Summary Immunologie Kimberley

-
200 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Immunologie Kimberley

  • 1.1 Inleiding

  • Wat is de belangrijkste functie van het immuunsysteem?
    De verdediging tegen infecties. Het beschikt daarvoor over een aantal aangeboren, niet-specifieke middelen enerzijds en over de verworven (adaptieve) specifieke verdedigingsmechanismen anderzijds.
  • Vul het schema aan en geef uitleg.
    Beide systemen werken samen. De specifieke verdedigingsmiddelen verhogen daarbij de efficiëntie van het niet-specifieke immuunsysteem. Specifiek wil dit zeggen dat het immuunsysteem gericht is tegen één bepaald micro-organisme of antigen. Hierbij wordt er een immunologisch geheugen opgebouwd
  • Vul het overzichtsschema van het immuunsysteem aan.
    Dit.
  • 1.2 Cellen betrokken bij immunologisch antwoord

  • Waarvan zijn zowel de aangeboren als de verworven immuunsystemen van afhankelijk?
    Zowel de aangeboren als de verworven immuunsystemen zijn afhankelijk van de actviteiten van witte bloedcellen of leukocyten. 
  • Waar vinden leukocyten hun oorsprong?
    Deze cellen van het immuunsysteem vinden hun oorsprong in het beenmerg, waar de meeste dan ook rijpen of matureren. Door circulatie in het bloed en het lymfesysteem, migreren ze vervolgens naar de perifere weefsels. Sommige cellen resideren in deze perifere weefsels terwijl andere voortdurend circuleren.
  • Waarvan zijn alle cellen van het immuunsysteem van afkomstig?
    Alle cellen zijn afkomstig uit een pluripotente stamcel van het hematopoetische systeem. Uit de gemeenschappelijke myeloïde progenitor cel ontstaan de diverse cellen zoals leukocyten, erytrocyten en trombocyten, die verder niet teveel in detail zullen besproken worden. Uit de gemeenschappelijk lymfoïde progenitor cel ontstaan diverse cellen.
  • 1.2.1 Neutrofiele granulocyt

  • Wat is de functie van de neutrofiel?
    De neutrofielen hebben als functie de fagocytose van vreemd materiaal. Men kan de fagocytose indelen in vier fasen: chemotaxis, adherentie, opname en vernietiging.
  • Geef de samenstelling van de neutrofielen.
    De neutrofielen bevatten granules, waarvan er verschillende types zijn die beiden enzymen bevatten:
    · Primaire azurofiele granules: lysosomen gevuld met bactericide enzymen of proteasen of hydrolasen voor de afbraak van het gefagocyteerd partikel;
    · Secundaire granules: lysozym, collagenase en lactoferrine.
    De resynthese van enzymen is moeilijk aangezien er weinig ribosomen zijn en slechts een klein Golgi-apparaat.
  • Bespreek de levensduur van de neutrofiel.
    Eenmaal uit het beenmerg blijft de neutrofiel slechts een 12-tal uren in de bloedcirculatie, daarna gaat ze naar de weefsels, waar ze slechts enkele dagen actief is voor ze afsterft. 
  • Bespreek de basofiele granulocyt en mastcel.
    De basofiele granulocyt is het minst vertegenwoordigd onder de WBC. De mastcellen vindt men in associatie met de mucosae. Deze cellen kunnen degranuleren wanneer ze een passende stimulus krijgen. De granules bevatten vasoactieve aminen zoals histamine en serotonine.
  • Bespreek de levensduur van eosinofielen.
    Relatief onrijpe eosinofielen verlaten het beenmerg. Ze rijpen vervolgens een tijdje in de milt. Daarna gaan ze heel kort in de bloedcirculatie (halfwaardetijd = 30 min), om uiteindelijk hun functie in het weefsel op te nemen (halfwaardetijd = 12 dagen).
  • Wanneer zullen eosinofielen degranuleren?
    Evenals de basofiel kan de eosinofiel degranuleren na een gepaste stimulus. De granules bevatten andere stoffen dan de neutrofielen. Men kent de eosinofiel kationisch proteïne en het major basisch proteïne. Beiden zijn direct toxisch voor wormen.
  • Wat is de functie van de eosinofielen?
    Ze zijn vooral gespecialiseerd in het extracellulair doden van materiaal dat te groot is om door de fagocyterende cellen opgenomen te worden. Zo ziet men eosinofilie bij worminfecties!
    Ze zijn wel in staat om vreemd materiaal te fagocyteren. 
  • Teken een neutrofiel.
    Dit.
  • Teken een eosinofiel.
    Dit.
  • Teken een basofiel.
    Dit.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat is het tolerant zijn voor iets?
Wanneer een organisme geen immunologische reactie ontwikkelt t.o.v. een antigeen, dan is dit organisme tolerant voor dit antigeen. Zo is men tolerant tegenover de eigen weefsels. Meestal verstaat men onder de term tolerantie in een engere zin de afwezigheid van immunologische reacties tegenover antigenen, die bij dat individu normaal wel een immuunreactie uitlokken.
Wat zijn haptenen?
Haptenen zijn kleine moleculen die op zichzelf veel te klein zijn om antistoffen te kunnen vormen. Zij kunnen als antigene determinant functioneren als ze gebonden worden aan een grotere molecule, een dragermolecule of "carrier" genoemd. De aldus gevormde antistoffen reageren niet alleen met het hapteen-dragermoleculecomplex maar ook met de haptenen afzonderlijk. Door gebruik te maken van haptenen, die chemisch zeer sterk op elkaar gelijken, heeft men de specificiteit van de antistoffen kunnen bestuderen. Die specificiteit is vooral stereochemisch sterk bepaald: het epitoop (= antigene determinant) van het antigeen past precies in het paratoop van het antilichaam volgens het sleutelslot principe.
Teken schematisch de verschillende antigenen en bespreek.
Een antigeen bestaat uit multipele determinanten waarbij sommige determinanten herhaalde malen in dezelfde molecule kunnen voorkomen. Het immunostelsel zal daarom na contact met een antigeen verschillende antilichamen vormen tegen verschillende antigene determinanten.


De antigenen, die normaal in de natuur voorkomen op bacteriën, virussen en gisten, zijn multivalente antigene determinanten (figuur 1.10).
Welke soorten determinanten bestaan er?
Bij eiwitten kan men enerzijds spreken van discontinue of configurationele determinant, anderzijds van continue of lineaire epitoop .
Wat is een antigene determinant?
Een antigeen moet een behoorlijke grootte hebben, wil het in staat zijn om antilichamen op te wekken. Nochtans gaat slechts een klein deel van het antigeen een binding aan met een klein deel van het antilichaam: de antigene determinant.
Waarom heeft de dosis en manier van toediening invloed op de immuniteit?
 Eenzelfde antigeen dat ineffectief is als het intraveneus wordt ingespoten, een sterke antistofproductie uitlokken als het onderhuids wordt toegediend.

Hogere dosissen geven doorgaans aanleiding tot hogere antistoftiters, hoewel nooit proportioneel. Excessief hoge dosissen kunnen niet alleen falen in het stimuleren van antistofproductie, maar zelfs leiden tot een status van specifieke ongevoeligheid voor dit antigeen, ook als het nadien in een normale dosis wordt toegediend. Een dergelijke toestand noemt men immunotolerantie.
Hoe werd de invloed van de genetische aanleg bewezen?
Deze genetische aanleg wordt bewezen door de verschillen in immuunrespons bij diverse species: bepaalde polysachariden zijn immunogeen voor mensen en muizen, maar niet voor de cavia. Het is evident, hoewel moeilijk aantoonbaar, dat er voor sommige antigenen ook genetisch bepaalde verschillen bestaan tussen individuen van eenzelfde soort.
Waarom is een genetische aanleg nodig opdat de antigenen als immunogenen kunnen functioneren?
Het proefdier moet een genetische aanleg hebben om op een bepaald antigeen te kunnen reageren. Elk antwoord is immers onder de vorm van een lymfocyt met de juiste antigeenreceptor vooraf bepaald, wat voor een deel te maken heeft met de genetische aanleg.
Bespreek de invloed van lipiden op de immuniteit.
Zuivere vetten zijn niet in staat een immuunrespons uit te lokken. 
Bespreek de stimulatie van nucleïnezuren op de immuniteit
Stimuleren heel zwak het immuniteitsstelsel. Patiënten met lupus erythematosus hebben antilichamen tegen nucleïnezuren.