Summary Inleiding psychologie

-
102 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Inleiding psychologie

  • 1 Grondslagen van de psychologie

  • Wie waren de grondleggers van de psychologie en waar deden ze onderzoek naar?
    • Wilhelm Wundt -> waarneming (introspectie, vragen stellen)
    • William James ->  emotie (facial feedback hypothese)
  • Wat is de definitie van psychologie?
    Psychologie gaat over hoe gedrag van individuen gemotiveerd is (waarom doet deze persoon dit?) en de direct waarneembare (bijv. omgevingsfactoren), de privaat toegankelijke (motieven, wensen, meningen/attitudes, gedachten herinneringen etc.) en privaat niet-toegankelijke (d.i. onbewuste) processen en toestanden die hierbij een rol spelen.
  • Welke 3 soorten emoties zijn er?
    1. Privaat ontoegankelijk
    2. Privaat toegankelijk
    3. Direct waarneembaar
  • Wat zijn de 3 verschillende uitgangspunten van de moderne psychologie?
    1. Fysieke veroorzaking van gedrag
    2. Gedrag/ psychische processen worden gevormd door ervaring
    3. De machinerie voor gedachten en gedrag (d.w.z. brein, lichaam) is vormgegeven door natuurlijke selectie
  • Wat waren de uitgangspunten van René Descartes?
    Dieren hebben geen ziel (alleen fysieke oorzaken), dus alles wat zowel dieren als mensen doen heeft een fysieke oorzaak. Dieren hebben geen gedachten, dus die komen uit de ziel (Dualisme). Het lichaam en de ziel communiceren via de pijnappelklier. Je doet een zintuigelijke waarneming, waarna je ziel nadenkt over de stimulus. De ziel initieert dan een actie en stuurt de spieren aan.
  • Wat waren de uitgangspunten van Thomas Hobbes?
    Volgens Hobbes is er geen ziel, alleen maar materie. Hij geloofde in het materialisme. De vraag is of een gedachte ook een materie is. Zo nee, dan ben je terug bij Descartes. Zo ja, dan moet je gedachten en gevoelens vanuit materie kunnen verklaren.
  • Noem enkele belangrijke ontwikkelingen uit de 19e eeuw
    - Dieronderzoeken: reflexen
    - Alle gedrag (ook breinmechanismen) zijn reflexen.
    - Lokalisatie van functies in het brein
    - Schade aan bepaalde delen van het brein resulteert in selectieve uitval
    - Deze ontwikkelingen hebben bijgedragen aan het idee dat psychologische processen fysieke oorzaken hebben
    - Belangrijke voorwaarde voor de ontwikkeling van de psychologie
    -Maakt het mogelijk psychologische processen empirisch te onderzoeken
  • Wat zei het Britse empirisme en Locke?
    De mens komt als een 'onbeschreven blad' de wereld in, en wordt gevormd door ervaringen.
  • Wat houdt het nativisme in?
    In tegenstelling tot het empirisme zegt het nativisme dat al het gedrag juist in aangeboren.
  • Waar is het uitgangspunt, gedrag wordt bepaald door natuurlijke selectie, op gebaseerd?
    Anatomische/fysiologische eigenschappen erf je want deze hebben overlevingswaarde (survival of the fittest). Dit geldt ook voor bepaalde gedragingen. Emoties hebben overlevingswaarde en zijn dus deels erfelijk.
  • Wat zijn 2 belangrijke bijdragen van Darwin?
    1. Mensen zijn dieren
    2. Nadruk op functie van gedrag
  • 2 De evolutionaire basis van gedrag

  • Wat is adapteren? Noem een vorm van adaptie
    Adapteren is het aanpassen aan de omgeving. Een van de belangrijkste vormen van adapteren is bewegen.
  • Beïnvloeden genen het gedrag? Leg uit waarom wel/niet.
    Genen beïnvloeden ons gedrag niet direct, maar het beïnvloedt wel fysieke structuren die bij gedrag betrokken zijn (brein). Genen werken alleen door interactie met de omgeving.
  • Leg het verschil uit tussen genotype en fenotype. Wat betekent dit verschil?
    Genotype is de set genen die iemand overerft. Het fenotype zijn de waarneembare eigenschappen in uiterlijk en gedrag. Dit geeft aan dat genen adaptief zijn aan de omgeving.
  • Noem 4 bronnen van variatie op
    1. Homologe recombinatie
    2. Polyploïdie
    3. Immigratie, emigratie en translocatie van dieren
    4. Genetische mutatie
  • Wat houdt differentiële selectie in?
    Dieren met eigenschappen die de kans op overleven vergroten produceren meer nageslacht.
  • Wat houdt seksuele selectie in?
    Dat dieren die het sterkst of het mooist zijn het eerst mogen paren.
  • Wat zegt de V-S-R cyclus?
    Deze cyclus zegt dat variatie voor selectie zorgt, selectie voor reproductie, en reproductie zorgt uiteindelijk weer voor variatie.
  • Wat betekent survival of the fittest?
    Dat niet de dieren die het sterkst of meest intelligent zijn zullen overleven, maar dat de dieren die het best aangepast zijn aan hun omgeving zullen overleven.
  • Noem 3 eigenschappen van natuurlijke selectie
    1. Heeft geen bedoeling
    2. Heeft geen eindpunt
    3. Is geen ontwikkeling van slecht naar goed
  • Waarom wordt het begrip evolutie vaak verkeerd uitgelegd?
    1. Naturalistische dwaling: alles wat natuurlijk is, is moreel juist
    2. Deterministische dwaling: genen bepalen ons gedrag
  • Wat houdt een proximale verklaring van gedrag weer en geef een voorbeeld in het thema: agressie
    Een proximale verklaring gaat over het mechanisme achter het gedrag. Welke mechanismen helpen bij het tot stand komen van het vertoonde gedrag? Vb: aanmaak testosteron neemt toe.
  • Wat geeft een distale verklaring van gedrag weer en geef een voorbeeld in het thema: agressie
    Een distale verklaring gaat over de functie van een bepaald gedrag, waarom was het evolutionair voordelig dit gedrag te vertonen? Vb: agressie dient om concurrenten af te troeven
  • Wat is functionalisme?
    Gedrag van een dier verklaren aan de hand van de functie die het heeft voor het dier.
  • Wat zijn de belangrijkste aannames uit de evolutionaire psychologie?

    1. Functies in het brein zijn gevormd door evolutionaire processen
    2. Verschillende psych. functies zijn ontwikkeld om specifieke problemen uit het evolutionaire verleden op te lossen (moderne mensen met een brein uit de steentijd)
    3. Dit maakt het mogelijk om moeilijke problemen snel op te lossen
  • Wat houdt soortspecifiek gedrag in?
    Vroeger heette het instinct maar dit is een problematische term aangezien het neer komt op gedrag dat niet is aangeleerd. Leren is juist wel van grote invloed op deze gedragingen en onstaat niet spontaan (taal/spraak).
  • Noem de 2 soorten verwantschappen tussen dier en mens en vertel kort wat ze inhouden
    1. Homologie: verwantschap in eigenschappen als gevolg van genen
    2. Analogie: verwantschap in eigenschappen als gevolg van ontwikkeling vergelijkbare oplossingen. Veel dieren hebben staarten, maar zijn genetisch nauwelijks verwant (= analogie); staart is gevolg van convergente evolutie
  • Noem de 4 verschillende paringspatronen en vertel wat ze inhouden
    1. Polygynie: één man met meerdere vrouwen (komt het vaakst voor bij dieren)
    2. Polyandrie: één vrouw met meerdere mannen
    3. Monogamie: één man en één vrouw (bijna altijd bij mensen)
    4. Promiscuïteit: binnen een gemengde groep is er uitwisseling
  • Wat houdt de parental investment theory in?
    De ouder die de meeste energie in de opvoeding investeert, zal meer gewild zijn en kieskeuriger.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.