Summary Info Reader en boeken

234 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Info Reader en boeken

  • 1.1 Voorkennis

  • Wat is een verbintenis?
    Bij deze algemene bepalingen missen we een bepaling waarin een definitie wordt gegeven van het begrip ‘verbintenis’. Het BW heeft het opstellen van een definitie overgelaten aan de wetenschap, aldus de Parl. gesch. Boek 6, blz. 37. Het begrip ‘verbintenis’ heeft onder het BW dezelfde betekenis als onder het oude recht. Daar had men voor het begrip ‘verbintenis’ een omschrijving die in de meeste handboeken wordt gebruikt. De definitie luidt: Een verbintenis is een vermogensrechtelijke rechtsbetrekking tussen twee of meer bepaalde personen, op grond waarvan de een jegens de ander recht heeft op een prestatie, waartoe die ander verplicht is.
  • Wie zijn de subjecten van een verbintenis?
    Aan de ene kant staat iemand die gerechtigd is tot een bepaalde prestatie; deze noemen we de schuldeiser of crediteur van die bepaalde prestatie. En daartegenover staat iemand die tot die bepaalde prestatie verplicht is; deze noemen we de schuldenaar of de debiteur van die bepaalde prestatie. Zij zijn de subjecten der verbintenis.
  • Wat is het voorwerp van de verbintenis?
    Op grond van een verbintenis is de crediteur jegens de debiteur gerechtigd tot een prestatie en is de debiteur verplicht tot die prestatie. Het voorwerp, ofwel het object, ofwel nog anders: het onderwerp van de verbintenis, is de prestatie van de debiteur. De prestatie kan bestaan uit een geven, een doen of een niet-doen.
  • Waaruit ontstaan verbintenissen?
     Artikel 6:1 bepaalt: ‘Verbintenissen kunnen slechts ontstaan indien dit uit de wet voortvloeit.’ 
    Bronnen zijn:
    - Alleen uit de wet, zoals onrechtmatige daad
    - Rechtshandelingen, zoals een koopovereenkomst 
    - Zij die voortvloeien uit het stelsel we:
    Hiermee bedoelen we dat voor het ontstaan van een verbintenis niet altijd een wetsartikel hoeft te worden aangewezen. Wel moet voor die gevallen een oplossing gezocht worden die in het stelsel van de wet past en aansluit bij de wel in de wet geregelde gevallen. Artikel 6:1 schept door haar formulering ook de ruimte voor deze gevallen. Dit was anders onder het oude recht. Daar liet de wet die ruimte niet. De Hoge Raad heeft daar echter een mouw aan gepast in zijn arrest van 30 januari 1959, NJ 1959, 548 (Quint-Te Poel).
  • Wat is een natuurlijke verbintenis?
    Kenmerkend voor de natuurlijke verbintenis is dat zij niet rechtens kan worden afgedwongen. Een natuurlijke verbintenis is een vermogensrechtelijke rechtsbetrekking tussen twee of meer personen, waarbij de prestatie waartoe de debiteur jegens de crediteur verplicht is, door de crediteur niet rechtens kan worden afgedwongen.
  • 1.2 Info leereenheid

  • Wat is een rechtshandeling?
    Gangbaar is om een rechtshandeling te omschrijven als een handeling die gekenmerkt wordt door het ermee beoogde rechtsgevolg.

    Rechtshandelingen zijn onder te verdelen in eenzijdige en meerzijdige rechtshandelingen.

    De wet geeft de vereisten voor een rechtshandeling in artikel 3:33 BW (als het ware een werkdefinitie). Dit artikel vereist voor de totstandkoming van een rechtshandeling een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard. Ten aanzien van verklaringen geldt als uitgangspunt dat deze elke vorm kunnen hebben en in een of meer gedragingen besloten kunnen liggen (zie art. 3:37 BW).
  • Wat is een eenzijdige rechtshandeling?
    Bij een eenzijdige rechtshandeling treedt het rechtsgevolg in door de wilsverklaring van een persoon. Eenzijdige rechtshandelingen worden onderverdeeld in ongerichte (bijv. het maken van een testament) en gerichte (bijv. het doen van een aanbod, opzegging) rechtshandelingen. Gerichte rechtshandelingen vereisen een geadresseerde om rechtsgevolg te hebben, voor ongerichte is enkel een wilsverklaring van een persoon voldoende. De wet verbindt in de artikelen 3:32, tweede lid, BW en 3:34, tweede lid, BW consequenties aan dit onderscheid tussen gerichte en ongerichte rechtshandelingen
  • Wat is een meerzijdige rechtshandeling?
    Bij een meerzijdige rechtshandeling zijn daarvoor twee of meer personen nodig (bijv. het aangaan van een huwelijk, of het sluiten van een overeenkomst). Meerzijdige rechtshandelingen zijn te onderscheiden in overeenkomsten en andere meerzijdige rechtshandelingen (denk aan besluiten van een vergadering van een vereniging of een algemene vergadering van aandeelhouders). De overeenkomst is het prototype van de meerzijdige rechtshandeling
  • Wat is een obligatoire overeenkomst?
    Artikel 6:213, eerste lid, BW omschrijft deze overeenkomst als een meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens een of meer andere partijen een verbintenis aangaan. De obligatoire overeenkomst is in de praktijk de meest voorkomende rechtshandeling en daardoor tevens de belangrijkste bron van verbintenissen.
  • Wat is een rechtsfeit?
    Een rechtsfeit kan worden omschreven als ee geit waaraan rechtsgevolg - dus het ontstaan, gewijzigd raken of tenietgaan van een juridische relatie - is verbonden. Dit is omvangrijk. Het gaat o.a. Om rechtshandelingen en andersoortige menselijke handelingen zoals de onrechtmatige daad.
  • Wat zijn de vereisten voor een geldige overeenkomst?
    De vereisten voor een geldige overeenkomst zijn:
    - de partijen dienen handelingsbekwaam te zijn (artikel 3:32)
    - er dient sprake te zijn van een aanbod en een aanvaarding van dat aanbod (artikel 3:33 jo.6:217 lid 1)
    - er dient voldaan te zijn aan een eventueel vormvereiste (artikel 3:37)
    - er dient voldaan te zijn aan het bepaaldbaarheidsvereiste (artikel 6:227 BW)
    - de overeenkomst mag niet in strijd zijn met de goede zeden, de openbare orde of de wet (artikel 3:40)
  • Wat is een meerpartijenovereenkomst?
    Wanneer een overeenkomst wordt gesloten door meer dan twee partijen spreken we over een meerpartijenovereenkomst. Een voorbeeld is een driekhoeksruil.
  • Wat zijn benoemde of bijzondere overeenkomsten?
    Sommige overeenkomsten zijn in boek 7(A) van nadere wettelijke bepalingen voorzien. Deze overeenkomsten noemen we bijzondere overeenkomsten of bijzondere contracten. Te denken valt aan de huur, koop of arbeidsovereenkomst.
  • Wat zijn gemengde overeenkomsten?
    Sommige overeenkomsten voldoen aan de omschrijvingen van meer dan één van de in de wet uitgewerkte bijzondere contracten; zij worden gemengde overeenkomsten genoemd. Op zulke overeenkomsten zijn de bepalingen van de verschillende overeenkomsten naast elkaar toepasselijk, behoudens deze niet goed verenigbaar zijn of de strekking ervan zicht tegen verzet(6:215 BW).
  • Wat is een consumenten koop?
    Consumentenkoop wordt gedefinieerd (art. 7:5, eerste lid, BW) als de koop met betrekking tot een roerende zaak, die wordt gesloten door een verkoper die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, en een koper, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Of een koopovereenkomst als een consumentenkoop moet worden aangemerkt is van groot belang. Bij consumentenkoop is titel 1 van Boek 7 BW vrijwel geheel van dwingend recht (art. 7:6, eerste lid, BW).
  • Op welke manieren is de obligatoire overeenkomst op te delen?
    - Twee partijen - meerpartijenovereenkomst
    - Bijzondere en gemegde - niet-bijzondere overeenkomst
    - Wederkerige(6:261) - eenzijdige overeenkomst
    - Bezwarende titel(anders dan om niet) - om niet
    - Consensuele - formele(reële) overeenkomst    
    - Korstonige en duurovereenkomst

    Naast de in het tekstboek beschreven onderscheiden kan ook een onderscheid worden gemaakt tussen hoofdovereenkomsten en hulpovereenkomsten. Een hoofdovereenkomst is een overeenkomst die zelfstandig een reden van bestaan heeft, zoals alle benoemde overeenkomsten. De (veel minder voorkomende) hulpovereenkomst is een overeenkomst die wordt aangegaan in af hankelijkheid van een buiten haar liggende rechtsverhouding. Het doel van een hulpovereenkomst kan zijn het voorbereiden, versterken, bevestigen, regelen of afwikkelen van een buiten haar liggende rechtsbetrekking. Een voorovereenkomst is een hulpovereenkomst waarin een partij zich verbindt (of beide partijen zich verbinden) tot het tot stand brengen van een andere overeenkomst in de toekomst en waarvan de inhoud althans in hoofdzaken voldoende bepaald of bepaalbaar is. Een eventueel vormvereiste voor de hoofdovereenkomst dient in principe ook voor de voorovereenkomst te gelden (art. 6:226 BW).   Een voortbouwende overeenkomst is een hulpovereenkomst die afhankelijk is van een bestaande rechtsverhouding. Een bestaande geldvordering kan bijvoorbeeld versterkt worden doordat de schuldenaar ten behoeve van zijn schuldeiser een recht van hypotheek op een hem toebehorend goed vestigt. Een voortbouwende overeenkomst is in principe vernietigbaar indien deze rechtsverhouding later blijkt te ontbreken (art. 6:229 BW, zie verder leereenheid 6).
  • Welke grondbeginselen beheren het contractenrecht/de obligatiore overeenkomst?
    Het gaat om een drietal samenhangende grondbeginselen:
    - De contractsvrijheid
    Met wie, inhoud en op welk moment. Autonomie van het individu, uitgezonderd art. 3:40 
    - De vormvrijheid(consensualisme)
    Art. 3:37 lid 1, uitzonderingen mogelijk bijv. Bij kopen woning
    - De verbindende kracht(pacta sunt servanda)
    Uitgezonderd vernietigbaarheid, nietigheid en onaanvaardbaar wegens redelijkheid en billijkheid 

    Hierbij zou nog genoemd kunnen worden dat alle overeenkomst door de redelijkheid en billijkheid worden geregeerd(art. 6:248)
  • Is de hoedanigheid van de partij van belang?
    In principe wordt er geen verschil gemaakt behalve bij afdeling 6.5.3 waarbij de consument extra bescherming krijgt en bij misbruik van omstandigheden art. 3:44 lid 4. Uit de rechtspraak blijkt daarbij
    - Bij contract tussen professional en leek, voordeel leek
    - De kring waarin iemand zich bevind(Haviltex-arrest
    - Deskundigheid over een weer bij dwaling
  • Wat is een liberatoire overeenkomst?
    Een libaratoire overeenkomst is een overeenkomst waarbij partijen één of meer tussen hen bestaande verbintenissen teniet doen.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat is het bestemmingscriterium?
De wet eist dat de bedingen zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen. Zij moeten bestemd zijn meermalig gebruikt te worden. Dit is het bestemmingscriterium.
Hoe moet het begrip kernbeding omschreven worden?
Bedingen die de kern van de prestatie betreffen, vallen niet onder de wettelijke omschrijving van het begrip algemene voorwaarden voor zover deze bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd (art. 6:231, onder a, BW). Op kernbedingen is afdeling 6.5.3 BW derhalve niet van toepassing. Indien een kernbeding door een contractspartij als onredelijk wordt beschouwd, zal een beroep moeten worden gedaan op leerstukken als vernietiging op grond van wilsgebreken (art. 3:44 BW) of op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248, tweede lid, BW). Het begrip ‘kernbeding’ moet volgens de jurisprudentie (HR 19 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2435, NJ 1998, 6 (Assoud-Stichting De Nationale Sporttotalisator) ‘zo beperkt mogelijk’ en naar objectieve maatstaven worden uitgelegd: het gaat in principe alleen om de essentialia van de overeenkomst. Dat zijn die bepalingen zonder welke de overeenkomst, bij gebrek aan voldoende bepaaldheid (zie art. 6:227 BW), niet tot stand zou komen, alsmede de prijs. De prijs is namelijk niet in alle gevallen een essentialia (zie bijv. de koopovereenkomst, art. 7:4 BW). Partijen kunnen een beding niet zelf als kernbeding aanmerken; het dwingendrechtelijke karakter van de regeling (art. 6:246 BW) verzet zich daartegen.
Wie is de wederpartij van de gebruiker van de algemene voorwaarde?
Degene die door ondertekening van een geschrift of op andere wijze de gelding van algemene voorwaarden heeft aanvaard, is wederpartij van de gebruiker van de algemene voorwaarden (art. 6:231 BW).
Aan wie komen de vernietigingsgronden van de algemene voorwaarde toe?
Beide vernietigingsmogelijkheden komen in beginsel toe aan iedere wederpartij, onverschillig of die wederpartij een ondernemer, een particulier, een rechtspersoon of een natuurlijk persoon is. In artikel 6:235, eerste lid, BW wordt een uitzondering gemaakt voor wederpartijen die men als grote ondernemingen kan aanduiden. Voor consumenten houden de artikelen 6:236 en 237 BW speciale regels in waardoor de bewijslast van de consument wordt opgeheven dan wel verlicht. Artikel 6:236 BW geeft een limitatieve opsomming van bedingen in algemene voorwaarden die in consumententransacties als onredelijk bezwarend worden aangemerkt. Deze bedingen kan een consument altijd vernietigen zonder dat hij ten aanzien van het onredelijk bezwarende karakter van het beding bewijs hoeft te leveren. Het staat de gebruiker niet vrij tegenbewijs te leveren. Artikel 6:237 BW geeft een limitatieve opsomming van bedingen in algemene voorwaarden die worden vermoed onredelijk bezwarend te zijn. Deze bedingen kan een consument vernietigen zonder dat hij bewijs hoeft te leveren ten aanzien van het onredelijk bezwarende karakter van het beding. De gebruiker kan tegenbewijs leveren.
Op welke gronden kan de wederpartij bedingen op grond van algemene voorwaarde vernietigen?
Wederpartijen kunnen bedingen in algemene voorwaarden op twee verschillende gronden vernietigen. Ten eerste kan een wederpartij een beding in algemene voorwaarden vernietigen indien het beding, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij (zie art. 6:233, onder a, BW).

Ten tweede kan een wederpartij een beding in algemene voorwaarden vernietigen, indien de gebruiker aan de wederpartij niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen (zie art. 6:233, onder b, BW; deze vernietigingsmogelijkheid wordt nader uitgewerkt in art. 6:234 BW).
In welke vier gevallen vervalt een vernietigingsbevoegdheid?
De vernietigingsbevoegdheid vervalt bij toepasselijkheid van:
  1. artikel 3:52, tweede lid, BW. Na de verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging van de rechtshandeling kan de desbetreffende rechtshandeling niet meer op dezelfde vernietigingsgrond door een buitengerechtelijke verklaring worden vernietigd. Verjaring van de rechtsvordering brengt mede verval van de bevoegdheid om buiten rechte te vernietigen. Verjaring van de rechtsvordering, waaraan gekoppeld het verval van de mogelijkheid om buitenrechtelijk te vernietigen, staat er niet aan in de weg dat de vernietigingsbevoegde alsnog in rechte een beroep kan doen op de vernietigingsgrond. Dit kan ingevolge artikel 3:51, derde lid, te allen tijde worden gedaan ter afwering van een op de overeenkomst steunende vordering. Met andere woorden: een beroep op een vernietigingsgrond bij wege van exceptief verweer is niet vatbaar voor verjaring of verval. Artikel 3:51, derde lid, BW kan echter niet verhinderen dat onder omstandigheden de oorspronkelijk vernietigingsbevoegde zijn recht heeft verwerkt om een beroep te doen op de vernietigingsgrond. Rechtsverwerking kan ook betrekking hebben op het beroep op de vernietigingsgrond bij wege van exceptief verweer.
  2. artikel 3:55, eerste lid, BW. De vernietigingsbevoegdheid vervalt wanneer hij die bevoegd was om te vernietigen, de vernietigbare overeenkomst heeft bevestigd. Door bevestiging – een gerichte eenzijdige rechtshandeling – (art. 3:37, derde lid, BW) wordt afstand gedaan van de vernietigingsbevoegdheid.
  3. artikel 3:55, tweede lid, BW. De vernietigingsbevoegdheid vervalt wanneer de vernietigingsbevoegde binnen de redelijke termijn die hem is gesteld om een keuze te maken tussen vernietigen of bevestigen, geen keuze maakt. Deze mogelijkheid wordt door de wet aan een onmiddellijk belanghebbende geboden om een einde te maken aan de onzekerheid die voor hem de gebondenheid aan een aantastbare overeenkomst meebrengt.
  4. artikel 3:54, eerste lid, BW. De bevoegdheid om te vernietigen vervalt wanneer de wederpartij van de vernietigingsbevoegde tijdig een wijziging van de gevolgen van de rechtshandeling voorstelt, die het nadeel op afdoende wijze opheft.
    Ingevolge artikel 3:54, tweede lid, BW en artikel 6:230, tweede lid, BW kan de rechter op verlangen van een der partijen in plaats van te vernietigen wegens misbruik van omstandigheden dan wel dwaling, ter opheffing van het nadeel de gevolgen van de overeenkomst wijzigen. Het spreekt voor zich dat na een dergelijke wijziging de mogelijkheid om te vernietigen niet meer aanwezig is.
NB: verval moet worden onderscheiden van verjaring (zie art. 3:52, eerste lid, BW).
Bij de aankoop van een antiek bureau heeft de heer Oud rechtens relevant gedwaald (art. 6:228 BW).Welk alternatief is niet juist?Vernietiging op grond van dwaling kan zowel in als buiten rechte worden geëffectueerd.De verkoper heeft niet de mogelijkheid om de vernietigingsbevoegdheid van de koper te doen vervallen.De vernietiging heeft in beginsel terugwerkende kracht behoudens de bevoegdheid van de rechter aan een vernietiging geheel of ten dele haar werking te ontzeggen.De rechtsvordering tot vernietiging op grond van dwaling verjaart drie jaren nadat de bevoegdheid om deze vernietigingsgrond in te roepen, aan de dwaler ten dienste is komen te staan. De verjaring van de rechtsvordering ontneemt de dwaler niet de mogelijkheid om in rechte een beroep op dwaling te doen ter afwering van een op de koopovereenkomst steunende vordering.
Het onjuiste alternatief is b.
Het gaat hier om dwaling (art. 6:228 BW). Ingevolge artikel 6:230 BW heeft de wederpartij van de dwaler door tijdig een voorstel te doen tot wijziging van de gevolgen van de overeenkomst, zodanig dat daardoor het nadeel dat de dwaler ondervindt van de overeenkomst op afdoende wijze wordt opgeheven, de mogelijkheid om de vernietigingsbevoegdheid te doen vervallen.
Vernietiging heeft terugwerkende kracht. Wat wordt hiermee bedoeld?
Vernietiging heeft terugwerkende kracht, aldus artikel 3:53, eerste lid, BW. Hiermee wordt bedoeld dat rechtens de vernietigde overeenkomst geacht wordt nimmer te hebben bestaan. De nietigheid wordt geacht te zijn ingetreden op het moment dat de overeenkomst tot stand is gekomen. Aldus kan de nietigheid, ingetreden nadat een beroep is gedaan op de vernietigbaarheid, in beginsel niet worden onderscheiden van de nietigheid van rechtswege. 
Wat is het verschil tussen een nietige en een vernietigbare overeenkomst?
Een nietige overeenkomst is ongeldig en heeft niet de door partijen beoogde rechtsgevolgen. Een vernietigbare overeenkomst is geldig, maar aantastbaar. Eerst wanneer met succes een beroep is gedaan op de vernietigingsgrond, wordt de vernietigbare overeenkomst met terugwerkende kracht nietig (art. 3;53 BW).
F verkeert als gevolg van een enorme waardedaling van zijn met geleend geld gefinancierde effectenportefeuille (met vooral internetaandelen) in ernstige financiële moeilijkheden. F heeft zijn woning op 18 augustus voor € 150.000 (een relatief laag bedrag) aan zijn broer B verkocht en overgedragen. De koopsom is op de rekening van F bij de Boerenbank gestort en daarmee van rechtswege (art. 6:140 BW) verrekend met de volledige schuld van F aan de Boerenbank. Zijn andere grote crediteur is financieringsmaatschappij Snelgeld BV met een direct opeisbare vordering van € 50.000. F is niet in staat om aan deze vordering te voldoen.Welke juridische mogelijkheid heeft Snelgeld BV op 19 augustus om de transactie tussen F en B ongedaan te maken? Kan Snelgeld deze mogelijkheid met succes benutten?
Snelgeld kan ex artikel 3:45 e.v. BW de actio Pauliana instellen en de overeenkomst tussen F en zijn broer B vernietigen.Voor het succesvol instellen van de actio Pauliana dient op grond van artikel 3:45, eerste lid, BW aan de volgende vereisten te zijn voldaan:
  • Er moet sprake zijn van een rechtshandeling (i.c. is er sprake van een koopovereenkomst).
  • De rechtshandeling moet onverplicht zijn (i.c. was de overeenkomst met B niet door wet of eerdere overeenkomst verplicht).
  • Door de onverplichte rechtshandeling moet een schuldeiser benadeeld zijn in zijn verhaalsmogelijkheden (i.c. is Snelgeld benadeeld in zijn verhaalsmogelijkheden, aangezien het huis het belangrijkste vermogensbestandeel van F is).
  • De schuldenaar moet wetenschap van de benadeling hebben (i.c. weet of behoort F te weten, dat door de verkoop van het huis tegen een relatief lage prijs de verhaalspositie van Snelgeld wordt benadeeld).
  • Op grond van artikel 45, tweede lid, BW dient bij een rechtshandeling anders om niet ook degene met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte, te weten of behoren te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg zou zijn. De casus geeft geen directe aanwijzing dat B van deze benadeling op de hoogte zou zijn. Echter, indien de rechtshandeling waardoor een of meer schuldeisers zijn benadeeld, is verricht binnen een jaar voor het inroepen van de vernietigingsgrond en de schuldenaar zich niet reeds voor de aanvang van die termijn tot die rechtshandeling had verplicht, wordt vermoed dat men aan beide zijden wist of behoorde te weten dat een zodanige benadeling het gevolg van de rechtshandeling zou zijn. Artikel 3:46 BW, sub 1: bij overeenkomsten, waarbij de waarde der verbintenis aan de zijde van de schuldenaar aanmerkelijk die der verbintenis overtreft (in casu het geval) en sub 3: bij rechtshandelingen, door de schuldenaar die een natuurlijk persoon is, verricht met of jegens: a. een bloedverwant tot in de derde graad (i.c. het geval).
Conclusie: Snelgeld BV kan de overkomst op grond van de actio Pauliana met succes vernietigen en zijn vordering op het aan B overgedragen huis executeren alsof het huis het vermogen van F nooit verlaten heeft. Weliswaar vernietigt een schuldeiser die wegens benadeling tegen een rechtshandeling opkomt, deze slechts te zijnen behoeve en niet verder dan nodig is ter opheffing van de door hem ondervonden benadeling (i.c. max. € 50.000), aldus artikel 3:45, vierde lid, BW maar in casu betekent dat echter praktisch dat indien de executie van het huis namens Snelgeld wordt uitgevoerd, de overdracht aan B geheel ongedaan wordt gemaakt.
NB: in geval van faillissement zal de actio Pauliana door de curator ex artikel 42 e.v. Fw worden overgenomen en doorgezet.