Summary International Strategy

-
203 Flashcards & Notes
2 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - International Strategy

  • 1 Theorethical foundations of International Strategy

  • Core concepts of TIM
    - TCE --> Coase & Williamson
    - Internationalization Theory (Buckley, Casson &Hennart)
    - OLI/ Eclectic paradigm (Dunning)
    - Internationalization Theory (Johanson & Vahlne)
    - Bridge from Internationalization Theory to strategic management (Rugman): FSAs als asset en transnational advantages to important of Location/ Non-Location Bound FSAs.
    - The role of subsidiary (Birkenshaw)
    - 1980: Industry Based View (Porter) --> industry level, notion of competitiveness
    - 1990: Resource-Based View (Barney) --> VRIN, tangible/intangible resources. Capabilities are firm-specific abilities to recombine resources.
    - 2000: Institution-Based View (North, Scott, Peng). 
       Scott: Instituties zijn regulative, normative & cognitive structures and activities that provide stability and meaning to social behavior.
        North: Formal rules and informal constraints that together constitute the rules of the game.
    - Semiglobalization and the notion of Distance (Ghemawat)
    - Integration- Responsiveness Framework (Bartlett & Ghosal)
    - LOF (Zaheer)
    - Regional MNE's inclination (Rugman & Verbeke)
    - Home Country influences: National competitive advantage (Porter)
    - Host Country influences: Dunning's four DFI motives (nat. res. seeking, strategic asset seeking, mkt seeking, efficiency seeking)
    - International New Ventures (INV)/ Born globals (BG).
    - EM MNEs
  • Wat moet je weten als je MNEs en de theorie eromheen wilt begrijpen?
    1. De Location Boundedness van MNEs
    2. De International transferability van FSAs
    3. De Intangible knowledge FSAs
    4. De Institutional Environment
  • Schrijf de speerpunten op van Bartlett & Ghosal (1989) mbt Transaction Cost Economics en strategic management van MNEs?
    Bartlett&Ghosal (1989):
    - MNEs = Transnational organization

    - De MNEs overwinnen de LOF met hun FSAs, dit zijn de kernbronnen van CA.
  • Wat zijn de 3 elementen van de Transaction Cost Theory in de Internationale Context?
    1. FSAs (Firm Specific Advantages) houden proprietary know-how in (unique assets) en transactie voordelen.
    2. CSAs (Country Specific Advantages) verkrijg je door zekere activiteiten in het buitenland te plaatsen. 
    3. Voordelen van internationalisatie verwijzen naar de relatieve voordelen die gelinkt zijn met de verschillende entry modes. Marktfalen is de cruciale reden om te internationaliseren.
  • Wat zeggen Rugman & Verbeke (1992) over FSAs?
    Rugman & Verbeke (1992): 
    FSAs zijn NLB & LB

    1. NLB-FSAs zijn overdraagbaar tegen lage kosten en worden effectief gebruikt in buitenlandse operaties
    2. NLB- FSAs hoeven niet persé te ontstaan in thuislanden.
    3. Veel FSAs in de moederbedrijven zijn Location Bound (LB).

    Transferability wordt echt belangrijk en ontbind niet de vereisten van een bedrijf om waardevolle assets te creëeren. Soms moet je in alternatieven denken.
  • R&V (1992) --> Kenmerken Global MNE
    Global:
    - NLB
    - Home Country CSAs --> Leveraged
  • R&V (1992)--> Kenmerken International MNE
    International: 
    - NLB
    - Host Country CSAs --> Local and/or Static
  • R&V (1992) --> Kenmerken Multinational
    - LB
    - Host Country CSAs --> Local and/or Static
  • R&V (1992) --> Transnational
    - LB
    - Home & Host Country CSAs --> Dual!
  • Pressures for Global Integration
    Pressures for Cost Reduction
  • Pressures for Local Responsiveness
    Pressures for adaptation
  • Kenmerken Centralized Exporter
    - Hoge druk voor de globale intgratie --> Hoge kosten reductie
    - Lage druk voor locale responsiveness --> Lage druk voor aanpassing
  • Kenmerken voor International Projector
    - Lage druk voor globale integratie --> Lage kostenreductie
    - Lage locale responsiveness --> lage druk voor aanpassing
  • Kenmerken voor de International Coordinator
    - Hoge druk voor globale integratie --> hoge kostenreductie
    - Hoge druk voor locale responsiveness --> hoge druk voor aanpassing
  • Kenmerken voor de Multi-centered MNE
    - Lage druk voor globale integratie --> geen prikkel voor kostenreductie
    - Hoge druk voor locale responsiveness --> grote prikkel voor aanpassing
  • De Transnationale oplossing van Rugman & Verbeke (1992) kan alleen verkregen worden door:
    1. De MNE kan niet alleen bouwen op de FSA ontwikkeling in home countries.
    2. CSAs in een specifiek gastland kunnen bijdragen aan de ontwikkeling an nieuwe FSAs.
    3. Internationale voordelen zijn afhankelijk van de bedrijfs transactionele FSAs  om de buitenlandse subs. te laten opereren. 

  • Waarop bouwt de Transnational Solution van Rugman & Verbeke (1992)?
    1. LB FSAs
    2. NLB- FSAs
    3. Dual use of CSAs van zowel de home als de host landen.
  • Foss & Pedersen (2004): Organiseren van kennis processen in de MNE
    3 key points:
    1. Absence of micro- foundations
    2. Insufficient attention to organization
    3. Unclear Causality
  • Foss & Pedersen (2004): Kennis processen --> Absence of micro-foundations?
    Micro-foundations: het begrijpen van hoe:
    - capabilities
    - knowledge assets,
    - knowledge processes
    gerelateerd zijn aan individueel gedrag.
  • Foss & Pedersen (2004) Kennis processen --> Insufficient attention to organization?
    Kennisdeling en kennisoverdracht processen worden mogelijk beinvloed door mechanismen zoals organisationele controle, zoals: autoriteit, het gebruik van prikkels, het controleren/monitoren van het bouwen van de gedeelde context.
  • Foss & Pedersen (2004): Kennis Processen --> Unclear causality
    De literatuur neemt de kenmerken van kennis als iets als gedetermineerde organisationele arrangementen.
    voorbeeld 1: MNC HQs weten vaak niet de prestaties van de subs.
    voorbeeld 2: MNC HQs kunenn bepaalde capabilities managen; en die kunnen geheel anders zijn bij de subsidiaries; de MNC heeft moeite alle verschillende subsidiaries hierdoor te benchmarken.
  • Cantwell et al (2010) de co-evolutie van MNEs en de institutionele omgeving? 
    Key take away: 
    - Integrative framework combining firm-level adaptation, 
    - importance of informal institutions, 
    - importance of co-evolutionary processes.
  • Hoe luidt de Organization Theory in Cantwell et al. (2010) mbt de co-evolutie van de MNEs en de institutionele omgeving?
    Organization Theory:
    - aanpassing/ selectie
    - isomorphism (coercive, mimetic en normative),
    - sleutelconcept van legitimiteit.
  • Hoe luidt de Co-Evolutionary Theory in Cantwell et al. (2010) mbt de co-evolutie van de MNEs en de institutionele omgeving?
    - Managerial adaptation
    - Intentionality and environmental selection occur simultaneously.
  • Kenmerken North & Nelson
    North: Economic History

    Nelson: Evolutionary Economics
  • Cantwell et al. (2010) over MNEs:
    MNE is een gecoordineerd systeem of netwerk dat grensoverschreidende waarde creëerende activiteiten verricht. 
  • Cantwell et al. (2010) over Institutions:
    - Patroon van Menselijke Interactie dat relateert aan de verdeling van werk en de coordinatie van menselijke activiteiten. 
    - Enerzijds heb je de formele regels (grondwet, rechten, regels) en 
    - anderzijds heb je de informele beperkingen ( conventies, heersende norm, en gedrag). Deze bepalen de regels van het spel.
  • Cantwell et al (2010) over MNEs
    MNEs worden beinvloedt door de interconnectedness van de geografische ruimte.
    De ontwikkeling van instituties is genomen om met meer non-ergo onzekerheid te dealen --> Institutionele ondernemerschap --> Dit leidt tot innovatie bij MNes.
  • Wat zeggen Powell & DiMaggio in hun artikel?
    International Business is verschoven:
    - Van institutionele ingebedheid naar actieve agency
    - MNEs worden met meer tensions geconfronteerd door asset exploiting / creating.
    - Asset exploting: de org. samenhang en de gemeenschappelijkheden.
    - Asset creating: innovatie, ondernemerschap en variëteit. 
  • Op welke manieren kunnen MNEs samenhangen met Instituties (Cantwell et al. 2010)? 
    1. Institutional Avoidance
    2. Institutional Adaptation
    3. Institutional Co-evolution
  • Cantwell et al. (2010) Institutional Avoidance
    Instituties worden gezien als een gegeven. 
    Bedrijven trekken weg als er geen match is --> exit of the market. Dit gebeurt bijvoorbeeld in omgevingen waar weinig institutionele toezicht wordt gehouden.
  • Cantwell et al. (2010) Institutional Adaptation
    De omgeving is exogeen --> aanpassen van MNE aan omgevings structuur & beleid voor een betere fit binnen de context.
  • Cantwell et al. (2010) Institutional Co-evolution:
    De omgeving is endogeen --> De organisatie start van binnenuit met het opzetten van nieuwe routines of best practices en vormt hiermee de institutionele omgeving naar zijn hand.
  • Wat is de conclusie van Cantwell et al. (2010)?
    The changes in the structure of MNEs from ownership-based organizations to a nexus of interrelated entities represents an evolution towards increasing flexibility, which is essential for experimentation to take place.
  • Wat zegt Ghemawat (2008) over de verschillen tussen landen?
    Verschillen tussen landen kunnen juist een bron zijn van de inspiratie ipv een belemmering. 

    Het kan onderscheidende grensoverschrijdende kenmerken opleveren als ook de economische leverage die dat mogelijk maakt.
  • Ghemawat (2008) International Strategy:
    Adaptation
    Arbitrage
    Aggregation
  • Ghemawat (2008) Adaptation
    Local responsiveness --> aanpassen aan verschillen
  • Ghemawat (2008) Arbitrage
    Absolute economie van specialisatie, het exploiteren van verschillen
  • Ghemawat (2008) Aggregation
    Scale en Scope economieën --> het overwinnen van verschillen
  • Wat zegt Porter (1986) mbt International Strategy?
    IS is meer dan alleen worldwide strandaardisatie (=concentratie) en local tailoring (=disperse), het kan ook beide activiteiten tegelijkertijd verrichten.
  • Wanneer leidt het concentreren van activiteiten op wereldwijde schaal en het coördineren van verspreide activiteiten tot een kosten voordeel of een differentiatie?
    1. Economies of scale
    2. Proprietary learning curve
    3. Comparative advantage in where the activity is performed
    4. Coordination advantages of co-locating linked activities --> bijvoorbeeld R&D en productie
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Key take aways week 6:
De relatie tussen de M & P kan afhankelijk zijn van:
  • de fase van internationalisatie
  • de pace, rhythm en speed van internationalisatie.

Alhoewel, wees alert op:
  • Conceptuele issues. Vereisen econ. of scales/ sourcing flexibility en learning echt Multinationality?--> nee bedrijven presteren ook zonder deze M.
  • Methodologische issues: Causaliteit en tussen bedrijfs causaliteit.
Welke methodologische issues belicht Hennart (2007)?
  • Internationalisatie diversificatie is niet hetzelfde als de mate van de internationalisatie. Er is geen afspraak over hoe multinationality wordt gemeten. Vele studies zien M als tussenpersoon (?) met de buitenlandse sales en total sales ratio.
  • Een gebrek aan gebrek aan appropriate control variables is pevasive in the literature. 

  1. Bedrijven zijn heterogeen in vele dimensies
  2. Hoe kunnen we zeker zijn van de juiste impact van M als we niet voldoende controleren voor veranderende verklaringen (confounding explanations).
Wat zegt Hennart (2007) nog meer over de M&P relatie?
Voor betere & flexibele toegang tot resources hoef je niet veel affiliates in het buitenland te hebben.

Leren van het buitenland (SAS investerngsmotieven) is niet zo'n algemene drijfveer voor internationale expansie. Veel affiliates zijn opgezet voor market seeking. De echte kennis komt echter nog steeds vaak van HQs/
Wat zegt Hennart (2007) over de M&P relatie in zijn review mbt de Transaction Cost Internationalization?
  • TCI zegt dat er geen relatie is tussen int. div & performance
  • TCI legt uit dat de MNEs slecht zijn voor het algeheel terugbrengen van risico vermindering
- Kosten en risico ontstaan door de aanwezigheid van CAGCE distances.
- MNEs investeren vaak in landen die lijken op het thuisland
- MNEs laten een ongerelateerd product diversificatie zien.

Voor exploitatie van economies of scale is het noodzakelijk om naar het buitenland te gaan. Een minieme schaal van efficiëntie kan ook bereikt worden in een grote thuismarkt. 
Review van Hennart (2007) mbt M&PWelke twee voorspellingen worden gedaan in de voorgaande literatuur?
Hoge M, lage risico. Dit is vooral afgeleid uit de theorieën over de portfolio diversificatie in finance.

Hoge M, hoge Profitability. Hier zijn 3 redenen:
  1. Exploiteer scale economies
  2. Zorg voor betere en meer flexibele toegang tot resources.
  3. Sta meer leren toe.
Hennart (2007) onderzoekt de Theoretical Rationale van de M-P relatie: wat zegt hij hierover?
Hennart vraagt zich af f de relatie tussen M&P wel bestaat en onderzoekt de ambiguiteit van de empirische resultaten: bestaat de relatie wel?

Vanuit een Transaction Cost Perspective is de relatie niet zo duidelijk.
Wat is de Competitive Pressures kijk op de Internationalisatie van snelheid en performance (Chang & Rhee, 2011)?
Competitive Pressures spelen een rol voor bedrijven in industrieën waar een hoge mate van globalisatie plaatsvindt. Lage FDI- uitbreiding kan leiden tot een grotere dreiging dan de snelle FDI uitbreiding, omdat het bedrijven niet toetstaat om een globale schaal aan te boren binnen de schaaleconomie.

Globalisatie binnen de industrie heeft een positieve moderatie op de relatie tussen snelheid van FDI uitbreiding en bedrijfsprestatie hebben --> Competitive Threat.
Wat is de Internal Resources & Capabilities kijk op internationalisatie snelheid en performance (Chang & Rhee 2011)?
Resources en Capabilities vormen een belangrijke bron voor CA en kunnen snelle FDI uitbreiding meer uitvoerbaar maken.

De intangible en tangible resources zullen postief modereren op de relatie tussen de snelheid van de FDI uitbreiding en de bedrijfsprestatie. --> Org. Slack
Welke uitdagingen zijn gerelateerd aan hoge snelheid (Chang & Rhee, 2011)?
  • Learning issues
  • hogere coordinatie kosten

Conventioneel onderzoek zegt dat snelle toetreding leidt tot slechtere prestaties van bedrijven. 

Aan de andere kant kan snelle expansie ook positief gerelateerd zijn aan firm prestaties:
  • De timing is belangrijk,
  • De timing wanneer je gaat bouwen aan expansie.
  • Andere zekere omstandigheden, FMAs rijzen en bedrijven kunnen van ze profiteren. 
Wat zeggen Chang & Rhee (2011) over de Int. Snelheid en performance?Wat is hun definitie van snelheid?
Speed= de gemiddelde aantal FDIs dat gedaan is in nieuwe landen per jaar sinds de eerste FDI van een bedrijf.