Summary Het Nederlandse recht

-
ISBN-13 9789077970188
121 Flashcards & Notes
3 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Het Nederlandse recht". The author(s) of the book is/are Fokke Fernhout. The ISBN of the book is 9789077970188. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

Summary - Het Nederlandse recht

  • 1 Recht begrijpen

  • 2. Recht en regels

    Recht bestaat uit een geheel van rechtsregels. De regel is de belangrijkste vorm van het recht. Recht wil sturend werken (door het gedrag van mensen te beinvloeden of door de zeggenschap over goederen tussen hen te verdelen) en dan is een regel de handigste manier om dat te bereiken.

    Bevelen zijn minder praktisch. Bevelen kunnen maar een keer worden gebruikt en dan zijn ze op; het zijn de wegwerpartikelen van het recht.


    Ander aspect aan regels: regels maken het leven voorspelbaar. Als de regel duidelijk is en wordt gehandhaafd, dan weten we precies wat er gaat gebeuren als aan de voorwaarden is voldaan. Wij vinden dat iedereen er aanspraak op kan maken dat het leven deze voorspelbaarheid heeft. Dat wordt rechtszekerheid genoemd.

  • 3. Materiele en formele regels

    Het onderscheid is erg nuttig als het gaat om een eerste onderscheiding tussen soorten regels.

    Regels die gaan over inhoud (de wat-regels) noemen we 'materieel'. Regels die gaan over de procedure (de hoe-regels) noemen we 'formeel'.


    Een regel die zou bepalen hoe de huurder de verhuurder bij de rechter kan dwingen het einde van de huurovereenkomst te respecteren, zou een formele regel zijn. Omdat het in dat geval gaat om een procedure bij de rechter wordt een dergelijke formele regel een procesrechtelijke regel genoemd. Het procesrecht is een onderdeel van het formele recht.


    Materiele regels zijn geliefd bij publiek van de fora, blogs, websites en tweets. Zij wisselen over de strafmaat die aan strafbare feiten verbonden moet worden of over wat strafbaar moet worden gesteld. Dat zijn vragen die liggen op het vierlandenpunt tussen recht, politiek, moraal en ethiek. Ook juristen doen hier aan mee, zij noemen zichzelf processualist. Zij bewaken de formele regels, de procedures, en zijn ervan overtuigd dat als de procedures fair zijn en worden nageleefd, het materiele recht ook aan die eisen zal voldoen.


    Er zijn ook neutralen, die het recht beschrijven zoals het is en daarin zo objectief mogelijk te werk proberen te gaan. Neutralen noemen zich wel eens 'positivisten'. Dit houdt verband met de term 'het positieve recht'. Met het positieve recht wordt het geldende recht bedoeld. De positivisten kunnen best kritiek op het recht hebben, maar die kritiek wordt altijd geleverd vanuit het perspectief van het recht zelf. De kritiek is intern-systematisch, en niet extern-dogmatisch. Ofwel: hun kritiek is formeel, niet materieel.

  • 4. De afspraken over de regels die rechtsregels zijn (rechtsbronnen)

    Rechtsbronnen zijn de 'plaatsen' waar rechtsregels gevonden kunnen worden. Dat zijn dus regels die gelden, de regels waaraan degenen tot wie de regels zich richten, zich moeten houden en de regels die gevolgen hebben als aan de voorwaarden is voldaan.



    Rechtsbronnen zijn:

    • regels van wetgevers
    • internationale verdragen
    • rechterlijke uitspraken
    • de gewoonte
    • het ongeschreven recht
  • 4.1 Wetgevers

    De eerste afspraak is dat er wetgevers (regelgevers) zijn die de bevoegdheid hebben om rechtsregels te maken. De producten van die wetgevers worden wetten genoemd.

    Conflicten tussen regels kunnen worden voorkomen door exclusieve bevoegdheden toe te kennen aan bepaalde regelgevers, zodat de ene regelgever zich niet mag begeven op het terrein van de andere regelgever.


    Met de term 'wet in formele zin' (en ook wel: de formele wet) wordt geduid op regels met een bijzondere status. Er wordt gedoeld op de regelgevingsproducten van een regelgever, aan wie het hoogste gezag binnen een rechtsstelsel moet worden toegekend. In NL zijn dat de regering en de Staten-Generaal, die gezamenlijk de bevoegdheid hebben algemeen verbindende voorschriften in de vorm van wetten (in formele zin) vast te stellen (art. 81 Gw). Die producten van regelgeving zijn de Nederlandse wetten in formele zin; regering en Staten-Generaal worden samen 'de formele wetgever' genoemd. Die wetten in formele zin nemen een centrale plaats in het Nederlandse rechtsstelsel. Zij kunnen bv. afwijken van de Grondwet zonder dat daar iets tegen te doen valt en alles wat met de wet in formele zin in strijd is, is onverbindend.


    • Wet in formele zin kan worden verklaard doordat het de gevolgde procedure is die bepaalt of het product van de regelgever een wet in formele zin is. In NL zijn alleen de wetten die tot stand komen in samenwerking tussen regering en parlement wetten in formele zin.

    Met de term 'wet in materiele zin' wordt bedoeld dat een regeling naar haar inhoud een 'wet' is, namelijk een algemeen verbindend voorschrift. Wetten in materiele zin zijn dus alle regelgevingsproducten, die avv bevatten. Iets wat zich slechts tot een bepaalde persoon of tot bepaalde personen richt, is dus geen wet in materiele zin. Een algemene regel, zoals de regel mbt het eindigen van een huurovereenkomst, is dat duidelijk wel. De meeste wetten in formele zin zijn daarmee ook wetten in materiele zin, maar omgekeerd geldt dit niet.


    • Een verordening van een minister zal doorgaans een wet in materiele zin zijn, maar omdat die verordening niet afkomstig is van de formele wetgever, is er geen sprake van een wet in formele zin.

    Binnen de EU zijn er verschillende regelgevers die dmv verordeningen en richtlijnen regels stellen die niet alleen gelding hebben binnen de Nederlandse rechtsorde, maar zelfs voorrang hebben op Nederlands recht. Het gaat voor het merendeel dan om supranationaal recht van supranationale organen. Daarmee wordt bedoeld dat de beslissingen van die organen en dat recht gelding hebben, zelfs zonder dat het eigen rechtsstelsel met die specifieke beslissingen of die specifieke rechtsregels heeft ingestemd.
  • 4.2 Verdragen

    Afspraken tussen staten worden (internationale) verdragen genoemd en in het verleden ook wel 'traktaten'. Het Nederlandse rechtstelsel erkent een deel van regels als rechtsregels, waarmee verdragen de tweede rechtsbron vormen. Art. 93 Gw: Bepalingen van verdragen (...) die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.


    We moeten dus kijken naar de inhoud van de bepalingen van zo'n verdrag (materieel criterium) en die inhoud moet zodanig zijn, dat die bepalingen eenieder kunnen verbinden. Dat moet gelezen worden als: een inhoud waaraan eenieder rechten kan ontlenen.


    Er staan ook bepalingen in verdragen die niet naar haar inhoud eenieder kunnen verbinden. Dat zijn de bepalingen die alleen maar de staten zelf binden. Als NL een verdrag sluit met Belgie waarin NL zich verplicht om de Schelde uit te graven, dan is de Nederlandse staat daardoor gebonden, maar burgers kunnen er geen rechten aan ontlenen. Een dergelijke bepalingen behoort dan niet tot de rechtsregels van het Nederlandse rechtsstelsel waarop door burgers een beroep kan worden gedaan.


    Die doorwerking van bepalingen uit verdragen wordt 'rechtstreekse werking' genoemd. Of een bepaling rechtstreekse werking heeft, kan afhangen van de formulering, maar ook van de bedoeling van de verdragsluitende staten en van de strekking van de regeling of het hele verdrag.

  • 4.3 Rechterlijke uitspraken (jurisprudentie)

    Een rechtsstelsel voorziet in een systeem van geschillenbeslechting. Dat systeem noemen we rechtspraak wanneer een van partijen onafhankelijke derde een beslissing kan nemen die binnen het rechtstelsel als bindend wordt erkend.


    Dat jurisprudentie hier wordt gepresenteerd als rechtsbron, sluit volledig aan bij de dagelijkse praktijk van het recht. Advocaten, rechters, officieren van justitie, notarissen en wetenschappers beroepen zich voor hun stellingen en uitspraken allemaal op beslissingen van rechters, naast of soms zelfs los van de wet.

  • 4.4 Gewoonte

    Voor een regel van gewoonterecht is een bepaalde, constante gedragslijn nodig (in de Middeleeuwen heette dat: de usus, het gebruik) en dat die gedragslijn wordt gevolgd omdat men vindt dat er een verplichting toe bestaat (in de Middeleeuwen: de opinio iuris, de rechtsovertuiging).


    Er zijn rechtsstelsels waarin het gewoonterecht een belangrijke rol speelt. Dat is niet alleen het geval in samenlevingen waarin de traditie sterk verankerd is, maar geldt ook voor het internationale recht, dus in het rechtsverkeer tussen staten. In het Nederlandse rechtsstelsel krijgt de gewoonte in beginsel slechts ruimte wanneer andere regels die ruimte geven.


    Regels van gewoonterecht hebben met de volgende rechtsbron gemeen dat zij ongeschreven zijn, zodat er geen bezwaar tegen is om de gewoonte te zien als species (bijzonder geval) van het genus (algemeen geval) ongeschreven recht.

  • 4.5 Regels van ongeschreven recht

    Er zijn rechtsregels die niet in geschreven bronnen te vinden zijn. Bij de gewoonte is dat in zekere zin al het geval, maar het gewoonterecht kan in ieder geval nog worden vastgesteld door naar bestendige gedragslijnen te kijken. Met regels van ongeschreven recht ligt dat veel moeilijker, want die regels zullen moeten worden afgeleid uit "wat men vindt" dat de regels inhouden. Bv.: de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, de in het verkeer geldende opvattingen of hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.


    Bij de vaststelling van wat volgens ongeschreven recht geldt, moet worden aangesloten bij wat in de samenleving aan opvattingen te vinden is. Die opvattingen staan nooit los van wat er aan geschreven recht en rechtspraak al te vinden is, want daarin wordt wat correct gevonden wordt, juist weerspiegeld.

  • 4.6 Waar het recht niet te vinden is

    Tot rechtsbronnen kunnen niet worden gerekend de teksten die over het recht zijn en worden geschreven. Dit zijn secundaire bronnen en vormen daarmee een voortreffelijke aanvulling op de primaire bronnen. De primaire bronnen blijven bepalend en zijn nu eenmaal de afspraken.


    De juridische literatuur kan wel een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de rechtsregels. Een onbeantwoorde vraag van uitleg van een wettelijke bepaling kan een bepaalde beantwoording krijgen door een aantal gezaghebbende auteurs. Men zegt dan wel dat "volgens de doctrine" die vraag zus en zo moet worden beantwoord. Wanneer de visie van de doctrine wordt overgenomen, is er een rechtsregel ontstaan vanuit de literatuur. De literatuur is daarmee zelf echter nog geen rechtsbron geworden.

  • 4.7 Regelconflicten

    Hoe regelconflicten worden opgelost hangt af van het rechtsstelsel.


    4.7.1 Rangorde van bronnen

    Er worden hier twee in de Westerse wereld dominante rechtsstelsel naast elkaar gezet: de common law en de civil law.


    Common Law

    Met name de Angelsaksische landen hebben een rechtsstelsel dat met de term common law wordt aangeduid. Dit type recht kan worden gevonden in de VS en in alle landen die tot het Britse Gemenebest behoorden, maar ook in een land als Zuid-Afrika en Hong Kong. De grondgedachte van deze rechtsstelsels is sterk natuurrechtelijk. Die houdt in dat er recht is dat gedeeld wordt door (common is to) de gehele mensheid, welk recht alleen maar hoeft te worden opgespoord. Daarvoor zijn rechters het geschiktst.


    Daaruit volgt dat in common law-landen de primaire rechtsbron de rechtspraak is. De rechters zijn belast met de taak uit te spreken hoe de rechtsregels luiden en wie die regels wil kennen, zal dus te rade moeten gaan bij rechterlijke uitspraken. Dat kunnen rechterlijke uitspraken van eeuwen geleden zijn, want als het recht eenmaal is gevonden, dan kan het niet meer veranderen. Dat verklaart ook waarom de rechters in common law-landen verplicht zijn om eerdere rechterlijke uitspraken te respecteren en de regels daaruit toe te passen (stare decisis, bij besluiten blijven). De eerdere rechterlijke uitspraken, de precedenten (body of precedent), schrijven de rechter dus voor hoe hij in een nieuwe zaak moet beslissen. Wanneer de oude regel tot een ongewenst resultaat leidt, dan mag er alleen een nieuwe regel worden geformuleerd wanneer de nieuwe casus op essentiele punten afwijkt van de oude casus. De kunst om die verschillen op te sporen wordt de art of distinguishing genoemd (de kunst van het onderscheiden).

  • Civil Law

    In civil law-landen staat de codificatiegedachte voorop. Die gedachte houdt in dat het recht uitputtend moet worden vastgelegd in wetboeken. De burger moet niet in onzekerheid verkeren over de inhoud van het recht, want alle rechtsregels over een zelfde onderwerp moeten op een ordelijke en systematische manier bij elkaar worden gebracht.


    In de benadering van de civil law-landen staat de wet voorop en komt de rechtspraak eerst later. Rechtspraak is dan niet meer van toepassing en uitleg van de wet, waarbij de wet steeds het laatste woord heeft. Voor de rechtspraak is er ook geen eigen domein waar de rechters lekker hun gang kunnen gaan.


    NL is een civil law-land, want in NL geldt het primaat van de wet. Andere overwegingen dan de codificatiegedachte zorgen ervoor dat wetgeving, en dan met name de wetten in formele zin, de primaire bron van recht zijn.


    Wat betreft het internationale recht en de beslissingen van internationale organisaties moet nog worden gewezen op art. 94 Gw. Die bepaling gaat over de hiearchische verhouding tussen het nationale, Nederlandse recht en het internationale recht (volkenrecht). Hiervoor kwam al ter sprake dat bepalingen in internationale verdragen (en besluiten van volkenrechtelijke organisaties), die naar haar inhoud eenieder kunnen verbinden, deel uitmaken van de Nederlandse rechtsorde. Art. 94 Gw regelt vervolgens hoe een conflict met het Nederlandse recht moet worden benaderd. Die benadering is radicaal: het internationale recht gaat voor. Dat betekent dat zelfs de Grondwet en formele wetten niet kunnen worden toegepast voor zover deze regelingen in strijd komen met de internationale regels van art. 93 Gw.

  • 4.7.2 Rangorde binnen de bronnen

    Tussen regelgevers bestaat in NL een zekere hiearchie. Die brengt met zich dat onder omstandigheden bij een regelconflict de hogere regelgever voorgaat. De regeling van de lagere regelgever is dan onverbindend. Dat betekent dat die regeling geen gelding heeft, niet tot het geldende recht behoort. Daardoor kan het in strafzaken gunstig zijn om een beroep te doen op de onverbindendheid van de regeling op grond waarvan wordt vervolgd. Als die regel onverbindend is, kan geen straf worden opgelegd.


    Er zijn een paar regels die de grondtrekken van de hierarchie goed in beeld brengen. In de eerste plaats is dat het hiervoor genoemde art. 94 Gw, dat aangeeft dat internationale regels (die voldoen aan de criteria van art. 93 Gw) voorgaan. Nederlands recht dat daarmee in strijd is, moet buiten toepassing blijven. Dat geldt zelfs voor wetten in formele zin en ook voor de Grondwet.


    Voor het overige zijn wetten in formele zin onaantastbaar. Zij mogen immers wel worden getoetst aan internationale verdragen, maar niet aan de Grondwet (art. 120 Gw).


    Omgekeerd mag lagere regelgeving niet in strijd komen met de formele wet. Dit volgt uit het systeem als geheel.


    Ook bij rechtspraak is sprake van een rangorde. Hoe hoger de rechter, hoe meer gezag de uitspraak heeft. Uitspraken van de rechtbank tellen minder zwaar dan die van het hof , waarvan de beslissingen het weer moeten afleggen tegen die van de HR.

  • 4.7.3 Rangorde tussen regels
    Tussen rechtsregels kan er snel een conflict ontstaan. Veel van die regelconflicten zijn door de wetgever al voorzien. De wetgever geeft dan zelf aan welke regel voorgaat. Het is een kwestie van goed de wet lezen om te kunnen vaststellen welke regel voorrang heeft. Bv. "onverminderd" art. 5:22 BW.

    Mocht de wetgever het conflict niet hebben voorzien, dan kan soms worden teruggevallen op een aantal algemene vuistregels:
    • Lex superior derogat lege inferiori: de hogere regel gaat voor de lagere. Voor zover de regel in de wet is terug te vinden, is het een harde regel.
    • Lex posterior derogat lege anteriori: de nieuwere regel gaat voor de oudere. Om problemen te voorkomen bevatten de meeste wetten overgangsbepalingen waaraan precies kan worden afgelezen in welke gevallen de oude en in welke gevallen de nieuwe wet moet worden toegepast. Vaak wordt dat zo geregeld, dat verkregen rechten worden gerespecteerd. De nieuwere wet gaat dan dus niet voor, bv. art. 1 lid 2 Sr.
    • Lex specialis derogat lege generali: de bijzondere wet gaat voor de algemene.
  • 5. Termen en begrippen


    5.1 Rechtssubjecten

    Een rechtssubject is een drager van rechten en plichten. Voor rechtssubjecten geldt dus dat zij kunnen profiteren van rechtsregels (in welk geval zij daaraan rechten ontlenen), maar voor hen geldt ook dat zij tegelijkertijd door rechtsregels verplichtingen krijgen opgelegd.


    Rechtssubjecten worden verdeeld in twee categorieen, namelijk de natuurlijke personen en de rechtspersonen.


    De natuurlijke personen zijn mensen van vlees en bloed, ongeacht hun feitelijke dispositie. Het recht maakt daarin geen onderscheid (art. 1:1 BW). Het zijn van natuurlijke persoon kan een mens door het recht niet worden ontnomen. De enige eis die wordt gesteld, is dat iemand bestaat, wat overigens niet wegneemt dat de wet ook rechten kan toekennen aan een persoon zelfs voordat hij bestaat (art. 1:2 BW).


    De rechtspersonen zijn organisatorische verbanden waarvan een regeling bepaalt dat aan dat verband rechtspersoonlijkheid toekomt. Als er zo'n bepaling is, betekent dat dus dat dat organisatorische verband drager wordt van rechten en plichten. Volledige gelijkstelling met natuurlijke personen is niet mogelijk (rechtspersonen zullen bv. niet op de een of andere manier een gevangenisstraf kunnen ondergaan), maar alle rechten en plichten die zich daarvoor lenen komen ook aan rechtspersonen toe (art. 2:5 BW).


    Wat rechtssubjecten aan het recht ontlenen worden wel subjectieve rechten genoemd. Een eigenaar heeft bv. het recht om zijn zaken van een ieder op te eisen (art. 5:2 BW). Dat is dus een subjectief recht.

    Het geldende recht, waaraan het subjectieve recht wordt ontleend, wordt dan aangeduid als het objectieve recht. Een van de regels van het objectieve recht is dus art. 5:2 BW.



    Door de toevoeging subjectief en objectief kan het woord 'recht' worden gedesambigueerd (eenduidig maken). Het woord 'recht' kan immers gebruikt worden in de betekenis van een subjectief recht ("De verkoper heeft recht op de koopprijs") en in de betekenis van het objectieve recht ("Iedereen wordt geacht het recht te kennen").


    Nuttig opstapje dat het Engels voor het woord "recht" twee vertalingen kent, namelijk "right" als een subjectief recht wordt bedoeld en "law" als het om het objectieve recht gaat.

  • 5.2 Rechtsgevolgen en rechtshandelingen

    Rechtsregels hebben een 'als...dan...'-structuur. Wanneer aan de als-voorwaarden is voldaan, dan treedt het dan-gevolg in. Er is wel een verschil in het dan-gedeelte. Bij gewone regels bevat het dan-gedeelte een feitelijk gevolg, bij rechtsregels gaat het om een rechtsgevolg.


    Een rechtsgevolg verandert, direct of indirect (onmiddellijk of middellijk), iets in de wereld van het recht. Omdat de wereld van het recht bestaat uit subjectieve rechten, plichten en bevoegdheden, betekent het intreden van een rechtsgevolg dus dat er een of meer subjectieve rechten, plichten of bevoegdheden bij komen of komen te vervallen.


    Een feit waaraan het recht een rechtsgevolg verbindt, wordt een rechtsfeit genoemd. Het bereiken van de 16-jarige leeftijd is bv. een rechtsfeit, omdat alleen daardoor de betrokkene de bevoegdheid krijgt om een geldig testament te maken.


    Het zelf rechtsgevolgen in het leven roepen vindt plaats dmv wat een rechtshandeling wordt genoemd. Een rechtshandeling is een handeling waaraan het recht het door de betrokkene of betrokkenen beoogde rechtsgevolg verbindt, omdat de betrokkene of betrokkenen dat gevolg ook op het oog hadden.

  • 5.3 Verbintenissen

    Door een verbintenis wordt iemand verbonden tot een bepaalde prestatie. Het is gebruikelijk om de inhoud van de prestatie te betitelen als een geven, een doen of een nalaten.

    De crediteur heeft een aanspraak op een prestatie, de debiteur moet alleen maar presteren. Het is de crediteur die een vorderingsrecht heeft en het hangt daarom van de crediteur af of de debiteur wordt aangesproken op het leveren van de prestatie. Als de crediteur het erbij laat zitten, hoeft de debiteur niets te doen (of te geven of na te laten). Daarom wordt gezegd dat de crediteur aan de actieve zijde van de verbintenis staat en de debiteur aan de passieve. De woorden 'actief' en 'passief' hebben dus niet betrekking op wie iets moet doen, maar op wie iets kan claimen.


    Er zijn twee bronnen van verbintenissen, de wet (in materiele zin) en de rechtshandeling.

  • 5.4 Vernietigbaarheid, nietigheid, ontbinding en onverbindendheid

    Vernietigbaarheid heeft betrekking op rechtshandelingen. Dat kunnen overeenkomsten zijn, maar ook beslissingen van de overheid of vonnissen van een rechter. Het recht geeft aan in welke gevallen die rechtshandelingen vernietigbaar zijn. Wanneer een rechtshandeling wordt vernietigd, betekent dat dat die rechtshandeling voor het recht nooit bestaan heeft. De vernietiging heeft dus terugwerkende kracht, tenzij de wet in een bijzonder geval anders bepaalt.


    Als een rechtshandeling nietig is, is het er nog erger mee gesteld dan bij vernietigbaarheid. Een nietige rechtshandeling heeft in het geheel nooit bestaan, ook niet tijdelijk. Dat is een ingrijpend gevolg, want het lijkt immers of er wel een rechtshandeling is geweest. Nietigheid wordt vooral gebruikt als wie door de rechtshandeling benadeeld wordt, zonder enige twijfel moet worden beschermd of wanneer zonder enige twijfel de openbare orde in het geding is.


    We kennen ook nog ontbinding om van rechtsgevolgen af te komen. Ontbinding is alleen mogelijk bij overeenkomsten. Uiteraard zijn daar voorwaarden aan verbonden. Ontbinding houdt in dat de ovk ophoudt te gelden en dat wat al ter uitvoering van de ovk is gepresteerd, ongedaan moet worden gemaakt.


    Wanneer het gaat over regelgeving die in strijd komt met een hogere regeling, grijpt het recht ook in. Dan zijn de termen 'vernietigbaarheid' en 'nietigheid' niet bruikbaar en wordt gesproken van 'onverbindendheid'. Ook onverbindendheid heeft terugwerkende kracht en kan dus ingrijpende gevolgen hebben voor wat er in het verleden al is gebeurd.

  • 5.5 Recht en tijd

    Tijd speelt een belangrijke rol in het recht. Door tijdsverloop kunnen rechten en plichten ontstaan en teniet gaan. Dat geldt voor procedures, of wanneer iets voor een bepaald tijdstip moet gebeuren. Een dergelijk tijdsverloop wordt een 'termijn' genoemd. Termijnen zijn erg belangrijk, want wie te lang wacht met iets te doen, kan rechten verspelen, en wie niet op het verstrijken van een termijn wacht, zou rechten kunnen claimen die hij nog niet heeft.


    Er zijn twee typen termijnen, namelijk verjaringstermijnen en vervaltermijnen. Het verschil tussen beide typen termijnen is groot, zodat het steeds van het grootse belang is bij iedere termijn te proberen vast te stellen om welk type termijn het gaat. De verschillen zijn:

    • Op verjaringstermijnen moet door de partij die daarbij belang heeft, een beroep worden gedaan. Gebeurt dat niet, dan wordt met de verjaring geen rekening gehouden. Vervaltermijnen zijn daarentegen van openbare orde en moeten door de rechter ambtshalve worden toegepast.
    • Verjaringstermijnen kunnen worden gestuit; bij vervaltermijnen kan dat niet. Bij verjaringstermijnen kan degene tegen wie de termijn loopt een zgn. stuitingshandeling verrichten. Door stuiting stopt het verder verstrijken van de termijn en begint de termijn weer opnieuw te lopen.
  • 6. Indelingen van het recht


    Het publiekrechtelijke strafrecht kent een materieel deel (waarin wordt bepaald wat strafbaar is en welke straffen kunnen worden opgelegd) en een formeel deel (waarin de strafrechtelijke procedure wordt geregeld). Strafrecht kan zijn geregeld in een wet in formele zin, maar ook in wetten in materiele zin die geen formele wet zijn, zoals gemeentelijke en provinciale verordeningen. Ten slotte is er nationaal strafrecht, dat alleen voor NL geldt, en internationaal strafrecht. Dat kan bv. zijn vastgelegd in verdragen mbt de overlevering van verdachten waarbij NL partij is (formeel), maar ook internationale strafbaarstellingen bevatten (zoals in het Genocideverdrag, materieel recht) waaraan een internationale berechting is gekoppeld.


    Voor veel onderdelen van het recht geldt dat zij niet netjes in een bepaald hokje zijn te vangen. Ten aanzien daarvan wordt gesproken van functionele rechtsgebieden.

Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.