Summary Hoofdlijnen ruimtelijk bestuursrecht

-
ISBN-10 9013073980 ISBN-13 9789013073980
337 Flashcards & Notes
15 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Hoofdlijnen ruimtelijk bestuursrecht". The author(s) of the book is/are P J J van Buuren. The ISBN of the book is 9789013073980 or 9013073980. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Hoofdlijnen ruimtelijk bestuursrecht

  • 1.1 Ruimtelijk bestuursrecht en het recht van de ruimtelijke ordening

  • Begrippen recht van ruimtelijke ordening en ruimtelijk bestuursrecht hebben geen vaste of algemeen erkende inhoud. Voor groot deel overlappen zij elkaar. Tot recht van ruimtelijke ordening rekenen wij dat deel van het recht dat de overheid het juridische kader en instrumentarium biedt voor het beleid inzake de ruimtelijke ordening alsmede de regels omtrent het gebruik van die instrumenten. Zulke regels dienen enerzijds tot waarborging van goede taakuitoefening en anderzijds tot bescherming van de belangen van burgers (grondgebruikers).

  • Tot het recht van ruimtelijke ordening behoren in ieder geval de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening (Bro), grote delen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), delen van Woningwet en deel van Onteigeningswet en Tracéwet.

  • Het regelen van het gebruik van grond vindt ten dele plaats door middel van voorschriften in bestemmingsplannen. Daarnaast maakt overheid gebruik van andere wetten of verordenende bevoegdheden (bijv. Wet milieubeheer, woonschepenverordeningen).

  • Essentieel voor de overheidsactiviteit ruimtelijke ordening is dat bij de toekenning van gebruiksfuncties aan de schaarse en per definitie beperkte ruimte, een afweging moet plaatsvinden van alle, bij de situering van die functies betrokken belangen. Dit onderscheidt ruimtelijk beleid van bijv. economisch beleid. Economische beleid zal veelal ook ruimtelijk relevant beleid zijn, maar kan zich in beginsel beperken tot economische gezichtspunten. In ruimtelijk ordeningsbeleid moet alle afzonderlijke. veelal onderling tegenstrijdige belangen en daarop gerichte ruimtelijke claims tegen elkaar worden afgewogen en zo goed mogelijk onderling worden gecoördineerd.

  • Meeromvattend begrip is ruimtelijk bestuursrecht. Behalve reeds genoemde wetten rekenen wij daartoe (delen van) Natuurbeschermingswet 1998, Monumentenwet 1988, Ontgrondingswet en delen van milieuwetgeving. Tussen ruimtelijk bestuursrecht en algemeen bestuursrecht valt geen scherpe scheidslijn te trekken. Sommige onderdelen van algemeen bestuursrecht hebben grote betekenis voor ruimtelijk bestuursrecht. Bijv: uniforme openbare voorbereidingsprocedure van art. 3.4 Awb, rechtsfiguren bestuursdwang en dwangsom, belanghebbendenbegrip en besluitbegrip.

  • 1.2 Karakteristieken van het ruimtelijk bestuursrecht

  • In ruimtelijk bestuursrecht is ook onderscheid tussen sector- en facetplanning van belang. Afzonderlijke onderdelen van overheidszorg noemt men sectoren (vervoer, volkshuisvesting, industriebeleid, natuurbehoud, landbouw en gevangeniswezen).  Voor zulke beleidstereinen maakt overheid sectorale plannen. Bij vrijwel alle sectoren speelt het facet ruimtelijke ordening een rol. Beleid van ruimtelijke ordening wordt daarom facetplanning genoemd.

  • Wro houdt rekening met wenselijkheid dat op nationaal of provinciaal niveau vanuit verschillende sectoren ruimtelijke plannen ontwikkeld worden. Gaat dan om nationale of provinciale structuurvisies voor aspecten van het ruimtelijk beleid' (art. 2.3/2.2 lid 2 Wro). Enerzijds zijn deze visies instrumenten van sectorale plannen, anderzijds pretenderen zij resultaat te zijn dan integrale ruimtelijke afweging en coördinatie die aan ruimtelijke ordening eigen is. Structuurvisies voor aspecten van ruimtelijk beleid staat als ware op kruispunt van sector- en facetbeleid.

  • Gedachte is dat planologisch proces drie fasen (bestemmen, inrichten, beheren) vallen te onderscheiden en dat het recht daarop moet aansluiten door via wetgeving instrumenten te bieden voor elk van deze fasen. Bij bestemmen gaat om toekenning van gebruiksfunctie, hier staat planning voorop. Dan volgt operationele fase van inrichting, waarin plannen worden uitgevoerd. Dan treedt fase van beheer in, waar accent ligt op bescherming van aangewezen en gerealiseerde bestemming tegen ongewenste veranderingen op regulering en beheersing van kleine, wel wenselijke aanpassingen en onderhoud. Later keert fase van (her)bestemmen, herinrichten en beheren weer terug). Wetgeving kan echter niet aan hand van drie fasen ingedeeld of geanalyseerd worden. Vaak lopen deze in praktijk door elkaar heen.

  • 1.3.1 Grondwettelijke bepalingen

  • Grondwet heeft voor ruimtelijke ordening enig speciale betekenis. Meest direct van belang is art. 21 Gw 'Zorg van overheid is gericht op bewoonbaarheid van land en bescherming en verbetering van leefmilieu' (sociale grondrechten waaraan burger geen rechten kan ontlenen). Aan hand van dit artikel staat alleen vast dat overheid aan ruimtelijke ordening moet doen.

  • Art. 14 lid 1 Gw garandeert dat onteigening alleen kan geschieden in belang en tegen vooraf verzekerde (volledige) schadeloosstelling, één en ander naar bij of krachtens wet te stellen voorschriften. Uit voorschrift vloeit minimale bescherming van eigendomsrecht tegen overheidsinbreuken voort.
  • Behalve recht op volledige schadevergoeding bij onteigening, volgt uit voorschrift dat onteigening die overheid nodig acht om bijv. bestemmingsplan uit te voeren alleen toegestaan is, indien onteigening nodig is 'in het algemeen belang'. Daarvan is bijv. geen sprake indien plan voorziet in bouw van woningen en de grondeigenaar in staat en bereid is de gelegde bestemming zelf te verwezenlijken.

  • Via bestemmingplannen of andere publiekrechtelijke maatregelen kan overheid soms verreikende beperkingen opleggen aan mogelijkheden die eigendomsrecht biedt. Deze zijn niet te beschouwen als partiële onteigening. Van onteigening kan alleen worden gesproken indien geen enkele gebruiksmogelijkheid meer over zou blijven.
  • Voor beperking van eigendomsrecht via publiekrecht heeft art. 14 lid 3 Gw betekenis. Ingevolge dit art. bestaat 'in gevallen bij of krachtens wet bepaald' een recht op schadevergoeding indien o.a. 'uitoefening van eigendomsrecht wordt beperkt'. Hieraan is door wetgever uitvoering gegeven door o.a. art. 6.1 e.v. Wro in leven te roepen (ziet slechts op tegemoetkoming in geleden schade.

  • 1.3.2 Toelatingsplanologie via wettelijke verboden

  • Tot grondbeginsel van rechtsstaat behoort beginsel dat overheid vrijheid van burger alleen kan beperken bij of krachtens de wet. In art. 5:1 lid 2 BW vinden we dit terug voor eigendomsrecht. Het recht van ruimtelijke ordening sluit hierop aan. In beginsel bestaat er vrijheid om gronden te gebruiken voor doeleinden die eigenaar wenselijk acht, incl. vrijheid om gronden te bebouwen. Voor bouwen is omgevingsvergunning nodig, deze kan slecht op beperkt aantal nauwkeurig in wet omschreven gronden worden geweigerd art. 2.10 Wabo.

  • Vrijwel overal gelden bestemmingplannen waarin is geregeld of mag worden gebouwd, voor welke doeleinden. Vaak hebben plannen ook gebruiksvoorschriften die bepaalde vormen van gebruik van gronden/opstallen verbieden. Meest vergaand is algemeen gebruiksvoorschrift, dat alle gebruik verbood anders dan het gebruik overeenkomst bestemming. Van gebruiksvrijheid blijft derhalve weinig over. Algemeen gebruiksverbod is met komst van Wabo opgegaan in vereiste van omgevingsvergunning voor gebruik in strijd met bestemmingsplan art. 2.1 jo. 2.12 Wabo.

  • Inperking van eigendomsrecht via bestemmingsplannen (en andere publiekrechtelijke regelingen) kan zeer ver reiken. Maar echt van ruimtelijke ordening kent tot nu toe één fundamentele beperking (blijkt niet direct uit de wet): eigenaar (grondgebruiker) kan niet verplicht worden aangegeven bestemming daadwerkelijk te verwezenlijken. Bestemmingsplannen bevatten verboden, geen geboden. Alle gebruiksdoeleinden kunnen verboden zijn, maar er kan geen gebod worden opgenomen tot gebruik overeenkomstig toegelaten bestemming. Stelsel van overgangsrecht in bestemmingplannen is daarom onmisbaar sluitstuk. Overgangsrecht waarborgt dat eigenaar/grondgebruiker niet verplicht wordt nieuwe bestemming positief te realiseren. Pas indien grondgebruiker iets nieuws wil bouwen/bestaand gebruik veranderen, krijgt hij te maken met beperkingen van bestemmingsplan (dit noemt men toelatingsplanologie).
  • Indien noodzakelijk dat bestemming wél positief wordt gerealiseerd, staat overheid slechts één middel open, wanneer eigenaar niet kan/wil meewerken: door gronden aan te kopen of te onteigenen ontstaan de voorwaarde waaronder overheid zelf het plan kan uitvoeren overeenkomstig gegeven bestemming.

  • Monumentenwet 1988 kent vergelijkbaar uitgangspunt. Wet biedt mogelijkheid afbraak/verandering te voorkomen, maar bevat geen mogelijkheid eigenaren monument positief te verplichten tot instandhouding (onderhoud) eigendom. Positieve verplichtingen komen wel voor in rechtssysteem, Woningwet kent bijv. mogelijkheid om te verplichten tot aanbrengen van noodzakelijke verbeteringen aan gebouwen.

Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.