Summary HUMAN AND ANIMAL BIOLOGY

311 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - HUMAN AND ANIMAL BIOLOGY

  • 1 Lz2: Het fenotype

  • Wat is het verschil tussen fenotype en genotype?
    Genotype heeft alleen te maken met welke genen je hebt en welke tot uiting kunnen worden gebracht. Fenotype is een som van genotype + milieu wat uiteindelijk leidt tot hoe je eruit ziet.
  • Wat is fenotypische plasticiteit? En ontwikkelings plasticiteit? En polyfenie? Welke heeft te maken met epigenetica?
    Fenotypische plasticiteit:
    Morfologische en fysiologische capaciteit om te veranderen binnen een gegeven genotype.

    Ontwikkelings plasticiteit (developmental plasticity):
    Omgevingsfactoren tijdens de ontogenie bepalen grootte, vorm en gedrag van het volwassen organisme.

    Polyfenie:
    Het ontstaan van meerdere fenotypes in een populatie vaarvan de verschillen niet het gevolg zijn van genetische verschillen.
    • Sequentiële polyfenie
      • verschillende ontwikkelingsstadia
    • Alternatieve polyfenie
      • verschillende kasten/morfen
      • bij bijen, termieten en sprinkhanen
    • Dichtheidsafhankelijke polyfenie
      • verandering van uiterlijk in zwerm vs solidair
      • Kanibalistisch polyfenisme
        • deel van de polulatie heeft aanpassing aan de kaak en tanden als gevolg van crowding


    Epigenetica (bij ontwikkelingsplasticiteit):
    Studie van fenotype verandering waarvoor geen verandering in de DNA sequentie nodig is.
  • Wat is het verschil tussen erfelijke fenotypische plasticiteit en aanpassing in fenotypische plasticiteit?
    Erfelijk:
    Kinderen van lange ouders zijn vaak ook lang

    Aanpassing:
    Kinderen van ouders die sporten en dus gespierd zijn, zullen alleen gespierd worden als zij zelf ook gaan trainen
  • Wat is het verschil tussen population gradualism en phenotypic gradualism?
    Population gradualism: nieuwe eigenschappen worden meer frequent in de populatie, doordat ze eerst in een klein gedeelte van de populatie zaten en vervolgens meer frequent worden in de hele populatie.

    Phenotypic gradualism: nieuwe traits worden over de evolutie geproduceerd in een serie kleine veranderingen over vele generaties
  • Wat is het verschil tussen conformeren en reguleren mbt homeostase?
    Conformeren:
    Inwendig milieu wordt gelijk aan uitwendig milieu, geen aanpassingen

    Reguleren:
    Inwendig milieu blijft gelijk, onafhankelijk van het uitwendig milieu

    Dit kan zowel temperatuur als osmotische waarde betekenen.
  • Welke twee migratie patronen zien we terug in vissen?
    Anadroom: geboren in zoetwater en volwassen in zout water

    Katadroom: geboren in zout water en volwassen in zoet water
  • Wat voor aanpassingen hebben vissen nodig die migreren van zoet naar zout water en vice versa? Wat stuurt adaptatie van ionocyten?

    Bijna alle vissen hebben ionocytes (chloride cellen). Hier vindt actief transport van natrium en chloride plaats.

    Zout water naar zoet water:

    Voorkomen:
    • ionenverlies naar externe hypo-osmotische milieu
    • water influx


    Door:
    • Prolactine
      • stimuleert aanmaak van zoetwater ionocyten
      • verlaagt de osmotische permeabiliteit van het epitheel voor water en ionen
      • verhoogt de mucus secretie
    • Cortisol
      • differentiatie van zoetwater ionocyt
      • apoptosis van zoutwater ionocyt

    Van zoet naar zout water:
    Voorkomen:
    • influx ionen door diffusie uit hyper-osmotisch milieu
    • waterverlies door osmose

    Door:
    • Groeihormoon
      • bevorderd aanmaak van cortisol receptoren
      • stimuleert mitotische delingen van ionocyten
    • Cortisol
      • diffentiatie en proliferatie van zoutwater ionocyten
      • apoptosis van zoetwater ionocyten



    Een verhoogde saliniteit induceert "hyperosmotic response"

    • hypertrofie ionocyten
    • proliferatie ionocyten
    • meer nier tubuli
  • Wat voor aanpassingen hebben kanoets in hun dieet/migratie?
    Tijdens hun migratie hebben ze verschillende voedsel bronnen:
    • tweekleppigen ("harde prooi")
      • spiermaag 10% van totale lichaamsgewicht
    • arthopoden/insecten ("zachte prooi")
      • grootte van de spiermaag neemt 60% af in 8 dagen

    De spiermaag gaat, bij eten van harde prooi, terug naar originele grootte in 6 dagen, ook al heeft de kanoet een jaar alleen maar zacht voedsel gegeten.
    Ditzelfde concept gaat ook op voor vogels die variatie hebben in vezels (hoog vezelgehalte --> grote spiermaag.

    De meeste organen nemen in grootte af tijdens migratie.

    Deze fenotypische plasticiteit komt ook bij vrouwen voor de zwanger zijn.
  • Wat voor fenotypische aanpassingen vinden we terug bij sporters? Hoe kun je verschillen zien tussen een sprinter en een hardloper?
    Marathon renners zijn getraind op duurzaam gebruik van kracht. Het is voor hen waardevol om zo min mogelijk gewicht mee te nemen op hun run, daardoor hebben ze weinig spieren.
    Sprinters moeten het juist van snelle kracht hebben en veel spiermassa, daarom zijn hun spieren veel groter.
  • Wat houdt hoogte stage in?
    De indische gans (Anser indicus) vliegt over de himalaya. Zijn long capaciteit en zuurstof affiniteit nemen hierdoor toe.

    Sporters kunnen dit effect ook bereiken met hoogte stage. Hierdoor krijgen ze:
    • lagere rust hartslag
    • meer hemoglobine
    • betere tijden op 50m sprint en 3km (minimaal 14 dagen)
  • 2 Lz3: Ontwikkelingsbiologie

  • Wat zijn belangrijke stadia in de ontogenie van vertebraten en mens?
    • Zygote
      • fusie ei en spermacel
    • Blastula
      • tijdens klievingsdelingen ontstaat een blastula met blastocoel (klievingsholte), die later weer verdwijnt
      • Blastocyct
        • thropohoblast: voeding embryo
        • embryoblast: vorming
          • vormt een ovale plaat van 2 cellagen dik: blastodisc:
            • epiblast 
            • hypoblast
    • Gastrulatie
      • vorming van drie kiemlagen door migraties van cellen en archenteron (ectoderm, mesoderm, endoderm)
    • Organogenese
      • neurulatie (incl. Vorming van vierde kiemblad: de neurale lijst) vorming van lichaamsorganen en begin groei
    • Groei
      • bereiken van adulte vorm
  • Wat zijn extra-embryonale structuren bij vogels?
    • Amnion
      • direct om embryo
      • voorkomen uitdrogen en schokabsorptie
    • Chorion
      • buitenste vlies om totale embryo
      • bescherming en gaswisseling
    • Allantois
      • ontstaan uit de darm
      • afval en respiratie oppervlak
    • Dooierzak
      • nutriënten
  • Wat is het verschil tussen de dooierzak van watervertebraten, reptielen en vogels en zoogdieren?
    Bij watervertebraten, reptielen en vogels wordt de dooierzak gevormd uit dooierrijke cellen of de gele dooier. Bij zoogdieren wordt de dooierzak gevormd uit de hypoblast en is de het vroegst aangelegde extra-embryonale vlies. De functie van de dooierzak is de vroege óf gehele voeding en rol in hematopoëse.
  • Wat zijn migrerende neurale lijstcellen en wat zijn concequenties als dieren deze niet hebben?
    Neurale lijst = het dorsale gedeelte van de neurale buis. Hier komen cellen uit vrij tijdens het vormen van het zenuwstelsel die door het hele lichaam migreren. De migratie wordt beïnvloed door de neurale buis, de somites en de chorda. De neurale lijstcellen dragen bij aan de vorming van de schedel, het hart, de spinale ganglia, chromaffinecellen in de bijnier en melanocyten in de huid. 

    • weinig migrerende neurale lijstcellen --> oa perifeer zenuwstelsel
    • sterker migrerende cellen --> melanocyten in de huid

    Het Lancetvisje heeft geen migrerend neurale lijstcellen en heeft dus geen "echte" kop (wel een kop en staartzijde) en geen perifeer zenuwstelsel.
  • In welke volgorde gebeuren de volgende dingen?
    • Cellen migreren naar hun eindpositie
    • Cellen differentiëren tot neuron
    • Cellen maken connecties met hun doelen
    • Cellen verfijnen de synapsverbindingen 
    • Cellen migreren naar hun eindpositie
    • Cellen differentiëren tot neuron
    • Cellen maken connecties met hun doelen
    • Cellen verfijnen de synapsverbindingen 
  • Wat zijn derivaten van het ectoderm, endoderm en mesoderm?
    Ectoderm
    • huid
    • centraal zenuwstelsel
    • pigment

    Endoderm:
    • maag
    • thyroid
    • longen
    • sperma 
    • eicel


    Mesoderm
    • notochord
    • bot
    • nier
    • rode bloedcellen
    • gezichtsspieren
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Hoe kunnen we sensory receptoren classificeren? En hoe kunnen verschillende signalen worden omgezet naar elektrische impulsen?

We kunnen de receptoren classificeren naar waar de signalen die ze opvangen vandaan komen: 
  • Exteroceptor
    • zicht
    • geluid
    • smaak
    • touch
  • Interoceptor
    • metabolites
    •  pH
    • distention (stretch of organs)
  • Proprioceptors
    • muscle spindles (length of muscle)

    • golgi tendants (tention of muscle)


Óf we kunnen ze classificeren naar modality. Modality: the type of sensation the receptor picks up.
  • Chemoreceptor
    • pH
    • ionen
    • metabolites
  • Thermoreceptor
    • warm
    • cold
  • Mechanoreceptor
    • physical distortion (touch)
  • Fotoreceptor
    • light (fotons)
  • Nociceptor
    • chemo
    • thermo
    • mechano
A nociceptor detects pain. It doesnt specifically fall into one of the categories but it happens when one of the receptors is taken to the extremes. 

All of these signals have to be translated into electrical impulses so they can enter the brain.
Chemoreceptor en fotoreceptor:
  1. Een signaal of foton komt aan op de receptor
  2. De aanhechting die plaatsvindt zorgt ervoor dat ionkanalen (Na+) opengaan
  3. En dit zorgt voor de actiepotentiaal
Thermoreceptor:
Het temperatuurverschil zorgt voor een verandering in permeabiliteit van het membraan, waardoor ionkanalen open kunnen.
Mechanoreceptor:
Physical distortion of the membrane opens up the ion channels.
Wat zijn cranial nerves?
Zenuwen van het perifere zenuwstelsel (PNS; die dus in en uit het CNS komen), die het CNS in en uitgaan bij de hersenstam en de hersenen (dus niet de ruggengraat).
  • autonoom
  • somatisch

Gepaard: want in én uit het CNS 


Cranial Nerves
  • I: Olfactory; S
    • reuk
  • II: Optic; S
    • zicht
  • III: Occulomotor; M
    • bewegen van de ogen
  • IV: Tochlear; M
    • bewegen van de ogen
  • V: Trigeminal; B
    • gevoel in het gezicht
    • bewegen van de kaak
  • VI: Abduscense; M
    • bewegen van de ogen
  • VII: Facial; B
    • bewegen van het gezicht 
    • proeven (van één smaak)
  • VIII: Vestibulocochlear; S
    • balans
    • gehoor
  • IX: Glossopharyngeal; B
    • slikken 
    • proeven
  • X: Vagus; B
    • hart, longen, digestive tract (parasympatisch autonomisch zenuwstelsel)
  • XI: Accessory; M
    • schouders ophalen
  • XII: Hypoglossal; M
    • bewegen van de tong



Mnemonic: Oh Oh Oh To Touch And Feel Very Good Velvet Ah Heaven
Mnemonic: Some Say Marry Money, But My Brother Says Big Brains Matter Most

Spinal nerves:
Spinal nerves are the nerves that regulate somatic and autonomic nerves that are placed below the neck. The spinal cord had 5 regions, each with their own amount of spinal nerves:
  • cervical; 8
  • thorassic; 12
  • lumbar; 5
  • sacral; 5
  • caudal; 1


Mnemonic: Old people like to eat at those times +51

The autonomic system is divided in two branches:
  • Parasympatic (rest and digest)
    • cranio-sacral nerves
      • cranial nerves
        • III: occulomotor
        • VII: facial
        • IX: glossopharengeal
        • X: vagus
      • Sacral nerves
        • gastrointestral tract 
        • genitourinal tract
  • Sympatic (fight or flight)
    • thoracolumbar nerves
Samenvattend, wat is de functie van de hersenstam, limbisch systeem en de neocortex?
Hersenstam (instinctieve somatische brein):
  • vechten-vluchten
  • autonome functies 
Limbisch systeem (non cognitieve domein):
  • basale emoties
  • geheugen (korte termijn, GPS)
Neocortex (cognitieve domein):
  • emoties over emoties
  • permanente geheugen
  • redeneren en rationaliseren
  • bewustzijn
  • taal
  • perceptie en associatie
Hoe is het zenuwstelsel georganiseerd in vertebraten?
  • Central nervous system (CNS):
    • hersenen
    • ruggenmerg
  • Peripheral nervous system (PNS) (op basis van somatisch/visceraal):
    • somatisch
      • somato-sensorisch
      • somato-motorisch
    • visceraal of autonoom (ANS)
      • viscero-sensorisch (vs)
      • viscero-motorisch (vm)
        • parasympatisch deel: n. Vagus (X)
        • sympatisch deel: grensstreng
      • orgaan gebonden
        • enteric nervous system (ENS)
        • hart met 'peacemaker systeem'
Leg uit welke 2 onderdelen in het visueel systeem verantwoordelijk zijn voor het fenomeen kleurmenging. Bespreek daarbij ook de wijze waarop het zien van kleuren tot stand komt (hoe werken ze samen)..
Het licht valt op het retina, waar zich de fotoreceptoren staafjes en kegeltjes bevinden. De kegeltjes zijn gevoelig voor kleur. Er zijn drie soorten kegeltjes: voor groen licht, rood licht en blauw licht. Deze kegeltjes geven met verandering van kleur andere neurotransmitters af aan de bipolaire cellen. De bipolaire cellen geven vervolgens verschillende frequenties actiepotentialen door aan de eerste orde sensorische cel van de oogzenuw. Als bij kleurmenging de kleuren teveel op elkaar lijken worden dezelfde neurotransmitters doorgegeven en lijkt de kleur hetzelfde.
Hoe voer je een proef uit over kleurmenging?
In dit experiment onderzoek je bij welke frequentie twee beurtelings aangeboden kleuren niet meer als afzonderlijke kleuren kunnen worden waargenomen:
  • Zet ‘LED keuze’ van de LED‐kast op ‘5’ (=groen/rood).
  • Zet de LED‐kast op ‘PULS IN’.
  • Zet de gevoeligheid van de oscilloscoop op 10 mV/DIV en 10 msec/DIV.
  • Zet de FG op 1 Hz en controleer of duidelijk te zien is dat één lampje afwisselend met twee verschillende kleuren flikkert.
  • Regel de lichtintensiteit van de LED met de ‘amplitudeknop’ van de FG en lees af op de oscilloscoop, net als in de meetopdracht flikkerfusie‐frequentie.
  • Bepaal de frequentie waarbij de proefpersoon beide kleuren niet meer afzonderlijk waarneemt, bij lichtintensiteiten van 20, 40 en 80 mV.
  • Noteer de kleurmengingsfrequenties in een tabel. NB. Omdat tijdens één frequentieperiode zowel rood als groen licht te zien is, moet de frequentie met twee vermenigvuldigd worden om de juiste waarde te verkrijgen.
Beschrijf het visueel systeem, includeer de verschillende onderdelen in je antwoord. De fotoreceptor is bijvoorbeeld primair verantwoordelijk voor de FFF. Leg uit hoe en welk onderdeel (of onderdelen) binnen de fotoreceptor voor de FFF verantwoordelijk is.
Het visueel systeem bestaat uit het oog met daarin zintuigcellen, de oogzenuw en de visuele cortex in de occipitale lob. De zintuigcellen bevinden zich op het retina en bestaan uit kegeltjes (kleur) en staafjes (contrast). Deze fotoreceptoren variëren in hun locatie op de retina, hun lichtgevoeligheid, hun gevoeligheid voor golflengte van licht en hun onderscheidend vermogen. Licht wordt geabsorbeerd door het fotopigment rodopsine en dissocieert in retinal en opsine. Hierdoor ontstaat er verandering in de zintuigcel potentiaal. Tussen de zintuigcel en de eerste orde neuron van de oogzenuw zitten bipolaire cellen die met verandering van de neurotransmitterafgifte van de zintuigcel andere actiepotentialen frequenties kan doorgeven aan het sensorisch neuron. De oogzenuwen kruizen in het optisch chiasma.
De fotoreceptor is primair verantwoordelijk voor de FFF. De stimuli worden opgevangen door de fotoreceptoren, de staafjes, en doorgegeven aan de bipolaire cellen. Bipolaire cellen geven vervolgens een actiepotentiaal door aan de oogzenuw. Deze berust op frequentie. Als de frequentie van de stimuli even hoog is als de frequentie die doorgegeven wordt door de bipolaire cellen, zal het flikkerende licht er uit zien als constant licht.
De Wet van Weber-Fechner omschrijft de onderscheiding van stimuli van verschillende intensiteiten op logarithmische schaal. De sensatie-intensiteit wordt hierdoor kleiner naarmate de stimuli hoger worden. Dit wordt geregeld in de cortex.
Hoe bepaal je de flikkerfusie-frequentie (FFF)?
De flikkerfusie‐frequentie is de frequentie waarbij het flikkeren van de LED‐lamp niet meer waarneembaar is en overgaat in continu licht. Bepaal de FFF van rood licht bij verschillende lichtintensiteiten. Pas eerst de instellingen aan:
  • Zet de gevoeligheid van de oscilloscoop op 10 mV/DIV en 40 ms/DIV (fig. 4).
  • Zet de LED‐kast op ‘PULS IN’, zodat de functiegenerator (FG) de LED gaat aansturen. De LED in de kijkkast gaat flikkeren.
  • Zet de frequentie van de FG op 10 Hz 
  • Regel de lichtintensiteit van de LED nu met de ‘amplitudeknop’ van de FG door deze geleidelijk vanaf de 8 V terug te draaien, totdat je op de oscilloscoop de intensiteit in mV kan aflezen. Stel in op de gewenste intensiteit.
  • Bepaal de FFF door de frequentie van de FG geleidelijk op te voeren, totdat voor de proefpersoon het flikkeren overgaat in continu licht. Laat telkens de ‘frequentieknop’ los, zodat de nieuwe frequentie ingesteld raakt en laat de proefpersoon aangeven wat hij/zij ziet.
  • Bepaal de FFF bij lichtintensiteiten van 20, 40 en 80 mV en noteer de frequenties in een tabel.
Wat houdt de Weber‐Wet in en waarom wordt de Weber‐Wet een psychofysische wet genoemd?
Het nog net waarneembare verschil tussen twee stimuli, deltaV, neemt evenredig toe met de stimulus‐intensiteit, Vmax. deltaV/Vmax is dus volgens de Weber-Wet een constante. 

dI / I = constant (Weber‐constante) De Weber-Wet wordt een psychofysische wet genoemd omdat…..
Hoe bepaal je met een proef de Weber-constante voor het oog van de mens?
Verifieer de Weber‐Wet voor rood licht, door het nog net waarneembare verschil tussen de sterkte van twee lichtsignalen te bepalen bij drie lichtintensiteiten. Werk in tweetallen. De proefpersoon kijkt in de kijkkast, met een handdoek over het hoofd en de achterwand van de kijkkast (acclimatiseer 1 minuut voor het uitvoeren van de testen). De onderzoeker bedient de apparatuur, volgens het volgende protocol:

  • Zet de achtergrondverlichting van de kijkkast uit door de knop naar minimaal te draaien totdat de knop niet meer verder kan.
  • Zet ‘LED keuze’ van de LED‐kast op ‘3’ (=rood).
  • Zet de schakelaar op de LED‐kast op ‘DC IN’. De LED in de kijkkast brandt nu continu.
  • Regel de lichtintensiteit van de LED met de draaiknop ‘DC IN’ op de LED‐kast.
  • Lees de lichtintensiteit af op de oscilloscoop: draai aan de ‘DC IN’‐knop totdat de lijn van de oscilloscoop 5 hokjes boven de basislijn staat. Met de huidige oscilloscoop‐instelling is dit een lichtintensiteit van 5 x 10 mV/DIV = 50 mV.
  • Druk de ‘WEBER‐test knop’ in: de lichtintensiteit van de LED verminderd (check dit in de kijkkast en op de oscilloscoop).
  • Gebruik de ‘delta (D)‐S draaiknop’ op de LED‐kast om het intensiteitsverschil in te stellen (wordt gebruikt bij indrukken van de ‘WEBER‐test’ knop).
  • Bepaal nu bij de proefpersoon het net waarneembare intensiteitsverschil, door afwisselend de ‘WEBER‐test’ knop in te drukken en het intensiteitsverschil met de ‘delta (D)‐S’ knop te verkleinen.
  • Lees het net waarneembare intensiteitsverschil af op de oscilloscoop en noteer dit in een tabel.
  • Doe bovenstaande bij de maximale lichtintensiteiten (Vmax) van 50, 120 en 200 mV. Om de oscilloscoop zo nauwkeurig mogelijk af te lezen, stel je de gevoeligheid van de scoop zo hoog mogelijk in (8 x 10 mV/DIV is dus beter dan 4 x 20 mV/DIV).