Summary inleiding in de neuropsychologie en farmacologie Class notes

Course
- inleiding in de neuropsychologie en farmacologie
- Susan van Hooren
- 2013 - 2014
- Open Universiteit
- Psychologie
256 Flashcards & Notes
3 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - inleiding in de neuropsychologie en farmacologie Class notes

  • 1400018400 inleiding in de neuropsychologie en farmacologie

  • Wat is klinische neuropsychologie?

    Het wetenschapsgebied waar de relaties tussen hersenstoornissen en gedrag bestudeerd worden. Drie vormen: diagnostiek, begeleiding en behandeling.

  • Hoe komt het dat de neuropsychologie in populariteit toeneemt?

    1. Mensen worden steeds ouder door hygiëne etc. (met ouderdomsgevolgen), maar hebben ook meer overlevingskansen bij bijvoorbeeld een herseninfarct.

    2. Onderzoek en de praktijkbeoefening zijn verbreed naar allerlei patiëntengroepen die vroeger ‘oninteressant’ gevonden werden, bijv. patiënten met traumatisch hoofd- en/of nek letsel, patiënten met dementie, psychiatrische ziektebeelden.

  • Wat houdt functieanalyse in (de eerste stap vd BIG FIVE)

    Analyseren van het gestoorde en intact gebleven gedrag

     

  • Wat verschilt de neuroloog vd neuropsycholoog?

    Neuroloog kijkt objectief naar de hersenen en de psycholoog kijkt naar de gedragsverandering (=subjectiever).

     

  •  Stap 2 vd BIG FIVE is ecologische relevantie specificeren. Dat is?
    Welke consequenties heeft het gestoorde en intact gebleven gedrag voor  het dagelijkse leven
  • Een neuropsycholoog draagt ook bij aan de medische diagnostiek. Stap drie van THE BIG FIVE. Hoe?
    Door het nagaan wat het patroon is van het gestoorde en intact gebleven gedrag; daarnaast kijkend naar de aard, plaats en omvang van de hersenstoornis.
  • Samen met een multidisciplinair team wordt er een prognose gesteld. Wat is hierin de taak vd neuropsycholoog (stap 4 vd BIG FIVE)

    Het bestuderen van de veranderlijkheid en de veranderbaarheid van de geconstateerde gedragsmogelijkheden en –beperkingen
  • En dan de laatste stap vd Big FIvE: begeleiding en behandeling. Welke taken vallen hieronder?
    Ontwikkelen, toepassen en evalueren van vormen van begeleiding en behandeling.

        
  • Wat is een functiestoornis in de psychologie?

    Gedragsbeperkingen die ten gevolge van hersenletsel optreden. Het betreft hier meestal meerdere domeinen, zoals bewustzijn, waarneming, denken, voelen, taal, herinneren, leren en willen, waardoor men beter van een functiedomein kan spreken.
  • Wat is het nadeel van de ICF classificatie voor de neuropsychologie?
    'Gedrag' kun je eigenlijk niet onder 'functiestoornis' neerzetten.

    We spreken niet in orgaantermen, hoewel dit verleidelijk is (bijv. minimal brain dysfunctie, terwijl men een stoornis in de aandacht of motoriek bedoelt).

  • Hoe is de neuropsychologie lokaliserend ?
    Het gaat om gedragingen en gedragsstoornissen die (voor zover mogelijk) in verband kunnen worden gebracht met het (dis)functioneren van één bepaald orgaan: de hersenen.

    Want: neuropsychologie = de expliciete pogingen om de relaties tussen hersenen en gedrag wetenschappelijk te verduidelijken.

  • Welk gebied lokaliseerde Paul Broca?
    Het TAALgebied: linker frontaalkwab
  • Wat is lokalisatie van de functiestoornis (klinische neuropsychologie)
    M.b.v. neuroimaging-onderzoek (PET, MRI) kan men registreren welke hersendelen meer dan andere geactiveerd worden bij bepaalde taken (en welke dus bij een functie(stoornis) betrokken zijn).

    Een empirische vraag hierbij is : in hoeverre zijn bepaalde gedragsafwijkingen te verklaren door stoornissen van specifieke onderdelen van de hersenen? In tegenstellingen tot gedragsstoornissen die veroorzaakt zijn door afbraak van het geheel.

  • Welke 2 soorten dissociaties zijn er?
    Er zijn 2 soorten dissociaties:

    1.    enkelvoudige dissociatie: patiënt(en) met laesie X vertoont een functiestoornis op taak A (bijv. planningstest), maar niet op taak B (bijv. ruimtelijke test).

    2.   

    dubbele dissociatie: hierbij moet aangetoond worden dat bij andere patiënt(en) met een letsel op een andere plaats (laesie Y ipv X), het patroon precies omgekeerd is. In dit geval geen stoornis bij taak A (planningstest), maar wel bij taak B (ruimtelijke test).

    Via de dubbele dissociatie kan het beste verklaard worden of bepaalde gedragsafwijkingen te verklaren zijn door specifieke onderdelen vd hersenen of wel stoornissen van de hersenen als geheel.

     

    Een belangrijk methodologische principe bij het aantonen van zulke verbanden is de ‘dubbele dissociatie’.

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

  • Luria probeerde een evenwicht te vinden tussen de holistische benadering en de localisatie vd hersenen. Hij maakte een drie-indeling van de structuur / architectuur vd hersens. Welke drie klasses zijn dat?

    Volgens Luria kunnen de hersenen gezien worden als een complex functioneel systeem dat flexibel en adaptief is. Binnen dit systeem leveren diverse subsystemen een eigen bijdrage aan de gezamenlijke activiteit. Hij veronderstelde drie globale indelingen.

    Ten eerste ging hij uit van drie eenheden (subcorticaal, posterieur en anterieur) die constant samenwerken.

     

    De tweede indeling betrof drie hiërarchische niveaus van verwerking (primair, secundair en tertiair).

     

    De laatste betrof een indeling waarbij gedrag al dan niet gereguleerd wordt door taalprocessen, gerelateerd aan de linker hemisfeer en gedrag gerelateerd aan de rechter hemisfeer.

     

    Daarnaast vatte hij de hersenen op als zeer flexibel en adaptief.

     

  • Tevens maakte Luria onderscheid in eenheden en zones. Wat zijn de precieze taken?
    Bij iedere mentale activiteit zijn deze functionele eenheden betrokken:

    a.    1e eenheid dient voor de regulatie van waakzaamheid en aandacht. Stoornissen hierin worden veroorzaakt door letsels in de hersenstam, het diencefalon en de mediale hersengebieden (subcorticaal).

    b.    2e eenheid is cognitieve informatieverwerking (waarneming, verwerking en opslag van informatie). Stoornissen wijzen op letsels achter de centrale fissuur: de posterieure gebieden van de laterale cortex (posterieur).

    c.    3e eenheid dient voor de organisatie van gedrag (planning, regulatie en monitoring van doelgerichte activiteiten). Stoornissen wijzen op letsels in de gebieden vóór de centrale fissuur: de motorische, premotorische en prefrontale cortex (anterieur).

     

    Binnen deze eenheden kan onderscheid gemaakt worden tussen primaire, secundaire en tertiaire zones, maar dit werd alleen uitgewerkt voor de 2de en 3de eenheid.

      De primaire zones:  zintuigen en motoriek (dus de visuele, auditieve en sensibele gebieden in de 2e eenheid en het motorische gebied in de 3e eenheid). De secundaire zones :  betrokken bij de verdere verwerking van, en betekenisverlening aan, de binnenkomende informatie De tertiaire zones zijn de overblijvende gebieden: het temporo-partiëto-occipitale overgangsgebieden en de prefrontale cortex. Dit zijn de meest specifiek menselijke structuren, die noodzakelijk zijn voor cognitieve integratie het vormen van intenties en plannen en het evalueren van het eigen gedragen .
  • Welke 5 hoofdzonden kent de klinische psychologie?
    De meest gemaakte fouten :

    1)    Een symptoom beschouwen als bewijs voor de oorzaak (wanneer A leidt tot B, dan wijst B niet noodzakelijk op A).

    2)    Denken dat een bepaalde meting een vaststaande betekenis heeft.

    3)    Menen dat subjectieve gegevens, dus klachten en mededelingen van de patiënt zelf, een betrouwbare indruk van functiestoornissen kunnen opleveren.

    4)    Statistische significantieniveaus aanzien voor een aanduiding van de sterkte van een verband of de grootte van een verschil.

    5)    Geloven dat de verschijnselen, dissociaties of dubbele dissociaties die men bij patiënten constateert in de normale populatie niet voorkomen.

     

  • Wat meende Goldstein met zijn organiciteits-idee?
    Hij meende dat alle hersenbeschadigingen een gemeenschappelijke psychische stoornis tot gevolg moesten hebben, een stoornis die werd aangeduid als het verlies van ‘abstracte attitude’ (1940 VS 1955 NL).
  • Drie hoofddoelen van de klinische neuropsychologie zijn:

    1)    Uitvoeren van een psychologische functieanalyse

    2)    Bijdragen aan multidisciplinaire of medische diagnostiek

    3)    Behandelen en begeleiden

  • Een test kan nooit op zichzelf geïnterpreteerd worden. Dat heeft te maken met de stoorfactoren die er bestaan. Welke belangrijke stoorfactoren zijn er?

    1.    Neuropsychologische stoornissen (bijv. bewustzijn van de patiënt is niet helder door psychofarmaca, mentale moeheid, moeite om inspanning en concentratie op te brengen, verkeerd begrepen instructie door afasie of geheugen patiënt).

    2.    Emotionele factoren. De stemming en de attitude van de onderzochte ten aanzien van het onderzoek. Vier factoren zijn hierbij van belang: motivatie (als de motivatie te gering is, moet het onderzoek als mislukt worden beschouwd), faalangst (bijv. bij confronterende tests), aggravatie (onderpresteren) en emotionele preoccupaties (afleiding door slecht nieuws, angsten, depressie, psychose).

    3.    Culturele achtergrond (bijv. taalprobleem).

    4.    Perifere stoornissen (bv. gehoor of visus problemen)

     

  • Verkeerde interpretaties, oftewel false negatives en false positives. Wat houdt het in en hoe kan het bestreden worden?

    False positive: een hersenaandoening signaleren die er niet is. Kan worden bestreden door objectief te blijven in het rapport.

    False negative: een hersenaandoening 'over het hoofd zien'. Door onvoldoende kennis en praktijkervaring vd psycholoog. Bijvoorbeeld: client heeft een hoog IQ, dus niets aan de hand.

    Kan bestreden worden door meer praktijkkennis in de opleiding op te bouwen en een goed testbatterij in te schakelen.

     

    Voorbeelden False Positives:

    - De neuropsychologische stoornissen kunnen op zichzelf een vertekening geven van de neuropsychologische testresultaten, bijvoorbeeld bij lichte afasie kunnen patiënten de testinstructies wellicht niet begrijpen.

    - Emotionele factoren kunnen het neuropsychologisch onderzoek beïnvloeden; zo kan bijvoorbeeld een gebrek aan motivatie leiden tot slechtere resultaten.

    - Er dient binnen een neuropsychologisch onderzoek rekening te worden gehouden met emotionele preoccupatie, zoals bij een patiënt die zojuist te horen heeft gekregen dat hij een bepaalde ziekte heeft.

    - De culturele achtergrond kan leiden tot een vertekend beeld geven van de testresultaten, zoals bij allochtonen die de Nederlandse taal niet goed beheersen. 

    - Perifere stoornissen kunnen de resultaten beïnvloeden, bijvoorbeeld door een slechte visus of slecht gehoor kan de test of de testinstructie niet optimaal worden waargenomen.

  • Het zou mooi zijn om voor ieder ziektebeeld een standaardtestbatterij voorgesteld te krijgen. Wat zijn de bezwaren hiertegen?

    1.    Ze zijn vaak niet gericht op specifieke defecten, die kenmerkend zijn voor de aandoening. De meest voorkomende restverschijnselen zijn aspecifiek, dat ze zich in diverse functiedomeinen manifesteren. De testbatterij die men hanteert moet in elk geval diverse geheugentest en test van tempo en aandacht bevatten.

    2.    Het leidt tot een rigide, ‘kookboekachtige’ aanpak, want ieder antwoord ligt al ‘klaar’.

    3.    Het kan remmend werken op de verdere ontwikkeling van de diagnostiek.

  • Een belangrijke taak voor de neuropsycholoog is het onderzoek naar persoonlijkheidsverandering. WELKE problemen en tevens oplossingen zijn hierbij veelvoorkomend?

    ·         Men heeft weinig of niets aan persoonlijkheidsvragenlijsten, deze instrumenten zijn niet in staat om zeer typische veranderingen door hersenaandoeningen te vangen.

    ·         Persoonlijkheidsveranderingen gaan gepaard met gebrek aan ziekte inzicht.

     

    Voor het oplossen van dit probleem bestaan volgende remedies:

    ·         Ervaring opdoen, alleen een lange klinische training kan een psycholoog scholen in het zien van de typische gedragsveranderingen door hersenletsels en –ziekten.

    ·         Heteroanamnese afnemen, men interviewt een huisgenoot of de partner van een patiënt over eventuele veranderingen in gedrag.

  • welke taken kan de neuropsycholoog hebben bij het 'omgaan met restverschijnselen' ?
    1. Evaluatie van de behandeling

    Uitzoeken wat het effect vd behandeling kan zijn. Het voordeel van dit pre-post-onderzoek is dat de patiënt zelf in controle blijft en men over het algemeen betrouwbare uitspraken over veranderingen kan doen. Voorwaarde is dat de hertest-effecten bij de gebruikte test bekend zijn.

     

    2. Monitoring van verandering

    Bij ziektebeelden die herstel of progressie vertonen kan de neuropsycholoog nuttig werk verrichten, omdat hij de middelen heeft om veranderingen met test te objectiveren. De vraagstelling naar verandering, hierbij kan men op een later tijdstip nogmaals enige begeleiding bieden en praktische problemen bespreken.

    3.Indicatiestelling voor revalidatie

    Revalidatie-instellingen vragen naar de leerbaarheid van de patiënt, het gaat hier om de intelligentie, motivatie en persoonlijkheid en de aard en mate van defecten. Op het terrein van geheugen is van belang in hoeverre declaratief-, procedureel geheugen en impliciet leren mogelijkheden bieden.

     

    4. Advisering taakhervatting

    Een andere bijzondere vraagstelling is de vraag naar taakhervatting, hier speelt werkhervatting de grootste rol, het gaat om de vraag of de patiënt zijn werk weer kan hervatten en op welke manier.

     

    5. Bijdrage aan Multidisciplinaire diagnostiek

     

  • Welke 2 subdoelen horen bij de bijdrage van de multidisciplinaire diagnostiek?

    1.    Het zoeken naar bewijzen naar hersenaandoening, ondanks dat soms de 'klachten' als normaal gezien worden. De psycholoog moet zoeken naar een verklaring voor het feit dat de patiënt klaagt over functies die met objectieve middelen normaal bevonden zijn.

      2. het doen van suggesties over de aard van die aandoening. Dus vanuit de eigen gegevens op gedragsniveau meedenken.  Tot 1975 hoorde lokalisatie hier ook bij, maar dat is achterhaald door de ontwikkeling van de CT- en MRI-scan.
  • In welke organisaties kunnen neuropsychologen werkzaam zijn?
    Neuropsychologen kunnen in verschillende organisaties werken, enkele voorbeelden zijn:

    - afdeling medische psychologie van een ziekenhuis

    - geheugenpolikliniek van een ziekenhuis

    - psychiatrische instelling

    - onderzoeksinstituut

    - universiteit als onderzoeker of docent

    - scholengemeenschap met (zeer) moeilijk lerende kinderen.

  • Geef een voorbeeld vd ICF indeling mbt de ziekte Alzheimer

    Classificatie: De ziekte van Alzheimer leidt tot aandoeningen in de hersenen (stoornis); daardoor ontstaan er problemen in het geheugen (functionele beperking); dit kan zorgen voor beperkingen in het dagelijks leven, zoals bij het onthouden van een boodschappenlijst of het onthouden van gebeurtenissen. Uiteraard kunnen deze beperkingen in het dagelijks leven ook op sociaal vlak gevolgen hebben, bijvoorbeeld door zich terug te trekken en geen sociale aangelegenheden meer aan te gaan

  •  Welke vragen moet de psycholoog zich binnen zijn/haar werk vaak stellen?

    De volgende vragen:

    - Wat zijn de resterende mogelijkheden van de patiënt?

    - Wat is de prognose voor deze patiënt?

    - Zijn de subjectieve klachten te objectiveren?

    - Heeft de behandeling effect?

    - Zijn er veranderingen te objectiveren wat betreft het cognitief functioneren?

    - Is de patiënt in staat om informatie te leren?

    - In hoeverre kan de patiënt zijn taken/werk hervatten?

    - Zijn er effecten te verwachten op het rijgedrag?

  • Wat betreft de lokalisatie van een laesie, steekt het neuropsychologisch onderzoek in zijn mogelijkheden schraal af bij de medische onderzoekstechnieken. Waarom moet een klinisch neuropsycholoog dan toch kennis hebben van neuroanatomie en neurologie?
    Omdat:
    -
    men dan op basis van de functionele anatomie op de hoogte is van wat men bij een bepaalde laesie of ziekte kan verwachten
    -
    de communicatie tussen arts en psycholoog dan efficiënter verloopt
    -
    deze kennis ook van belang is om te slechte testprestaties te onderkennen.
  • Welke elementen komen aan bod bij een neuropsychologisch onderzoek?

    De volgende:


    - Anamnese, een gesprek waarbij de klachten in kaart worden gebracht. Voor de neuropsycholoog is niet alleen de informatie die de patiënt geeft van belang, maar ook zijn indruk van de patiënt (bagatelliserend, overdrijven van de klachten, gemotiveerd, mate van inzicht in de klachten). Ook is het mogelijk dat een heteroanamnese plaatsvindt. Van belang is om bij een heteroanamnese na te gaan in hoeverre er veranderingen zijn in persoonlijkheidskenmerken, problemen ten aanzien van planning, gedragsregulatie en sociaal onaangepast gedrag. Dit wordt meestal niet door de patiënt waargenomen of gerapporteerd. Ook wordt bekeken hoe de omgeving omgaat met de klachten of problemen.
    - Gedurende het hele onderzoek vindt er observatie plaats; bijvoorbeeld beoordeling van werkhouding en werkwijze tijdens het uitvoeren van tests.
    - Er worden tests afgenomen.
    - Er dienen vragenlijsten te worden ingevuld.
    - Na het scoren en interpreteren van al deze gegevens, vindt er een terugrapportage plaats. En krijgt de patiënt de resultaten te horen.

  • Welke criteria zijn belangrijk bij het samenstellen van een testbatterij?

    - hoge test-/hertestbetrouwbaarheid

     - laag hertesteffect

     - beschikbaarheid van goed gevalideerde parallelle versies

     - goede validiteit

     - hoge sensitiviteit  en specificiteit

     - geen plafondeffecten of bodemeffecten

     - goede en gedetailleerde normgegevens

     - standaardmeetfout van de test bekend

     - responsiviteit van de test bekend.

  • Wat is het voornaamste verschil tussen de NVN en de sectie van het NIP?
    De NVN ondersteunt meer de wetenschappelijke activiteiten rondom neuropsychologie en het NIP is een beroepsvereniging die zich inzet voor algemene aspecten rondom de neuropsychologie.
  • Welke belangrijke richtlijnen heeft de NIP opgesteld?

    Het NIP heeft de volgende richtlijnen opgesteld:


    - Algemene Standaard Testgebruik NIP: is een concrete uitwerking van standaarden en richtlijnen voor psychodiagnostisch onderzoek. Het geeft criteria van adequaat en verantwoord professioneel handelen, die als leidend principe kunnen gelden bij de invulling en uitvoering van het neuropsychologisch onderzoek.

    - Commissie Testaangelegenheden Nederland: beoordeling van psychodiagnostische instrumenten (tests, vragenlijsten) aan de hand van criteria als testconstructie, uitvoering van de handleiding en testmateriaal, betrouwbaarheid, validiteit en beschikbaarheid van normen.

    - Sectie Neuropsychologie van het NIP geeft richtlijnen uit, opgesteld door deskundigen, voor een breed scala aan ziektebeelden en aandoeningen (bijvoorbeeld aspecten voor de (hetero)anamnese, onderzochte functies, aanbevolen tests en vragenlijsten, behandelvoorstellen en verwijssuggesties).

  • Het belangrijkste algemene doel van revalidatie is het helpen van de patiënt in het bereiken van een zo groot mogelijke onafhankelijkheid en een zo zinvol mogelijk bestaan. Welke vier subdoelen heeft een behandeling over het algemeen?

    Een neuropsychologische behandeling van een patiënt kent in het algemeen de volgende subdoelen:


    - het geven van inzicht in de klachten en geruststellen, een voorbeeld hiervan is een geheugenbehandeling voor gezonde ouderen met geheugenklachten

    - verbetering bewerkstelligen wat betreft specifieke taken, bijvoorbeeld het bereiden van een maaltijd

    - specifieke domeinen proberen te verbeteren, bijvoorbeeld het leren onthouden van namen

    - functieverbetering, bijvoorbeeld verbetering van executieve functies.

  • Het grootste belang van cognitieve revalidatie is het leren omgaan met beperkingen. Waarom is dit zo belangrijk en hoe kan dit toegepast worden?
    Het leren omgaan met de beperkingen is van groot belang, omdat is gebleken dat het erg lastig is om specifieke functies te herstellen of te verbeteren. Het leren omgaan met die beperkingen kan op verschillende manieren tot stand worden gebracht, zoals het geven van inzicht waardoor patiënten en omgeving meer begrip krijgen voor de situatie en de handicaps. Door specifieke activiteiten te oefenen waar groei bij mogelijk is, kan gezorgd worden dat ze letterlijk beter kunnen omgaan met de handicap. Wanneer een bepaald vermogen helemaal is weggevallen en er dus geen verbetering mogelijk is, dan zouden taken op een andere manier moeten worden uitgevoerd (i.e. compensatie).
  • Noem / leg uit: drie theorieën over herstel.

    De artefacttheorieën: deze theorieën gaan uit van primaire stoornissen, die direct het gevolg zijn van beschadigde hersendelen, en secundaire stoornissen als uiting van tijdelijke fysiologische ontregeling van de hersenen. Alleen de secundaire stoornissen verdwijnen in de loop van de tijd, terwijl de primaire stoornissen niet herstellen.

     

    Anatomische reorganisatie van functies, bijvoorbeeld door neural sprouting neuronal unmasking en denervation hypersensitivity.(duidt op veranderingen in de organisatie van de hersenen van individuen als gevolg van ontwikkeling, leren of ervaring )

     

    Een derde theorie betreft de compensatie of reorganisatie, doordat de patiënt een andere manier leert om tot hetzelfde resultaat te komen.
    Bijvoorbeeld: een patiënt die door een herseninfarct niets kon waarnemen in een deel van het visuele veld, kon de eerste weken niet lezen en had zeer veel moeite met het herkennen van gezichten. Na verloop van tijd herstelden deze problemen. Deze patiënt leerde onbewust om zijn visuele veld te richten op gedeelten van een woord of gezicht, zodat hij de relevante informatie kon waarnemen in het onderste visuele vel. Als hij naar een gezicht keek, richtte hij zijn blik bijvoorbeeld op het rechteroog. Hierdoor werd het grootste deel van het gezicht in het functionele deel van het visuele veld geplaatst, waardoor de patiënt het gezicht toch kon herkennen.

  • Bij sommige patiënten komt meer spontaan herstel voor dan bij andere. Welke kenmerken hebben invloed op de mate van spontaan herstel?
    Kenmerken die invloed hebben op de mate van spontaan herstel zijn:
    - ernst en omvang van het letsel
    - premorbide conditie
    - snelheid van het ontstaan van het letsel
    - lokalisatie
    - mogelijk ook de oorzaak
    - de mate van geautomatiseerdheid
    - tijd sinds acquisitie
    - de mate waarin het gedrag op verschillende manieren gerealiseerd kan worden
    - de ernst of breedte van de functiestoornis
    - leeftijd
    - handvoorkeur
    - geslacht
    - opleidingsniveau.
  • Bij welke behandelmethoden hoort elke behandeling?

    1  ADHD-patiënten aanleren dat ze eerst moeten denken en dan pas handelingen moeten uitvoeren. Naast dit onderdeel van de therapie krijgen de ouders van de patiënten ook meer informatie over de ziekte en de gevolgen ervan voor het dagelijks leven.

    2  Een patiënt die veel moeite heeft om nieuwe informatie te onthouden gebruikt een memorecorder, waarin hij zijn activiteiten van elke dag inspreekt. Op deze manier weet hij wat hij wanneer heeft gedaan, hoe laat hij heeft gegeten, wat hij heeft gegeten, ed. Het heeft deze patiënt wel de nodige inspanning gekost om hiermee te werken. Hij heeft veel moeten oefenen met dit apparaat, voordat hij er daadwerkelijk profijt van had.

    3  Men gaat ervan uit dat het uitvoeren van verschillende activiteiten en hobby’s positieve effecten kan hebben op het cognitief functioneren.

    1. ADHD-patiënten aanleren dat ze eerst moeten denken en dan pas handelingen moeten uitvoeren (compensatiemethoden-cognitieve strategieën). Naast dit onderdeel van de therapie krijgen de ouders van de patiënten ook meer informatie over de ziekte en de gevolgen ervan voor het dagelijks leven (voorlichting en begeleiding).

    2  Een patiënt die veel moeite heeft om nieuwe informatie te onthouden gebruikt een memorecorder, waarin hij zijn activiteiten van elke dag inspreekt. Op deze manier weet hij wat hij wanneer heeft gedaan, hoe laat hij heeft gegeten, wat hij heeft gegeten, en dergelijke. (compensatie-extern hulpmiddel). Het heeft deze patiënt wel de nodige inspanning gekost om hiermee te werken. Hij heeft veel moeten oefenen met dit apparaat, voordat hij er daadwerkelijk profijt van had (oefenen en automatiseren).

    3  Men gaat ervan uit dat het uitvoeren van verschillende activiteiten en hobby’s positieve effecten kan hebben op het cognitief functioneren (activeren en stimuleren).

  • Wat zijn belangrijke voorbeelden van neuropsychologische behandelingen en methodieken?

    Breingrepen, waaronder psycho-educatie, handvatten om beter om te gaan met cognitieve problemen, assertiviteitstraining, erbij betrekken van partners (voorlichting en begeleiding).

     

     

    Intensief cognitief programma

     

     

    Individuele behandelprogramma’s:

     - het hanteren van een (elektronische) agenda (compensatie middels extern hulpmiddel)

    - specifieke programma’s, het leren herkennen van gezichten (gericht leren van cognitieve strategieën).

  • Tijdens de groepsbehandeling van een CVA patiënt  bleek dat deze patiënt erg prikkelbaar en driftig kan reageren op uitspraken van de therapeut en de andere patiënten, bovendien blijkt hij niet echt gemotiveerd te zijn. De therapeut houdt een individuele bijeenkomst voor hem. Hoe pakt een therapeut dit aan?

    De behandelaar kan de motivatie van de patiënt bespreken en een aantal methoden gebruiken om de patiënt meer gemotiveerd deel te laten nemen. Dit kan hij bewerkstelligen door de patiënt zelf de behandeldoelen te laten bepalen, het oefenmateriaal te individualiseren, de te leren vaardigheden of strategieën te vereenvoudigen en het niveau van de behandeling aan te passen.

     

    Daarnaast zal de behandelaar zijn prikkelbaarheid benoemen en deze in individuele sessies behandelen.

  • Hoe ziet een onderzoeksdesign eruit voor het meten van een groepsbehandeling?

    Aangezien het een groepsbehandeling is, is een gecontroleerd groepsonderzoek de meest geschikte methode. De behandelaar moet een grote groep mensen screenen en selecteren die baat kunnen hebben bij de interventie. Vervolgens is de beste methode om de personen willekeurig onder te verdelen in een groep die de behandeling mag volgen en een groep die op een wachtlijst staat en pas aan het eind van het onderzoek de behandeling mag volgen. Verder is het aan te raden dat de behandelaar een voormeting verricht en een of twee nametingen

  • Welke factoren kunnen een positief effect verklaren, losstaand vd behandeling?
    De volgende: 

    - het Hawthorne-effect: de aandacht en tijd die wordt gegeven aan de patiënten kan ook al voor positieve effecten zorgen

    - oefening

    - spontaan herstel

  • Wie is Oliver Sacks?

    Oliver Sacks is een neuroloog. Gedurende zijn werk heeft hij vele patiënten onderzocht met buitengewone afwijkingen. Bijvoorbeeld patiënten die lange tijd in een bevroren toestand verkeerden en geen bewegingen konden maken. Deze groep leidde tot zijn boek Awakenings.

     

    Als arts en schrijver, heeft Sacks zich beziggehouden met de manier waarop patiënten overleven en zich aanpassen aan neurologische ziekten. Bij de ziektebeelden betrekt hij altijd de relatie tussen het brein en het gedrag. Zijn boeken zijn bestsellers over de hele wereld.

     

    Oliver Sacks heeft zoal de volgende boeken geschreven:

     - Een antropoloog op mars

     - Ontwaken in verbijstering

     - Het eiland der kleurenblinden

     - Migraine

     - Een been om op te staan

     - Stemmen zien

     - De man die zijn vrouw voor een hoed hield

  • Sien:

    Als gevolg van haar hersenbloeding heeft Sien problemen meerdere objecten waar te nemen. Zo kan ze bijvoorbeeld een hond pas herkennen, nadat ze eerst de poten onafhankelijk van elkaar heeft waargenomen en dan de karakteristieke vormen van het lichaam en de kop. Op het moment dat objecten een overlap vertonen, kan ze deze niet tegelijkertijd waarnemen. In dergelijke situaties kan ze niet meer alles in verschillende onderdelen opdelen, maar moet ze objecten in hun geheel kunnen beschouwen. Dat was nu net waar Sien problemen mee heeft. Zo kan ze bijvoorbeeld ook niet zien of iemand een bril draagt, totdat ze zich op de bril gaat concentreren, maar dan kan ze het gezicht weer niet zien. Lezen gaat ook niet meer makkelijk. Sien ziet iedere letter apart, waardoor het begrijpen van woorden en zeker van zinnen zeer moeizaam is.

     

    Sacks (1988)

     

    Wat is er met Sien aan de hand?

    Simultaanagnosie:

    Sien heeft problemen met de ruimtelijke integratie van de verschillende onderdelen van een object of van verschillende objecten in een bepaalde scène. Deze problematiek wordt simultaanagnosie genoemd. Patiënten met deze stoornis hebben geen problemen in het herkennen van losse onderdelen, maar het interpreteren van het geheel loopt spaak omdat de delen niet tegelijkertijd beschouwd kunnen worden.

  • Waar bevindt zich doorgaans het probleem (in de hersenen) bij simultaanagnosie?

    De meest voorkomende oorzaak van deze simultaanagnosie is een hersenbloeding in de rechter pariëtaalkwab. Soms wordt simultaanagnosie waargenomen na bilaterale pariëtale beschadigingen.

  • Hoe zit het met de 'wat'- en 'waar'-route bij de visuele cortex?

    Eén van de visuele verwerkingsroutes buigt af naar de temporaalkwab (de zogenaamde ‘wat’-route), terwijl de andere route dorsaal via de pariëtaalkwab naar voren loopt en eindigt in de frontaalkwab (de zogenaamde ‘waar’-route). Deze laatste route verwerkt vooral ruimtelijke informatie met het oog op aansturing van het motorisch handelen en de oriëntatie in de ruimte.

     

  • Meneer X had zich tot na het middagdutje prima gevoeld. Na zijn dutje vond hij in zijn bed, zoals hij het zelf uitdrukte, het been van ‘iemand anders’, een los mensenbeen, een griezelig ding! Zijn eerste reactie was verbazing en weerzin, nog nooit had hij zoiets meegemaakt, zelfs niet in zijn dromen. Hij voelde voorzichtig aan het been. Het leek een volkomen normaal been, maar ‘eigenaardig’ en koud. Meneer X wilde het harige vieze ding uit zijn bed gooien en duwde het been het bed uit. Toen de rest van zijn lichaam hierdoor mee bewoog, werd hij zeer angstig en boos. Hoe kon dat toch?  Wat is er met meneer X aan de hand?

    Meneer X heeft neglect. Een aandoening waarbij patiënten hun lichaamszijde of de ruimte contralateraal aan de laesie verwaarlozen zonder dat ze dit in de gaten hebben

  • Hoe ontstaat een neglect over het algemeen en welke hemisfeeris de associatie het grootst?

    Oorzaak kan een hersenbloeding of herseninfarct (een cerebrovasculair accident: CVA genoemd) zijn.

    Over het algemeen is neglect na een rechterhemisfeerbeschadiging ernstiger van aard. RH-beschadiging leidt hierbij tot linkszijdige verwaarlozing. Vaak worden symptomen van neglect waargenomen na pariëtale schade, maar deze symptomen worden ook wel eens waargenomen na laesies in andere locaties (frontaal, subcorticaal).

     

  • Mevrouw S heeft het idee van ‘links’ totaal verloren, zowel wat betreft de wereld als haar eigen lichaam. Soms klaagt ze dat haar porties te klein zijn, maar dat komt omdat ze alleen de rechterhelft van wat op het bord ligt opeet, het komt niet bij haar op dat er ook een linkerhelft is. Soms gebruikt ze lipstick en maakt dan alleen de rechterhelft van haar lippen op terwijl ze de linkerkant volkomen vergeet. Als Mevrouw S haar koffie niet kan vinden, waarvan ze weet dat het er moet zijn, draait ze in een cirkel rechtsom tot de koffie in zicht komt.

    Sacks (1988)

     

    Wat is er mis met mevrouw S?

    Neglect: er is sprake van neglect bij mevrouw S. In de meest ernstige vorm gedragen dergelijke patiënten zich alsof de linkerzijde van de wereld niet bestaat, waardoor ze tegen obstakels opbotsen, voedsel links op hun bord laten liggen, en hun gezicht slechts aan één zijde scheren of opmaken. Soms blijft neglect beperkt tot één modaliteit (visueel of auditief) of tot een bepaalde stimulustype.
  • Hoe herstelt een neglect zich doorgaans/ wat is de prognose?
    In de regel treedt er enig herstel op in de eerste weken na de CVA, maar toch zal een gedeelte van de patiënten nog restverschijnselen ervaren (bijvoorbeeld extinctie).
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Afbeelding: waar zit hier de stoornis? (gebied 1)
Orbifrontale cortex
Wat betekent een lage ED50?
De therapeutische breedte (ook: therapeutische index of therapeutische ratio) van een geneesmiddel is het verschil tussen een net effectieve dosering en een net niet toxische dosering.

De breedte wordt ook uitgedrukt als ratio, namelijk de verhouding tussen de dosis die een toxisch effect geeft bij 50% van de populatie (TD50) en de dosis die een minimaal effect geeft bij 50% van de populatie ED50)

De formule voor de therapeutische ratio is de volgende:

Bij middelen met een grote therapeutische breedte (en ook een hoge ratio) hoeft men niet zeer zorgvuldig te werk te gaan om een effect te krijgen zonder veel kans op nadelige effecten.

 

 

Waarmee kun je het effect van een autoreceptor op de neurotransmissie vergelijken?
Antagonist
Wat is een partiële agonist?
Partiële agonisten zijn verbindingen met een agonerende werking in lage en antagonerende werking in hoge dosis op de receptor. Kan geen optimale conformatie verandering bewerkstelligen/
Stelling: Een langdurige blootstelling aan antagonisten brengt een upregulatie teweeg?   Juist of onjuist
Juist 

Up-regulation: Verwijst naar een toename van het totale aantal receptoren.  Ook langdurige blootstelling aan antagonisten kan up-regulation veroorzaken. Eenzelfde dosis van een agonist geeft nu een grotere reactie dan voor de up-regulation.

 

Zijn antagonisten hetzelfde als inverse agonisten?
Nee!

Antagonisten verhinderen de activatie van de receptor door een agonist op verschillende wijzen. Bijv. door de toegang tot de herkenningsplaatsen te versperren. Ze kunnen ook hun eigen herkenningsplaats hebben. Antagonisten verhinderen dus de werking van agonisten en mogen niet verward worden met inverse agonisten die wel een resultaat tot gevolg hebben, dat echter tegenovergesteld is aan het effect van de agonist.

Wat zijn agonisten?
Agonisten (mimetica) activeren de receptor en hebben een exciterende of inhiberende werking op het neuron tot gevolg. Volledige agonisten bereiken een optimale comformatieverandering van de betrokken receptoren en daarmee een maximaal effect.
Receptoren zijn eiwitten in het celmembraan, het cytoplasma of de celkern, waaraan een specifiek molecuul kan binden. Receptoren kunnen signalen van binnen of buiten de cel doorgeven: wanneer een signaalmolecuul aan een receptor bindt, kan de receptor een cellulaire respons op gang brengen. Zowel lichaamseigen (endogene) stoffen (zoals neurotransmitters, hormonen en cytokinen), als lichaamsvreemde (exogene) stoffen (zoals antigenen en feromonen) kunnen een dergelijke cellulaire respons opwekken. Hoe is de intracellulaire werking?
Net als enzymen werken receptoren volgens een sleutel-slotmodel, dat wil zeggen dat op één receptor in principe slechts één stof kan binden. Voor het ontstaan van een normale fysiologische respons is het vaak noodzakelijk dat een endogene (lichaamseigen) stof zich bindt aan zijn bijbehorende receptor. Na binding wordt de receptor geactiveerd, en ontstaat er secundair een intracellulaire respons.
Dosisafhankelijkheid en placebo-effecten; hoe zit dat?    
Het effect van een placebo is afhankelijk van in hoeverre het individu een afhankelijkheid heeft van medicijnen. Dus ook bij placebo's komen onthoudingsverschijnselen voor.
Wat valt onder farmacodynamische tolerantie? Up- of downregulatie?
Downregulatie: het aantal receptoren neemt af