Summary Insolventie

-
ISBN-10 9013024629 ISBN-13 9789013024623
319 Flashcards & Notes
5 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Insolventie". The author(s) of the book is/are J B Huizink. The ISBN of the book is 9789013024623 or 9013024629. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Insolventie

  • 1 Inleidende opmerkingen

  • Wat is het doel van WCO II?
    ''Het proces van herstructurering van problematische schulden bij ondernemingen buiten faillissement te flexibiliseren, te bespoedigen en met zo min mogelijk formaliteiten, kosten en onzekerheden gepaard te doen gaan alsmede de werkgelegenheid voor in de onderneming werkzame personen zoveel mogelijk te behouden. 
  • Welke belangen staan tegenover elkaar bij een dwangakkoord buiten faillissement?
    Belang van de onderneming, snelheid en deal certainty vs. belang schuldeiseres en aandeelhouders, noodzakelijke waarborgen
  • Aan welke eisen van artikel 1 Eerste Protocol EVRM moet worden voldaan bij het opleggen van een dwangakkoord?
    1. De eis dat de inbreuk op het eigendomsrecht voorzien moet zijn bij wet (legal certainty);

    2. de oplegging van een dwangakkoord moet worden gerechtvaardigd door een publiek belang (public interest-test);

    3. De regels moeten zodanige waarborgen bevatten dat wordt voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (fair balance-test) 
  • Preferente schuldeisers zijn...
    UWV, Belastingdienst en werknemers met een loonvordering
  • Wat wordt verstaan onder een 'cross-class cram-down'?
    Een rechter kan het akkoord ook verbindend verklaren als niet alle klassen voor het akkoord hebben gestemd
  • Welke waarborgen moeten voorkomen dat een partij die met de wijziging van toekomstige verplichtingen (zoals huur) wordt geconfronteerd zelf in de problemen komt?
    1. Schuldeisers die met de wijziging geconfronteerd worden zullen gezamenlijk een aparte klasse vormen en als zodanig tegen het akkoord stemmen.
    2. De wederpartij kan bij een overeenkomst (lees: schuldeiser) die door de algemeen verbindend verklaring tegen zijn voor de toekomst word gewijzigd deze overeenkomst beëindigen met ingang van de datum waarop de beslissing tot algemeen verbindendverklaring in kracht van gewijsde gaat. 
  • 1.1 Faillissement, surseance en schuldsanering

  • Het faillissement is een algemeen beslag op de goederen van een schuldenaar ten behoeve van zijn gezamenlijke schuldeisers. Alle goederen worden geëxecuteerd en de opbrengst wordt onder aftrek van de faillissementskosten uitgekeerd. Zulks met inachtneming van de hoofdregel van art. 3:277 BW dat de opbrengst gelijkelijk onder de schuldeisers wordt verdeeld, behoudens door de wet erkende redenen van voorrang.

  • Surceance van betaling heeft een ander karakter dan faillissement. De surceance is juist niet gericht op executie van de goederen van de schuldenaar en verdeling van de opbrengst onder de schuldeisers. Surseance van betaling heeft tot gevolg dat een schuldenaar gedurende enige tijd niet tot betaling van zijn schulden kan worden gedwongen. de verplichting om schulden te betalen is gedurende de surceance opgeschort. Men spreekt wel van  'uitstel van betaling' of van een 'moratium'. Door het moratium, zo is de gedachte, krijgt de schuldenaar de gelegenheid orde op zaken te stellen. Na verloop van enige tijd zou hij best in staat kunnen zijn om zijn schuldeiseres genoegdoening te verschaffen. ook kan hij proberen met hen een (af)betalingsregeling te treffen. De faillissementswet noemt zo'n regeling een 'akkoord'(art. 252 FW).

     

  • De schuldsaneringsregeling ten slotte heeft weer een ander doel. Uitwinning van de goederen van de schuldenaar leidt zelden tot integrale voldoening van de schuldeisers. Door een faillissement wordt met niet schuldenvrij.Vaak is de schuldenaar een rechtspersoon. Ingevolge art. 2:19, lid 1, sub c BW wordt zo'n rechtspersoon na faillietverklaring ontbonden. Natuurlijke personen blijven gelukkig bestaan. De schuldsaneringsregeling biedt die schuldenaren de kans om na verloop van zekere tijd met een schone lei te beginnen: 'de vorderingen van de schuldeisers worden omgezet in natuurlijke verbintenissen'. Zij zijn dan niet langer afdwingbaar (art. 358 FW).

  • 1.2 Verschillende schuldenaren

  • Natuurlijke zowel als rechtspersonen kunnen in staat van faillissement worden verklaard. De schuldsaneringsregeling staat echter alleen open voor natuurlijke personen (art. 284, lid 1 F). Ook indien zij een zelfstandig beroep of bedrijf uitoefenen en uit dien hoofde als ondernemer kunnen worden aangemerkt. Surseance van betaling kan daarentegen niet worden verleend aan particulieren (art. 214, lid 4 F).

  • 1.3 De faillissementswet

  • Te beginnen met het faillissement. Dat wordt ingeluid door het vonnis van faillietverklaring (art. 1 F). In de systematiek van de Faillissementswet is er naast het vonnis van faillietverklaring een 'tweede' essentieel  moment, namelijk dat waarop de conservatoire fase van het faillissement overgaat in de executoriale fase.

  • In het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden het executoriaal en het conservatoir beslag afzonderlijk geregeld. Het executoriaal beslag is geregeld in het tweede boek over de tenuitvoerlegging van vonnissen, beschikkingen en authentieke akten. Het conservatoir beslag vinden we in de vierde Titel van het derde Boek: "Van middelen tot bewaring van zijn recht". In dat opschrift wordt het kernverschil tussen beide vormen van beslag tot uitdrukking gebracht. Zo kan van een conservatoir beslag voor een geldvordering in kort-geding de opheffing worden gevorderd indien voor de vordering voldoende zekerheid wordt gesteld (art. 750, lid 2 Rv). Daar kan men voor een executoriaal beslag niet komen. Logisch, bij een conservatoir beslag moet nog maar blijken of het 'recht' dat de beslaglegger poogt te 'bewaren' echt bestaat. Zodra de beslaglegger een executoriale titel heeft verkregen en deze voor tenuitvoerlegging vatbaar is, gaat het conservatoir beslag over in een executoriaal beslag.

  • Het vonnis van faillietverklaring bewerkstelligt een algemeen faillissementsbeslag ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren en roept een nieuwe rechtstoestand in het leven. Het is een zogenaamd 'constitutief' vonnis en vormt naar zijn aard geen voor tenuitvoerlegging vatbare titel. Reeds daarom kan moeilijk worden beweerd dat faillissementsbeslag van het faillissementsvonnis af een executoriaal karakter draagt. Door het faillissementsbeslag wordt het vermogen van de schuldenaar in eerste instantie gefixeerd. De schuldenaar kan door het faillissement niet langer over zijn goederen 'beschikken'.

  • De schuldeisers krijgen na faillietverklaring van hun schuldenaar de gelegenheid om hun vorderingen bij de curator aan te melden. Zo krijgt de curator een overzicht van het totaal der vorderingen en hun onderlinge rangorde. De hoegrootheid van die vorderingen, de vraag of zij opeisbaar zijn, in hoeverre er voorrang bestaat, dit alles wordt vastgesteld in een zogenaamde 'verificatievergadering'. Elke schuldeiser is gerechtigd om daar te verschijnen en zijn zegje te doen. Slechts de geverifieerde vorderingen kunnen worden verhaald op de opbrengst van de onder het faillissementsbeslag vallende goederen van de schuldenaar.

  • In de systematiek van de Faillissementswet vormt de 'verificatievergadering' het omslagpunt van de conservatoire naar de executoriale fase van het faillissement. In de verificatievergadering worden de schulden van de gefailleerde vastgelegd en vastgelegd in een proces-verbaal. Wanneer de schuldenaar op die vergadering geen akkoord aanbiedt, verkeert de boedel van rechtswege in 'staat van insolventie' (art. 173 F). Daarmee wordt bedoeld dat de schulden van de gefailleerde rechtens vaststaan en dat deze niet zijn voldaan. Dat heeft tot 'gevolg' dat het faillissement in de executoriale fase overgaat: 'de goederen van de schuldenaar worden uitgewonnen en de opbrengst wordt onder de schuldeisers verdeeld'.

  • De staat van insolventie treedt niet in indien de schuldenaar een regeling met zijn schuldeisers treft. De wet noemt zo'n regeling een 'akkoord'. Zodra het akkoord definitief is - de rechtbank dient het namelijk goed te keuren - eindigt het faillissement (art. 161 F). In dat geval vervalt het faillissementsbeslag zonder dat het in een executoriaal beslag is overgegaan.

  • Surcéance van betaling leidt niet tot een algemeen beslag op de goederen van de schuldenaar ontstaat. Verlening van surséance van betekent wel dat de schuldenaar in zijn vermogensrechtelijke handen en wandel iemand naast zich moet dulden. Bij de verlening van surcéance van betaling benoemt de rechtbank namelijk een bewindvoerder, die samen met de schuldenaar het beheer over diens zaken voert. Anders dan een failliet heeft een in surseance van betaling verkerende schuldenaar niet de beschikking over zijn goederen verloren. Hij heeft voor daden van beheer of beschikking echter de medewerking, machtiging of bijstand van de bewindvoerder nodig (art. 228, lid 1 F).

     

  • De schuldsaneringsregeling is als gezegd gericht op de schone lei. Typologisch vertoont de schuldsaneringsregeling evenwel meer verwantschap met het faillissement dan met de surséance van betaling. De schuldenaar verliest de bevoegdheid om over de tot de boedel behorende goederen te beschikken en ten aanzien van die goederen feitelijke handelingen te verrichten en toe te laten (art. 296, lid 1 F).

  • De vereffening is geregeld in een aparte afdeling. Zodra de boedel in staan van insolventie verkeert moet de bewindvoerder overgaan tot vereffening en tegeldemaking. Alles ten behoeve van de schuldeisers (art. 349 F). Daarbij zij erop gewezen dat de schuldsaneringsregeling op een 'belangrijk punt afwijkt van het faillissement'. Ingevolge van art. 349, lid 2 F, geschiedt de uitdeling naar evenredigheid van ieders vordering, met dien verstande dat de 'bevoorrechte schuldeisers' in beginsel 'twee keer zo groot percentage ontvangen' als de concurrente crediteuren. 

  • Wat zijn twee essentiële momenten in de systematiek van de Fw?
    1. Het vonnis van faillietverklaring
    2. Het moment waarop de conservatoire fase van het faillissement overgaat in de executoriale fase. 
  • Waarvoor dient de verificatievergadering?
    Het vaststellen van de hoegrootheid van de vorderingen, vaststellen of deze opeisbaar zijn, vaststellen in hoeverre voorrang bestaat
  • Bij de schuldsaneringsregeling verliest de bevoegdheid om over de tot de boedel behorende goederen te beschikken en ten aanzien van die goederen feitelijke handelingen te verrichtten en toe te laten (artikel 296 lid 1). Zodra de toepassing van de schuldsaneringsregeling is uitgesproken verkeert de boedel in staat van insolventie en moet de bewindvoerder overgaan tot vereffening en tegeldemaking (artikel 347 Fw). Er is één belangrijk verschil met de afwikkeling in het faillissement: ingevolge artikel 349 lid 2 geschiedt uitdeling naar evenredigheid van ieders vordering, met dien verstande dat de bevoorrechte schuldeisers in beginsel een twee keer zo groot percentage ontvangen als de concurrente schuldeisers
  • Tegelijkertijd een faillissementsaanvraag en verzoek tot surseance; wat gaat voor?
    Artikel 218 lid 6 Fw: eerst het surseance verzoek!
  • Waarom is het instrument van surseance van betaling in diskrediet geraakt?
    Omdat verzoeken tot verlening van surseance vaak in een te ver gevorderd stadium van financieel onvermogen worden ingediend. Het is vaak het voorportaal van het faillissement. 
  • Wat zijn preferente schuldeisers (crediteuren)?
    Schuldeiseres met een voorrecht of een zakelijk zekerheidsrecht
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat volgt uit Hof Ammerlaan?
Gaat over misbruik van faillissementsrecht. De vennootschap had haar eigen faillissement aangevraagd, al het personeel eruit gewipt en heeft een doorstart gemaakt. Hof: misbruik van de bevoegdheid het faillissement aan te vragen. 
Wat zijn preferente schuldeisers (crediteuren)?
Schuldeiseres met een voorrecht of een zakelijk zekerheidsrecht
Waarom is het instrument van surseance van betaling in diskrediet geraakt?
Omdat verzoeken tot verlening van surseance vaak in een te ver gevorderd stadium van financieel onvermogen worden ingediend. Het is vaak het voorportaal van het faillissement. 
Tegelijkertijd een faillissementsaanvraag en verzoek tot surseance; wat gaat voor?
Artikel 218 lid 6 Fw: eerst het surseance verzoek!
Waarvoor dient de verificatievergadering?
Het vaststellen van de hoegrootheid van de vorderingen, vaststellen of deze opeisbaar zijn, vaststellen in hoeverre voorrang bestaat
Wat zijn twee essentiële momenten in de systematiek van de Fw?
1. Het vonnis van faillietverklaring
2. Het moment waarop de conservatoire fase van het faillissement overgaat in de executoriale fase. 
Welke waarborgen moeten voorkomen dat een partij die met de wijziging van toekomstige verplichtingen (zoals huur) wordt geconfronteerd zelf in de problemen komt?
1. Schuldeisers die met de wijziging geconfronteerd worden zullen gezamenlijk een aparte klasse vormen en als zodanig tegen het akkoord stemmen.
2. De wederpartij kan bij een overeenkomst (lees: schuldeiser) die door de algemeen verbindend verklaring tegen zijn voor de toekomst word gewijzigd deze overeenkomst beëindigen met ingang van de datum waarop de beslissing tot algemeen verbindendverklaring in kracht van gewijsde gaat. 
Wat wordt verstaan onder een 'cross-class cram-down'?
Een rechter kan het akkoord ook verbindend verklaren als niet alle klassen voor het akkoord hebben gestemd
Preferente schuldeisers zijn...
UWV, Belastingdienst en werknemers met een loonvordering
Aan welke eisen van artikel 1 Eerste Protocol EVRM moet worden voldaan bij het opleggen van een dwangakkoord?
1. De eis dat de inbreuk op het eigendomsrecht voorzien moet zijn bij wet (legal certainty);

2. de oplegging van een dwangakkoord moet worden gerechtvaardigd door een publiek belang (public interest-test);

3. De regels moeten zodanige waarborgen bevatten dat wordt voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (fair balance-test)