Summary Inleiding Privaatrecht

-
120 Flashcards & Notes
3 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Inleiding Privaatrecht

  • 14 Verkrijging en verlies door verjaring

  • Welk type verjaring wordt behandeld in afdeling 3, titel 4 van boek 3 BW en is één van de wijzen van originaire verkrijging van goederen?
    De acquisitieve verjaring.
  • Hoe noemen we de werking van de extinctieve verjaring waarbij door tijdsverloop een rechtsvordering teniet gaat en er een natuurlijke verbintenis overblijft?
    De zwakke werking van de verjaring.
  • Hoe kan de verkrijgende verjaring in combinatie werken met de extinctieve verjaring op grond van artikel 3:105 BW?
    A, die een goed in bezit heeft, wordt eigenaar zodra de verjaring van de revindicatievordering van B is voltooid.
  • Wat zijn de drie belangrijkste verschillen tussen een verjaringstermijn en een vervaltermijn?
    • Het verstrijken van een vervaltermijn heeft sterke werking; ook het recht waaraan de rechtsvordering was verbonden gaat teniet met het verstrijken van een vervaltermijn. Bij een verjaringstermijn blijft een natuurlijke verbintenis bestaan.
    • Vervaltermijnen kennen geen stuiting
    • Vervaltermijnen worden door de rechter ambtshalve toegepast, terwijl een debiteur zich op een verjaringstermijn moet beroepen.
  • 15.1 De onderscheiding van zaken in hoofdzaken en bestanddelen

  • Welke twee criteria zijn er geformuleerd om te bepalen of een zaak een bestanddeel is of niet?
    • Is er sprake van een zodanige verbinding met een hoofdzaak dat afscheiding niet kan geschieden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een van de zaken?
    • Vormt de zaak op grond van verkeersopvattingen een wezenlijk onderdeel van een andere zaak?


    (3:4 BW)
  • Wat is het gevolg van het feit dat een bestanddeel geen zelfstandig rechtsobject is, maar in juridisch opzicht één geheel vormt met de hoofdzaak?
    Zakenrechtelijke handelingen ten aanzien van een bestanddeel zijn niet mogelijk. Hieruit vloeit voort dat (absolute) rechten die gevestigd zijn op de hoofdzaak, ook het bestanddeel omvatten.
  • 15.2 Het eigendomsrecht

  • Waarom fungeert het eigendomsrecht als moederrecht en wat wordt bedoeld met beperkte rechten? Uit welke wetsartikelen blijkt dit?
    Het eigendomsrecht is het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben (5:1). Hiermee wordt bedoeld dat alle andere zakelijke rechten van het eigendomsrecht zijn afgeleid. 

    Een beperkt recht is een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend recht, hetwelk met het beperkte recht is bezwaard (3:8). We spreken hierbij ook wel van afgeleide rechten of dochterrechten.
  • Noem drie beperkte zakelijke rechten die zijn afgeleid van het eigendomsrecht.
    • Recht van erfpacht
    • Recht van vruchtgebruik
    • Recht van erfdienstbaarheid
  • 15.3 Bevoegdheden van de eigenaar

  • In welke twee opzichten behoort het eigendomsrecht het gedrag van derden te beïnvloeden?
    • Zij mogen de eigenaar niet storen in zijn genot.
    • Zij moeten zich van rechtstreekse bemoeienis met de zaak onthouden.
  • 15.4.1 Het gebruik van de eigenaar mag niet strijden met rechten van anderen

  • Met welke drie soorten rechten van derden moet de eigenaar van een zaak rekening houden bij zijn gebruik?
    • Persoonlijke rechten, bijvoorbeeld een huur- of bruikleenovereenkomst.
    • Zakelijke rechten, bijvoorbeeld een recht van erfpacht of een recht van vruchtgebruik.
    • Andere rechten van derden, waarvan een schending een onrechtmatige daad zou opleveren.
  • 15.4.2 Het gebruik dat de eigenaar van de zaak maakt, mag niet in strijd komen met wettelijke voorschriften

  • Noem drie voorbeelden van wetten in formele zin waarin aan het eigendomsrecht beperkingen zijn opgelegd.
    • De Grondwet, art. 14 (onteigening in het algemeen belang)
    • Een aantal artikelen uit het BW, zoals 4:63 (legitieme portie) en een aantal bepalingen uit het burenrecht in titel 4 van boek 5.
    • Artikel 23 Faillissementswet (beschikkingsonbevoegdheid).
  • Welke vier eisen zijn er gesteld aan de bevoegdheid van lagere overheden met betrekking tot de beperking van het eigendomsrecht, die ten dele in de jurisprudentie onder het oude recht zijn geformuleerd?
    • Eigendomsbeperkende maatregelen moeten zijn gegoten in de vorm van een wet in materiële zin. Het moet dus een besluit betreffen dat algemene regels inhoudt.
    • De wetgeving van lagere overheden mag aan de eigenaar het genot niet geheel ontnemen.
    • De lagere wetgever mag niet een uitdrukkelijk aan de eigenaar door de wet toegekende bevoegdheid ontnemen.
    • De lagere wetgever mag niet de beschikkingsbevoegdheid beperken. Dat mag alleen door een wet in formele zin.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.