeve van de hulpverlening. Het product van diagnostiek is de diagnose; deze bestaat uit:

    -een gedetailleerde beschrijving van problematiek

    -de situatie waarin deze bestaat

    -de veronderstelling over mogelijke oorzaken (onstaanstheorie)

    -de mogelijke behandelingen (behandelingstheorie)

  • Wat houdt diagnostiek in?

    Dit is het gehele proces van informatieverwerving en -verwerking tbv de hulpverlening.

  • Klinische diagnostiek; een proces van informatieverwerving- en verwerking gericht op de biopsychosociale problemen van een kind of jeugdige en zijn situatie (zoals thuis of op school) die aanleiding gaven tot aanmelding voor hulpverlening, met het doel die problemen zodanig te begrijpen dat een advies vooor hulp gegeven kan worden.

  • 3 fasen van diagnostiek

    1.    De diagnostische fase (empirisch moment)

    2.    De integratiefase

    3.    Hulpverleningsfase 

  • Wat is de definitie van klinische diagnostiek bij kinderen en jeugdigen?

    Een proces van informatieverwerving en -verwerking gericht op de biopsychosociale problemen van een kind of jeugdige en zijn situatie die aanleiding gaven tot aanmelding voor hulpverlening, met doel die problemen te begrijpen en een advies voor hulp te kunnen geven.

  • De regulatieve cyclus (van Strien).

    Probleemstelling, diagnose, plan, ingreep, evaluatie.

    Vertaald naar de praktijk van jeugdzorg, ziet cyclus er als volgt uit:

    1. Probleemherkenning.
    2. Probleemdefiniëring.
    3. Afwegen van handelingsmogelijkheden.
    4. Maken van een plan.
    5. Uitvoeren van het plan + monitoring.
    6. Evauleren van effecten.
  • Theoretische en methodische discipline is het verschil tussen een professionele hulpverlener en een random persoon.

  • Wat is klinische diagnostiek?

    Het is een proces van informatieverwerving en verwerking, gericht op de biopsychosociale problemen van een kind en zijn situatie die aanleiding gaven tot aanmelding voor hulpverlening, met het doel de problemen zodanig te begrijpen dat een advies voor hulp gegeven kan worden

  • De empirische cyclus (de Groot).

    Gericht op het betrouwbaar en valide verweven en verwerken van informatie.

    1. Observatie
    2. Inductie
    3. Deductie
    4. Toetsing
    5. Evaluatie
  • Empirische cyclus; de op dat moment relevant geachte aspecten wetenschappe;ijk betrouwbaar en valide te onderzoeken. Om dit te doen moeten er een aantal fasen nagelopen worden;

    1. observatie --> om gegevens te verzamelen en te groeperen

    2. inductie --> het formleren van hypothesen op basis van de waarnemingen

    3. deductie --> het afleiden van toetsbare voorspellingen uit die hypothesen

    4. toetsing --> het nagaan of de voorspellingen uitkomen door nieuwe gegevens te verzamelen

    5. evaluatie --> het verbinden van de uitkomsten van het onderzoek aan de hypothesen; kunnen zij de toetsing doorstaan of worden ze verworpen

  • Wat is het verschil tussen de regulatieve cyclus en de empirische cyclus?

    Ze hebben een andere functie.

    Regulatieve cyclus: model om het proces van veranderingen en genomen beslissingen kritisch te volgen.

    Empirische cyclus: model om te onderzoeken welke hypothese aanvaard kan worden.

     

    Door sommige auteurs worden bovenstaande cycli samengevoegd, maar dit stuit op diverse problemen (zie p. 22).

    Auteurs van dit boek zien regulatieve cyclus als overkoepelende methode, waarbinnen de empirische cyclus ook zeker niet mag ontbreken. De empirische cyclus zelf is echter niet voldoende.

  • Volgens van Strien moet er op twee momenten een 'theoretische pauze' ingelast worden; als bestaanstheorie geformuleerd wordt en als behandelingstheorie geformuleerd wordt. Dit noemt hij ook wel theoretische disciplinering.

     

  • Tussen welke twee soorten kennis wordt onderscheid gemaakt?

    Tussen formele en praktische kennis. Formele kennis is door wetenschappelijk onderzoek geproduceerd, praktische kennis is de eigen ervaring van de diagnosticus.

  • De DSM-IV.

    Verschijnen van DSM-1 was mijlpaal in ontwikkeling van classificatiesystemen, hierin werden echter nog geen kinder- en jeugdstoornissen opgenomen. De DSM-IV bestaat uit vijf assen:

    1. Klinische stoornissen.
    2. Persoonlijkheidsstoornissen e zwakzinnigheid.
    3. Somatische aandoeningen.
    4. Psychosociale en omgevingsproblemen.
    5. Algehele beoordeling van functioneren.

    De ICD.

    International Classification of Diseases.

    Oorspronkelijk om doodsoorzaken vast te kunnen stellen, psychische stoornissen vormden maar klein onderdeel.

     

    Beide systemen zijn niet erg betrouwbaar, bij hoofdcategorieën gaat het nog wel maar bij subcategorieën daalt betrouwbaarheid snel. Bijkomend probleem is dat stoornissen bij kinderen gediagnosticeerd moeten worden aan de hand van kenmerken bij volwassenen; maar vertonen kinderen en volwassenen wel dezelfde kenmerken bij een stoornis? Ook de hoge comorbiditeit van veel stoornissen vormt een probleem; is er echt sprake van comorbiditeit of is de classificatie onvoldoende?

  • Orthopedagogiek is de wetenschap van het beschrijven, verklaren én veranderen van de stagnerende leer- en/of opvoedingssituatie van kinderen en jeugdigen. Het draait niet alleen om het 'afwijkende' kind, maar ook om zijn omgeving en de relatie tussen kind en omgeving.

    Heeft een concreet en een abstract niveau: de dagelijkse praktijk vs. de vorming van begrippen etc.

    Observatie is het meest gebruikte diagnostisch instrument. Orthopedagogiek is sterk gericht op classificatie: past de omgeving bij het kind, past schoolomgeving bij thuisomgeving.

  • Wat zijn de kenmerken van het psychodynamische model?

    • Gericht op intrapsychische ontwikkeling.
    • Freud: id, ego en superego.
    • Fixatie (stagnatie in periode) en regressie (terugval).
    • Onderzoeksmethoden: anamnese projectieve technieken, observatie, interview ouders.
  • Wat zijn de kenmerken van het gedragstherapeutische model?

    • Probleemgedrag bestaat omdat het bekrachtigd wordt.
    • Essentieel is de functieanalyse: beschrijving van probleemgedrag en welke factoren dit gedrag uitlokken en/of in stand houden.

    Zie evt. aantekeningen vak Behandeling.

  • De diverse theorieën bestaan naast elkaar en kunnen naast elkaar gebruikt worden. Een diagnosticus kan zelden slechts één theorie gebruiken om probleemgedrag te verklaren. Belangrijk om bewust te zijn van eigen blinde vlekken als diagnosticus, maar tegelijkertijd de eigen krachten volledig te benutten. Daarnaast moet een theorie ook bruikbaar zijn om een behandeling op te baseren: soms is een theorie wel geschikt om te verklaren, maar wordt de behandeling op een andere theorie gebaseerd.

  • Bij het in beeld brengen van de problematiek is deze informatie erg belangrijk:

    1. Risicofactoren.
    2. Protectieve factoren.
    3. Beleving van kind/ouders/anderen van problematiek.
    4. Ontwikkelingsniveau en verloop ontwikkeling.
    5. Gezinsfunctioneren.
    6. Aanwezigheid symptomen/syndromen bij gezinsleden.
    7. Hulpverlening: wat is al geweest, wat verwacht men en wat wil men niet.
  • De afweging wat 'normaal' is speelt belangrijke rol bij diagnostiek. Diagnosticus kan bv. andere mening over normaliteit hebben dan hulpvrager. Welke 4 opvattingen m.b.t. normaliteit worden onderscheiden?

    1. Afwezigheid van stoornissen.
    2. Statistisch gegeven.
    3. Ideale/gewenste toestand.
    4. Succesvolle adaptatie (= wisselwerking tussen individu en omgeving).
  • Welke twee soorten criteria van normaliteit worden onderscheiden?

    1. Kwantitatieve criteria.
      Betrekking op: frequentie, duur, intensiteit en omvang van probleem gedrag.
    2. Kwalitatieve criteria.
      Betrekking op: aanwezigheid van lijden, belemmeringen in adaptief functioneren (biopsychische sfeer, psychisch en sociaal functioneren), aanwezigheid van klinische syndromen.

    Deze twee soorten criteria worden naast elkaar gehanteerd.

  • Waar staat klinisch pluralisme voor?

    Het feit dat een diagnosticus put uit een grote hoeveelheid geldende wetenschappelijke theorieën en een grote hoeveelheid ervaringen. De diagnosticus is niet gebonden aan één model.

Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Hoe wordt het cognitieve profiel van kinderen met autisme verklaard?
Door de hypothese van centrale coherentie: deze kinderen zouden zwak presteren als er bij het probleemoplossen vooral vanuit een context, een samenhang moet worden geredeneerd.
Wat is een kernprobleem bij kinderen met autisme?
Tekort aan sociale cognitie
Door middel van welke aspecten kan emotionele intelligentie worden beschreven?
  • Kennis van de eigen emoties
  • Reguleren van eigen emoties
  • Zelfmotivatie
  • Onderkennen van de emoties van anderen. 
  • Vaardigheid om met de emoties va een ander om te gaan
Wat houdt het model van Anderson in?
Verschillen tussen kinderen worden vooral bepaald door een verschil in capaciteit van de informatieverwerking. Intelligentieverschillen zijn na een bepaalde leeftijd stabiel. 
Wat was een belangrijke ontwikkeling en uitbreiding binnen het intelligentieonderzoek?
De drievoudige intelligentietheorie van Sternberg: componential subtheory, experiential subtheorie en contexual subtheorie. 
Waarop is de K-ABC gebaseerd?
Op de PASS theroie van Das en Naglierie: Planning, Attention, Sequential processing en Simultaneous processing
Van welke drie dimensies gaat Guilford uit?
  • Operations
  • Contents
  • Products
Uit welke subtests bestaan de NIO
  1. Synoniemen
  2. Analogieën
  3. Categorieën
  4. Getallen
  5. Rekenen
  6. Uitslagen
Doelgroep NIO
groep 8, oudste groep special onderwijs, 1e - 3e VO
Waarvoor is de NIO ontwikkeld?
Om keuzes te maken m.b.t. trajecten in het VO