Summary Inleiding in de filosofie 1 reader

-
441 Flashcards & Notes
3 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Inleiding in de filosofie 1 reader

  • 0 Cursussite

  • Leerdoelen


    Kennis en inzicht
    1. U kunt een aantal belangrijke westerse filosofen en de hoofdlijnen van hun werk reproduceren.
    2. U kunt uitleggen wat de kenmerkende denkwijzen en problemen uit de voornaamste perioden van de Europese geschiedenis van de filosofie waren.
    3. U kunt een aantal belangrijke filosofische begrippen en methoden op de juiste manier gebruiken.
  • idealisme
    Dagelijks taalgebruik:

    'het geloof aan een ideaal'

    Filosofie:

    Naam stroming binnen de kenleer
  • Leerdoelen

    Toepassen van kennis en inzicht
    1. U bent in staat om van een aantal belangrijke filosofen uit de westerse traditie de hoofdgedachten weer te geven en hun werk in een cultuurhistorische context te plaatsen.
    2. U bent in staat een aantal overeenkomsten en verschillen tussen hun filosofieën weer te geven.
    3. U kunt onbekende filosofische begrippen opzoeken in filosofische woordenboeken en/of encyclopedieën.
    4. U kunt een beknopte samenvatting maken van een korte filosofische tekst, die voldoet aan de gegeven criteria in het beoordelingsmodel en aan de academische eis van de intersubjectieve controleerbaarheid.​​​​​​​
  • Waarom kan René Descartes worden beschouwd als een rationalist?
    ​​​​​​​Het rationalisme gaat ervan uit:
    • dat de zintuigen ons slechts verwarde of onduidelijke kennis verschaffen en
    • dat al onze kennis daarom afkomstig is van rationele beginselen.
    • Kennis verwerven we volgens rationalisten dus louter met het verstand, en niet met de zintuigen.


    Descartes staat erom bekend dat hij zintuiglijke kennis wantrouwde. 

    In zijn beroemde twijfelexperiment in de Meditaties liet hij zien dat we echte kennis alleen kunnen vinden in onze geest:

    die bevat heldere en welonderscheiden aangeboren ideeën.

    Hij voldoet hiermee aan de definitie van een rationalist.
  • Wat er verwacht wordt:

    Bij het maken van een (proef)tentamen is het van belang dat u de vraag goed leest en deze beantwoord op een:

    • systematische wijze, 
    • stapsgewijs, 



    Wanneer bijvoorbeeld wordt gevraagd waarom René Descartes kan worden beschouwd als een rationalist, dan moet u:


    • eerst uitleggen wat 'rationalisme' inhoudt, 
    • vervolgens geeft u de belangrijkste kenmerken van Descartes' filosofie en 
    • ten slotte concludeert u dat deze kenmerken overeenkomen met het standpunt van de rationalisten.
  • Wat is filosofie?
    De filosofie begint wanneer het vanzelfsprekende tot vraag wordt.

    Het woord ‘filosofie’ drukt een besef van een tekort uit:
    de filosoof verlangt naar wijsheid, maar dat verlangen is nog niet vervuld.

    De filosofie vertrekt dus vanuit een besef van niet-weten of onwetendheid en tegelijkertijd vanuit een verlangen om wel te weten en wijs te worden.

    Die wijsheid probeert zij te bereiken door:
    • op methodische wijze te denken, 
    • middel van een rationele reflectie op de werkelijkheid. 


    Daarbij valt het denken zelf natuurlijk ook onder die werkelijkheid: 
    de filosofie is ook een reflectie op:
    • het denken, 
    • ons denkvermogen en 
    • de manier waarop wij ons als denkende wezens tot de werkelijkheid verhouden.
  • Je zou kunnen zeggen dat de filosofie, zo beschreven, wel wat weg heeft van de Baron van Münchhausen, die volgens de legende zichzelf aan zijn eigen vlecht uit het moeras omhoog trok.

    Reflectie op het denken gebeurt immers ... door te denken. Maar juist omdat de filosofie het denken zelf tot onderwerp van reflectie maakt, vormt zij een goede en noodzakelijke aanvulling op de wetenschappen en onze alledaagse reflecties, die immers allemaal gebruikmaken van het denken.

    Er is in zekere zin dan ook geen andere uitweg uit het moeras: wij kunnen niet uit het moeras stappen en van daaruit het denken onderzoeken, omdat wij niet buiten onszelf kunnen stappen.
  • De meeste wetenschappen, met uitzondering van de wiskunde, zijn in tegenstelling tot de filosofie empirisch van aard.
    Dat wil zeggen dat zij zich op de een of andere manier baseren op gegevens uit de ervaring.

    Er zijn echter vragen die vanuit de (empirische) wetenschappen niet beantwoord kunnen worden:
    • Hoe moeten we juist en rechtvaardig handelen? 
    • Waarom is er iets, en niet veeleer niets? 
    • Wat is de zin van de geschiedenis? 
    • Wat is het wezen van de mens? 
    • Wat is nu eigenlijk ervaring en 
    • Wat moet worden verstaan onder wetenschappelijke ervaringsgegevens? 


    Dergelijke vragen kunnen niet vanuit de ervaring beantwoord worden, omdat het geen vragen over de empirische werkelijkheid zijn, maar bijvoorbeeld over de relatie tussen een kenner en de empirische werkelijkheid. Als we ons met dit soort vragen bezighouden, begeven we ons op het terrein van de filosofie.
  • Het gaat in de filosofie dus
    • niet om feitelijke kennis van bijvoorbeeld bepaalde technische mogelijkheden of van de staatsinrichting van een bepaald land. Zulke feitelijke kennis is het doel en het onderwerp van de verschillende vakwetenschappen. 
    • De filosofie heeft daarom ook geen eigen objectgebied: zij kan zich op elk objectgebied betrekken en kan zich met alles bezighouden. Er is geen onderwerp dat bij voorbaat al van filosofische bezinning is uitgesloten.
    • Filosofen vragen naar de grondslagen, de relevantie en de grenzen van al onze (vak)kennis. 
    • Zij kan dan ook omschreven worden als een onderzoek naar de vooronderstellingen die ten grondslag liggen aan de vragen die in het dagelijkse leven, in de cultuur en in de wetenschappen worden gesteld. 
    • Dit soort vragen is natuurlijk ook niet voorbehouden aan filosofen. Een letterkundige die zich afvraagt wat nu eigenlijk letterkunde is, stelt daarmee een filosofische vraag. Deze vraag kan niet met de letterkundige methode worden beantwoord. Op het moment dat de letterkunde zich met haar eigen vooronderstellingen gaat bezighouden, begint ze te filosoferen. 
  • Omschrijving filosofie
    Een onderzoek naar de vooronderstellingen die ten grondslag liggen aan de vragen die in:
    • het dagelijkse leven, 
    • de cultuur en 
    • de wetenschappen 
    worden gesteld.
  • Het handboek heeft ervoor gekozen de vraag 'Wat is filosofie nu eigenlijk?' te beantwoorden aan het einde van het boek.

    Het gaat er daarbij van uit dat de vraag naar de aard van de filosofie pas na bestudering van de filosofen en denkbeelden uit de wijsgerige traditie goed kan worden beantwoord.

    Het handboek heeft daar wel een punt: immers, om te weten wat auteurs tot filosofen en hun beschouwingen tot filosofie maakt, moeten we eerst kennismaken met die filosofen en beschouwingen.
  • De middeleeuwen is een tijdvak dat nogal eens wordt vergeten wanneer een overzicht wordt gegeven van de geschiedenis van de westerse filosofie. Een van de redenen hiervoor is de sterke verwevenheid van filosofie en theologie in deze periode. Er zijn dan ook historici en filosofen die betogen dat er niet zoiets bestaat als middeleeuwse filosofie. In de middeleeuwen zou alleen maar sprake zijn geweest van theologie.
  • Zo simpel is het echter niet. Een en ander hangt natuurlijk samen met de gehanteerde definitie van 'filosofie'.

    Als filosofie wordt opgevat – zoals het handboek doet – als:

    verwondering en het contrasteren van vanzelfsprekendheden met hun anders-mogelijk-zijn,

    dan is er in de middeleeuwen wel degelijk sprake van filosofie.
  • Afbeelding: De Griekse godin Pallas Athena, dochter van Zeus, afgebeeld met helm en speer, en met de uil van Athene (athena noctua).

    Pallas Athene was de godin van oorlog en vrede, maar ook een Grieks symbool voor wijsheid en de personificatie van de filosofie.
  • Zo werd er veelvuldig nagedacht over de vraag wat waarheid is. Ook de relatie tussen denken en werkelijkheid werd in de middeleeuwen uitvoerig besproken.

    Zo stond in de middeleeuwse logica de vraag in het brandpunt van de belangstelling of

    • algemene termen, zoals 'mens' of 'levend wezen' hun grond vinden in de dingen zelf, die dan een algemene essentie zoals 'mensheid' in zich zouden hebben, of
    • dat het louter namen zijn die wij op basis van conventie aan verschillende individuen toeschrijven, die feitelijk niets met elkaar gemeen hebben (wat dan natuurlijk weer de vraag oproept hoe wij dan een mens van een koe kunnen onderscheiden). 
  • Zelfs de vraag naar de waarheidswaarde van geloofswaarheden:
    zijn deze voor ons evident of niet kan onder deze definitie beschouwd worden als een filosofische; hij gaat immers over geloofswaarheden, voor zover deze te denken geven!

    Een van de grondleggers van de middeleeuwse filosofie was de kerkvader Aurelius Augustinus (354-430).
    Hoewel hij officieel in de oudheid leefde, laat men de middeleeuwse filosofie vaak beginnen met zijn geschriften.


    In hoofdstuk 2 uit het handboek, dat handelt over de middeleeuwse filosofie, komen behalve:
    • Augustinus twee middeleeuwse filosofen in meer detail aan bod: 
    • Thomas van Aquino (1225-1274) en 
    • Willem van Ockham (ca. 1285 - ca. 1348).
  • klopt het dan dat voor Kant hoe je de wereld ervaart afhankelijk is van de waarneming? Want dat is toch zintuiglijk en niet echt het kenvermogen?

    DE waarneming is volgens Kant al gevormd door ons kenvermogen. De vorm waarbinnen zintuigenlijkheid verschijnt (namelijk in ruimte en tijd) is (voor Kant) gestructureerd door ons kenvermogen.

  • Is Kant dan niet vergelijkbaar met Plato: Het onderscheid tussen ideeën en meningen?,

    Plato en Kant liggen best ver uit elkaar (hoewel er zeker ook overeenkomsten zijn hoor). Plato gelooft dat de ideeen in een extra-subjectieve werkelijkheid liggen en dat deze onze waarneming sturctureren terwijl Kant gelooft dat de structuur van waarneming ligt in het subject.
  • Lijkt dit niet op Locke? Van sensations in verstand naar ideeën?

    Kant heeft zeker Locke gelezen - het grootte verschil is echter dat de sensations in Locke van een externe substantie komen terwijl Kant zegt dat we hier niets van kunnen weten (Kant stelt dat we niet zeker kunnen weten dat elk object dat aan ons verschijnt ook echt 1 object in de noumenale werkelijkheid is).

    met extra-subjectieve werkelijkheid bedoel ik de werkelijkheid zoals die bestaat los van de waarneming van een subject/onafhankelijk bestaand
  • Maar bij Locke zit ook een soort mechanisme in je geest neem ik aan.

    Locke gelooft ook in het bestaan van operaties van de geest maar dit is altijd een samenspel tussen een (meer) passieve geest en een actieve externe werkelijkheid die dingen aanreikt aan deze geest. Kant dicht een veel grotere rol toe aan deze geest.
  • het zou dus eigenlijk moeten zijn: de wending vàn het subject?

    Je zou inderdaad ook de wending van het subject kunnen zeggen maar dan neem je al aan dat het subject de basis is. Voor denkers als descartes zou het inderdaad de wending van het subject naar het subject maar voor andere stromingen zou dit wellicht anders gezien worden.

    Zeker hedendaagse filosofie probeert voorbij het menselijke subject te denken als centraal punt.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Maak een samenvatting van de tekst in maximaal 400 woorden (exclusief voetnoten), volgens de richtlijnen die worden gegeven in de Leeswijzer filosofische teksten .
Hieronder volgt een voorbeeldsamenvatting:
Deze tekstpassage van Hume bevat een (fictief) betoog voor een publiek over de reikwijdte van het argument of design. De spreker stelt eerst vast waar hij en zijn publiek het over eens zijn, namelijk dat het voornaamste bewijs voor het bestaan van de goden berust op de harmonie in de natuur: de natuur zit zo harmonieus in elkaar dat daarin tekenen worden gezien van intelligentie en overleg. De spreker gaat ervan uit dat zijn publiek erkent dat dit een argument is van effect naar oorzaak en dat de gevolgtrekking (tot de oorzaak) niet verder mag gaan dan de natuurverschijnselen (het effect) rechtvaardigen. Hij verzoekt zijn publiek om van deze stellingen de gevolgen in te zien.[1]  Als wij een oorzaak uit een effect afleiden, mogen we aan de oorzaak niet meer toeschrijven (meer eigenschappen of meer effecten) dan minimaal nodig is om het effect tot stand te brengen. Deze regel geldt redeloze en intelligente oorzaken.[2] Als de goden de oorzaak zijn van de natuur, mag aan hen dus slechts die graad van macht, intelligentie e.d. worden toegekend die minimaal nodig is om het effect te bewerkstellingen. Ook mogen wij geen nieuwe effecten uit deze oorzaak afleiden, aangezien de oorzaak dan meer zou bevatten dan het effect rechtvaardigt.[3] De spreker stelt vervolgens dat dit wel is wat zijn publiek doet: uit de natuurverschijnselen leidt het een oorzaak af, de goden, en vervolgens wordt zonder fundering gemeend dat deze ‘noodzakelijk iets groters en meer volmaakt moet hebben voortgebracht’.[4] Ook de macht en welwillendheid die aan de goden worden toegeschreven, mogen volgens de spreker niet worden afgeleid uit een wereld waarin kwaad en wanorde welig tieren. De spreker concludeert dat de hypothese van de godsdienst alleen beschouwd moet worden als een bepaalde methode om de zichtbare verschijnselen van het heelal te verklaren, maar dat het volgens de logische redeneermethode niet is toegestaan iets aan de kenmerken van de oorzaak toe te voegen dat niet door de verschijnselen wordt gerechtvaardigd.[5]

[1] David Hume, Het menselijk inzicht. Een onderzoek naar het denken van de mens, J. Kuin vert. (2e, herziene druk; Amsterdam 2002) 174.
[2] Hume, Het menselijk inzicht, 174-175.
[3] Hume, Het menselijk inzicht, 175.
[4] Hume, Het menselijk inzicht, 176.
[5] Hume, Het menselijk inzicht, 177-178.
5b  ARGUMENTATIE MEDITATIESHoe is de argumentatie in dit deel van Descartes’ Meditaties opgebouwd?
3. De lichamelijke natuur in het algemeen en verder de meest eenvoudige en algemene zaken, zoals vorm en kwantiteit, zijn ook niet zeker. Het zou immers zo kunnen zijn dat een machtige geest mij wat betreft deze zaken bedriegt.
  • Descartes concludeert dat geen van de dingen die hij voor waar hield, onbetwijfelbaar en zeker zijn. Hij besluit dan te doen alsof al deze dingen inderdaad geheel en al onwaar zijn, totdat hij iets vindt dat wel zeker is.
  • Dit fundament vindt hij in zijn denken: ook al is er een boze geest die hem bedriegt, Descartes concludeert dat hij het dan toch zeker is die bedrogen wordt.
  • Ten slotte vraagt Descartes zich af wat dit ‘ik’ precies is. Omdat het niet duidelijk is of hij een lichaam heeft of niet (daarin zou de kwade geest hem immers wel kunnen bedriegen), is zijn enige zekerheid dat hij een denkend ding is
5a ARGUMENTATIE MEDITATIESHoe is de argumentatie in dit deel van Descartes’ Meditaties opgebouwd?
  1. Descartes begint zich af te vragen welke dingen die hij voor waar houdt, betwijfelbaar (niet onbetwijfelbaar) zijn. Hij richt zich daarbij op de principes waarop zijn vermeende kennis steunt: de zintuiglijke waarneming, de lichamelijke natuur in het algemeen en de meest eenvoudige en algemene zaken, zoals vorm en kwantiteit.
  2. Op grond van drie argumenten laat Descartes zien dat al deze kennis betwijfelbaar is:
1a) de zintuigen zijn niet volledig betrouwbaar, omdat ze ons soms bedriegen;
1b) bijzonderheden die de zintuigen mij voorspiegelen, zoals de lichamelijke gewaarwording, zouden onwaar kunnen zijn, omdat ik nooit zeker weet of ik niet droom;
4  HOOFDSTELLING MEDITATIESWat is de belangrijkste stelling (of het hoofdargument) in de door u gelezen passage uit Descartes’ Meditaties?
De belangrijkste stelling is dat nadat alles wat onzeker is (d.w.z. niet onbetwijfelbaar is), voorlopig op weloverwogen gronden is verworpen, en er slechts een zekerheid overblijft die Descartes onder geen beding kan betwijfelen. Die zekerheid luidt: ‘zolang ik denk, besta ik’.
6. Maak een samenvatting van de tekst in maximaal 400 woorden (exclusief voetnoten), volgens de richtlijnen die worden gegeven in de Leeswijzer filosofische teksten.
Voorbeelduitwerking:
Op pagina 232 t/m 239 van zijn Meditaties gaat Descartes op zoek naar een fundament voor zekere kennis. Daarmee bedoelt hij kennis die onbetwijfelbaar is. In zijn zoektocht houdt hij al zijn oude meningen kritisch tegen het licht. Descartes gaat daarbij niet al zijn meningen een voor een af, maar richt zich op de principes, dat wil zeggen, de beginselen, waarop zijn vermeende kennis steunt. Immers, als deze principes niet zeker zijn, is ook de kennis die erop voortbouwt, betwijfelbaar.[1] Descartes begint met de zintuiglijke waarneming en concludeert ten eerste dat die ons kan bedriegen en daarom niet kan worden vertrouwd.[2] Vervolgens stelt hij dat zolang we niet met zekerheid kunnen onderscheiden tussen dromen en waken, we geen zekerheid hebben over onze fysieke gewaarwordingen.[3] Hij vraagt hij zich ten slotte af of de beelden in een dergelijke droom dan niet ten minste afspiegelingen zijn van ‘nog eenvoudigere en algemenere dingen’ waaraan we niet kunnen twijfelen. Hiermee bedoelt hij bijvoorbeeld onze lichamelijke natuur, vorm en kwantiteit.[4] Ook hiervan kunnen we echter niet zeker zijn, aldus Descartes. Het zou namelijk zo kunnen zijn dat we worden bedrogen door een machtige geest.[5] Op dit punt in zijn betoog moet Descartes bekennen dat geen van de dingen die hij voor waar hield, onbetwijfelbaar en zeker waar zijn.[6] Hij besluit daarom tijdelijk te doen alsof al deze dingen geheel en al onwaar zijn, totdat hij verlost is van zijn vooroordelen, dat wil zeggen., zijn meningen die door ‘een verkeerde gewoonte’ in stand worden gehouden.[7] Hij zet zijn twijfelexperiment voort, totdat hij op een onbetwijfelbaar fundament zal stuiten.[8] Dit fundament vindt hij in zijn denken: zelfs als er een boze geest is die hem bedriegt, dan is hij het die bedrogen wordt. De uitspraak ‘ik ben, ik besta’ is volgens Descartes noodzakelijk waar, zolang hij dit denkt. Maar wat is dit ‘ik’ nu precies? Descartes oppert drie mogelijke antwoorden: het lichaam, de ervaring en het denken.[9] Volgens Descartes is het niet zeker dat hij een lichaam heeft. De kwade geest zou hem daarin immers kunnen bedriegen. Omdat de ervaring niet bestaat zonder lichaam, valt ook dit antwoord af. Van het denken weet hij zoals eerder gezegd wel zeker dat het tot zijn ‘ik’ behoort. Het antwoord is daarom dat hij ‘in strikte zin alleen maar een denkend ding’ is.[10]
[1] Descartes, ‘Meditaties over de eerste filosofie’ in: Ger Groot en Guido Vanheeswijck ed., De uitgelezen Descartes. Samengesteld, ingeleid en geannoteerd door Han van Ruler (Amsterdam 2001) 232.
[2] Descartes, ‘Meditaties’, 233.
[3] Ibidem.
[4] Descartes, ‘Meditaties’, 234.
[5] Ibidem.
[6] Descartes, ‘Meditaties’, 235.
[7] Descartes, ‘Meditaties’, 236.
[8] Descartes, ‘Meditaties’, 237.
[9] Descartes, ‘Meditaties’, 238-239.
[10] Descartes, ‘Meditaties’, 239.
3BEGRIPPEN MEDITATIESWelke belangrijke begrippen gebruikt Descartes in de door u gelezen passage uit de Meditaties? Leg deze begrippen uit.
Hier volgen een paar voorbeelden (er zijn nog andere mogelijk!):
  1. Een belangrijk begrip voor Descartes is ‘zekerheid’. Hieronder verstaat hij onbetwijfelbare kennis.
  2. Onder ‘vooroordeel’ verstaat hij een mening die op grond van een verkeerde gewoonte (dus niet vanwege de zekerheid van de betreffende mening) in stand wordt gehouden.
  3. ‘Uitgebreidheid’ is de term die Descartes gebruikt voor de lichamelijke extensie, ofwel het innemen van ruimte.
  4. Onder ‘lichaam’ verstaat hij alles wat ondoordringbaar is voor andere lichamen, wat door vorm wordt begrensd en door plaats afgebakend.
2PROBLEEMSTELLING MEDITATIESWat is de probleemstelling of vraag in dit gedeelte uit Descartes’ Meditaties?
De probleemstelling of vraag die Descartes in deze passage uit de Meditaties centraal stelt, is de volgende:
Is er onder alles wat ik voor waar houd een mening te vinden die geheel en al onbetwijfelbaar is, of is al mijn vermeende kennis onzeker?
1. ONDERWERP MEDITATIESWat is het onderwerp van dit gedeelte uit Descartes’ Meditaties?
Het onderwerp van dit gedeelte uit DescartesMeditaties is de fundering van zekere kennis, ofwel een zoektocht naar welke dingen wel, en welke dingen niet betwijfelbaar zijn, met als doel te komen tot een fundament van zekere kennis.
Maak een samenvatting van maximaal 450 woorden van deze tekstpassage uit het voorwoord tot Kants Kritiek van de zuivere rede. Neem hierbij de regels uit de Leeswijzer in acht.NB. De tekst van Kant is van een behoorlijke moeilijkheidsgraad. Wanhoop daarom niet als het niet meteen lukt om de kern van zijn betoog te vatten.





In het voorwoord tot zijn Kritiek van de zuivere rede definieert Kant de metafysica als een speculatieve kennis van de rede, die zich louter op begrippen baseert en tot nog toe geen wetenschappelijke status heeft kunnen verwerven.[1] Hij vraagt zich af of een wetenschappelijke status voor de metafysica mogelijk is. Kant gaat voor een antwoord op deze vraag te rade bij de revolutionaire veranderingen in de wiskunde en natuurwetenschappen. Tot dusver nam men volgens Kant aan dat  het kennen zich dient te richten naar de objecten. Kant stelt voor dat we deze verhouding omkeren en dus aannemen dat de objecten zich moeten richten naar het kenvermogen. Dit zou beter aansluiten bij de wens tot a priori kennis te komen, aangezien zulke kennis iets vastlegt over de objecten voordat die ons gegeven zijn. Kant vergelijkt deze herziening van het beeld van het kennen met de theorie van Copernicus, die – om te komen tot een consistente verklaring van de bewegingen van de hemellichamen – beweging toeschreef aan de waarnemer op aarde.
Wat voor de aanschouwing geldt, geldt volgens Kant ook voor de begrippen: die richten zich niet naar het object (wat mij de mogelijkheid zou ontnemen er a priori kennis van te hebben), maar de objecten richten zich naar de begrippen. Ervaring, stelt Kant, is namelijk een manier van kennen die verstand vereist. De regels van dat verstand moeten we nu in onszelf veronderstellen, voorafgaand aan de ervaring.[2]
Ten slotte wijst Kant op de objecten die noodzakelijk door de rede worden gedacht, die  echter niet in de ervaring gegeven zijn.[3] De pogingen om deze objecten te denken geven ons volgens Kant een criterium voor onze veranderde denkwijze: wij kennen alleen datgene a priori van de objecten, wat wij er zelf hebben ingelegd.
De metafysica, voor zover die zich met a priori begrippen bezighoudt waarvan de corresponderende objecten ons in de waarneming gegeven worden, bewandelt volgens Kant dus de weg van de wetenschap, omdat ze tot a priori kennis komt. We kunnen echter met ons kenvermogen nooit de grens van de ervaring overstijgen. Kennis richt zich op de verschijnselen en niet op de dingen zoals ze op zichzelf zijn. De speculatieve rede heeft geen kennis van het bovenzintuiglijke. Kant voegt daaraan toe dat we nog wel kunnen proberen met de praktische rede tot een dergelijke a priori kennis van het bovenzintuiglijke te komen.
[1] Immanuel Kant, ‘Voorwoord tot de tweede druk’ in: idem, Kritiek van de zuivere rede, Jabik Veenbaas & Willem Visser, vert. (Amsterdam 2004) 75.
[2] Kant bedoelt hier de categorieën van het verstand.
[3] Kant heeft hier de ideeën van de rede op het oog.
Hoe wordt dit de onderstaande stelling door Kant beargumenteerd? Met andere woorden: hoe komt Kant tot deze stelling? Hier volgt nogmaals het citaat:Als de aanschouwing zich moet richten naar de hoedanigheid van de objecten, zie ik niet in hoe men a priori iets over die objecten zou kunnen weten; als echter het object (als object van de zintuigen) zich richt naar de hoedanigheid van ons vermogen tot aanschouwing, kan ik me die mogelijkheid heel goed voorstellen. 
[1] Kant raadt eerst aan om de revolutionaire veranderingen in de wiskunde en natuurwetenschappen tot voorbeeld te nemen, wil de filosofie de status van een wetenschappelijke theorie bereiken.


[2] In navolging van de natuurwetenschappen stelt Kant nu een herziening voor van de gangbare opvatting van kennen. Die gangbare opvatting stelt dat het kennen zich dient te richten naar de waarnemingsgegevens. Kant stelt voor dat we deze verhouding omkeren en dat we dus moeten aannemen dat het gegevene zich moet richten naar het kenvermogen, met andere woorden: dat het gegevene wordt gevormd door de aanschouwing en de begrippen van ons denken.


[3] Kant vergelijkt deze herziening van de gangbare opvatting van kennis met de theorie van Copernicus. Copernicus heeft immers – om te komen tot een consistente verklaring van de bewegingen van de hemellichamen – beweging ook toegeschreven aan de waarnemer, dat wil zeggen: aan de aarde, terwijl voordien het dogma gold dat de aarde stilstond.


[4] In het genoemde kerncitaat legt Kant vervolgens uit wat die omkering van ‘aanschouwing’ en ‘object’ teweeg brengt: de mogelijkheid om a priori iets over de objecten te kunnen zeggen dat iets toevoegt aan onze kennis van de wereld.