Summary Klimaatvraagstukken

-
ISBN-10 9006436461 ISBN-13 9789006436464
250 Flashcards & Notes
202 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary 1:

  • Klimaatvraagstukken
  • H M van den Bunder, J H A Padmos B van Wanrooij EMK Tiekstra Media
  • 9789006436464 or 9006436461
  • 4e dr.

Summary - Klimaatvraagstukken

  • 1 Het klimaatsysteem

  • Het klimaat komt tot stand door een wisselwerking tussen de atmosfeer, de oceanen en het land. In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan deze drie bestanddelen afzonderlijk en er wordt gekeken naar de relaties die bestaan tussen de drie componenten. In latere hoofdstukken komen ook de klimaatveranderingen in het verleden aan bod.
  • Hoofdvraag
    Wat is de wisselwerking tussen de atmosfeer, de oceanen en het land bij de totstandkoming van klimaten?

    Deelvragen
    1. Wat is het verschil tussen weer en klimaat?
    2. Wat is de samenstelling en de opbouw van de atmosfeer?
    3. Waardoor zijn er variaties in de stralingsbalans?
    4. Wat is de verklaring voor het globale windsysteem?
    5. Waarom zijn er variaties op het globale windsysteem?
    6. Wat is de invloed van zeestromen op het klimaat?
    7. Wat zijn El Niño en La Niña?
    8. Waarom treden er klimaatveranderingen op?
  • 1.1 De atmosfeer: een omhulsel van gas

  • Weer en klimaat
    Het klimaat is de gemiddelde toestand van het weer over een lange periode en voor een groot gebied. De toestand van de dampkring op een bepaald moment en voor een klein gebied, noem je het weer.

    Dit boek gaat over het klimaat en dan vooral over de veranderingen van het klimaat in het verleden en in de (nabije) toekomst. Er zijn verschillende vragen op het gebied van klimaatveranderingen binnen de wetenschap:
    • Smelt de komende jaren al het ijs op de Noordpool?
    • Is de mens de veroorzaker van het versterkte broeikaseffect?
    • Overstroomt de zee Laag-Nederland en komt Amersfoort aan zee te liggen?
    • Zijn er over vijftig jaar geen gletsjers meer in de Himalaya?
    • Breiden de woestijnen in Afrika zich uit?

    Het klimaat maakt deel uit van het ingewikkelde systeem 'aarde'. Dit systeem bestaat uit vier sferen die allemaal met elkaar in verband staan:
    • De atmosfeer, waar weer en klimaat zich afspelen. Dit is het geheel aan gasvormige stoffen die het vaste en vloeibare deel van de aardkorst omringen.
    • De hydrosfeer, het gedeelte van de aarde dat uit water bestaat.
    • De lithosfeer of steenschaal, het buitenste gedeelte van de vaste aarde.
    • De biosfeer, het gedeelte van de aarde waarin het aardse leven zich afspeelt.
  • Samenstelling en opbouw van de atmosfeer
    De atmosfeer werd gevormd toen de aarde na haar ontstaan (4.6 miljard jaar geleden) begon af te koelen. Er ontstond een gasvormig omhulsel dat de aarde bedekt. De zwaartekracht zorgt ervoor dat de gassen niet verdwijnen in de ruimte. In de onderste 10 kilometer van de atmosfeer bevindt zich het grootste gedeelte van de gassen.

    De samenstelling van de atmosfeer verschilt veel van die van andere planeten. Zo is er veel stikstof (78,01%) en zuurstof (20,95%) aanwezig in de atmosfeer van de aarde en weinig waterdamp en koolstofdioxide.

    De atmosfeer is opgebouwd uit vier lagen (zie afbeelding). De lagen zijn van elkaar gescheiden door ‘pauzes’, de hoogtes waarop de temperatuur toeneemt of afneemt.
    • De onderste laag is de troposfeer, waar de weersverschijnselen zich afspelen. Bij elke 100 meter die je in de troposfeer stijgt, daalt de temperatuur met 0,6 °C. Dat heet temperatuurgradiënt. Afwijkingen hierin hangen af van de luchtvochtigheid. Hoe droger, hoe hoger de temperatuurgradiënt.
    • De laag tussen de tropopauze en de stratopauze heet de stratosfeer. Deze laag bevat veel ozongas, dat voor de mens schadelijke ultraviolette straling uit het zonlicht filtert. Door de opname van ozon wordt de stratosfeer warm. In de stratopauze is het 0 °C.
    • De bovenste lagen zijn de mesosfeer en de thermosfeer. Veel meteorieten  verbranden in de mesosfeer en zijn op 25 km hoogte compleet uiteengevallen.
  • Stralingsbalans
    De aarde maakt deel uit van het planetenstelsel met de zon als stralende middelpunt. De zon is een gasbol met een oppervlaktetemperatuur van ten hoogste 6.000 °C. De zon is de belangrijkste energiebron op aarde en de motor achter de weersverschijnselen. De aarde wordt niet voortdurend warmer of kouder, dus moet er een evenwicht zijn tussen de hoeveelheid straling die de aarde bereikt en de hoeveelheid straling die de atmosfeer weer verlaat. Dit heet energiebalans of stralingsbalans.

    De albedo is het deel van het naar een hemellichaam (in dit geval de aarde) gestraalde licht dat dit hemellichaam weer terugzendt (zie afbeelding). Dat terugzenden gebeurt door de volgende weerkaatsingen:
    • Wolken (20%)
    • Aardoppervlak (4%)
    • Gasdeeltjes (6%)
    In de troposfeer wordt de energie ook opgenomen (23%).

    In totaal bereikt 47% van de kortgolvige (zonlicht) straling het aardoppervlak. Dit wordt omgezet in warmte en door de aarde als langgolvige (warmte) straling teruggekaatst. Dankzij de boeikasgassen wordt de meeste warmte weer geabsorbeerd (opgenomen) en teruggestraald naar de aarde. Alle langgolvige straling verdwijnt in de ruimte, maar het broeikaseffect vertraagt dit. Dat effect zorgt voor een temperatuurstijging van het onderste deel van de atmosfeer.
  • Variaties in de stralingsbalans
    De hoeveelheid straling die een bepaald gebied op aarde ontvangt is afhankelijk van het volgende:
    • De breedteligging
    • De albedo
    • De gesteldheid van het aardoppervlak

    Breedteligging
    Tussen ongeveer 35° N.B. en 35° Z.B. is een overschot aan energie. Er komt meer kortgolvige straling binnen dan er weer weggaat via langgolvige straling. Op breedten hoger dan 35° is het omgekeerde aan de hand. Dit komt door de bolling van de aarde. Dicht bij de evenaar vallen zonnestralen loodrecht in. Op lage breedte is de hoeveelheid straling groter dan op hoge breedte. De zonnestralen leggen een kortere weg af naar de dampkring, dus er wordt minder energie door de lucht opgenomen.

    Albedo
    Een besneeuwd gebied reflecteert bijvoorbeeld meer zonnestraling dan een bos. Het bos neemt meer energie op en verwarmt de lucht erboven dus meer. De albedo verschilt dus per gebied.

    Gesteldheid aardoppervlak
    Verschil tussen land een zee speelt ook een rol. Water wordt langzamer warm en koud dan land:
    • Zonlicht kan dieper doordringen in water dan in land. Dezelfde hoeveelheid energie moet dus over een grotere oppervlakte water worden verdeeld.
    • Water is in beweging, daardoor wordt de warmte beter verdeeld dan op land.
    • Het kost meer energie om water een graad in temperatuur te laten stijgen dan land.
    • Bij verdamping van water gaat energie uit het water naar de dampkring.
  • Wat is het verschil tussen weer en klimaat?
    • De toestand van de dampkring op een bepaald moment en voor een klein gebied, noem je het weer. 
    • Het klimaat is de gemiddelde toestand van het weer over een lange periode en voor een groot gebied.
  • Uit welke vier sferen bestaat het systeem aarde?
    • Atmosfeer
    • Hydrosfeer
    • Lithosfeer
    • Biosfeer
  • Uit welke lagen bestaat de atmosfeer?
    • Troposfeer
    • Stratosfeer
    • Mesosfeer
    • Thermosfeer
  • Wat is de temperatuurgradiënt?
    Het aantal graden Celsius temperatuurverandering over 100 m hoogteverandering in de dampkring of de aardkorst.
  • Wat is de albedo?
    De albedo is het deel van het naar een hemellichaam gestraalde licht dat dit hemellichaam weer terugzendt. Op de aarde gebeurt dat door de volgende weerkaatsingen:
    • Wolken (20%)
    • Aardoppervlak (4%)
    • Gasdeeltjes (6%)
  • Waar zorgt het broeikaseffect voor?
    Het broeikaseffect zorgt voor een temperatuurstijging van het onderste deel van de atmosfeer. 
  • Waar is de hoeveelheid straling die een bepaald gebied op aarde ontvangt afhankelijk van?
    • De breedteligging (meer straling op lage breedte)
    • De albedo (zon reflecteert meer dan bos)
    • De gesteldheid van het aardoppervlak (verschil land en zee)
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary 2:

  • Klimaatvraagstukken
  • H M van den Bunder, J H A Padmos L A Swartsenburg B van Wanrooij EMK TiekstraMedia
  • 9789006433197 or 9006433195
  • 3e dr., 3e opl.

Summary - Klimaatvraagstukken

  • 1.1 Manieren om klimaten uit het verleden te construeren

  • Wat is paleoklimatologie?
    Wetenschap die de vroegere klimaten op aarde onderzoekt en de mechanismen die de veranderingen hebben veroorzaakt.
  • Wat zijn proxy-indicatoren?
    Vervangingsindicatoren: indicatoren die indirect iets over een verschijnsel zeggen.
  • Wat zijn isotopen?
    Atomen met dezelfde chemische eigenschappen, maar met verschillende atoomgewichten.
  • Als je veel van de 18O isotoop aantreft in kalkskeletten, duidt dat op een koudere periode. Dit komt doordat bij een geringe verdamping van water de gevormde waterdamp vooral verrijkt met 16O. In het water blijft veel van de zwaardere 18O over.
  • Wat is de 14C-methode en waarvoor wordt het gebruikt?
    De ouderdomsbepaling waarbij het gehalte aan radioactieve koolstof wordt nagegaan. Het wordt dus gebruikt om de ouderdom van organisch materiaal te bepalen.
  • Wat is geomorfologie?
    Wetenschap die zich toelegt op de beschrijving en verklaring van de vormen in het landschap.
  • Wat is de pollenanalyse (palynologie) en waarvoor wordt het gebruikt?
    De wetenschap die zich met fossiele stuifmeelkorrels en sporen van mossen en varens bezighoudt. Ze probeert een beeld te vormen van de vegetatiegeschiedenis en het bepalen van het klimaat tijdens het Holoceen.
  • Wat is dendrochronologie?
    Ouderdomsbepaling door vergelijkend onderzoek van de jaarringen van bomen. Geeft ook informatie over klimaatsveranderingen.
  • 1.2 Het verre verleden

  • Wat is het actualiteitsprincipe?
    Dit principe gaat ervan uit dat natuurprocessen in het verleden en het heden op dezelfde manier verlopen en wordt gebruikt bij de verklaring van geologische verschijnselen.
  • 1.3 Kwartair (2,5 miljoen jaar geleden tot heden)

  • Wat zijn glacialen en wat zijn interglacialen en wat hebben ze met elkaar te maken?
    Glacialen zijn IJstijden en interglacialen zijn warmere tijden tussen de glacialen van het Pleistoceen (onderdeel van het Kwartair). Ze wisselen elkaar dus af.
  • Wat zijn conditionele factoren?
    De randvoorwaarden waaraan moeten worden voldaan voordat een bepaalde gebeurtenis plaatsvindt. 
  • Wat is sturend mechanisme?
    Factoren die bijdragen aan een gebeurtenis, maar niet de randvoorwaarden ervoor zijn.
  • Volgens Milankovitch drie cycli verantwoordelijk voor de klimatologische variaties:

    1. Excentrititeit
    2. Scheefstelling
    3. Precessie
  • Wat is excentriciteit?
    De verhouding van de grote en de kleine straal van de elliptische aardbaan.
  • Wat is scheefstelling?
    De hoek die de aarde maakt met het baanvlak van de aarde rond de zon.
  • Wat is precessie?
    De schommeling van de aardas.
  • 2.1 Niets nieuws onder de zon of alarmfase I?

  • Mondiale klimaatsverandering:
    -temperatuurstijging
    -afname van ijsbedekking
    -zeespiegelstijging
    -toename van extremen in het weer
  • Wat is sublimatie?
    De overgang van vast naar gas.
  • Wat is het IPCC?
    Het Intergovernmental Panel on Climate Change is een samenwerkingsverband van honderden deskundigen uit vele landen die hun kennis hebben gebundeld om klimaatverandering in kaart te brengen.
  • IPCC kijkt vooral naar:
    -waterbalans (smelten van landijs en het uitzetten van zeewater = thermische expansie)
    -ecosystemen (bedreiging van biodiversiteit = soortenrijkdom)
    -kwetsbaarheid van kustgebieden (erosie en  overstroming)
    -landbouw en visserij (effect op productiviteit)
    -industrie (relatie met versterking broeikaseffect)
    -gezondheid (gevaren)
  • Wat is het Kyoto-protocol?
    Het verdrag is genoemd naar de Japanse stad Kyoto waar op de VN-klimaatconferentie van 1997 afspraken gemaakt zijn over een gezamenlijke aanpak van het klimaatprobleem.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Bekijk de hadley cel goed
Good job
Waarvan hangt af of een gebied kwetsbaar is voor klimaatverandering?
De kwetsbaarheid van een gebied hangt af van natuurlijke factoren, zoals de bodem, de waterhuishouding en de kenmerken van de natuurlijke omgeving.
Hoe kunnen vulkaanuitbarstingen zorgen voor klimaatverandering?
Vulkaanuitbarstingen kunnen zorgen voor een lagere luchttemperatuur. Grote hoeveelheden stof zorgen ervoor dat het zonlicht reflecteert (en het oppervlak van de aarde dus nooit bereikt) en er treedt verkoeling op.
Welke methoden werden voor onderzoek naar vroegere klimaten en voor klimaten meer naar het heden toe gebruikt?
Vroeger
  • Onderzoek naar isotopen om de afwisseling van warmere en koudere periodes vast te stellen.
  • De 14C-methode om de ouderdom van materiaal te bepalen.
  • Geomorfologie en onderzoek van oude bodems om aanwijzingen te krijgen over het klimaat.

Richting het heden
  • Palynologie: door het tellen van de pollen veranderingen in klimaat vaststellen
  • Dendrochronologie: door het onderzoeken van jaarringen van bomen informatie krijgen over de klimatologische omstandigheden waaronder bomen zijn gegroeid.
  • Historische bronnen: informatiebordjes bij gletsjers en informatie van het KNMI. 
Waardoor ontstaat het corioliseffect en wat is het gevolg ervan?
Het corioliseffect ontstaat door de draaiing van de aarde.
Door het corioliseffect kan de wind die op grote hoogte van de evenaar naar de pool stroomt, de Noordpool niet bereiken. Op 30° N.B. is de lucht enorm afgekoeld en zakt naar beneden. Bij bereiken van het aardoppervlak, stroomt een deel terug naar de evenaar en een deel naar het noorden.

Als de in verschillende richtingen stromende luchten elkaar ontmoeten, botsen ze op 60° N.B. en dan stijgt de lucht. Aan de rand van de troposfeer stroomt een deel van deze lucht terug naar de pool. Het restant gaat richting de evenaar. Het gevolg is dat er zeven gordels van hoge en lage luchtdruk met het bijbehorende windsysteem zijn.
Wat zijn belangrijke middelen van de Nederlandse overheid om mensen beter te laten omgaan met het milieu?
  • Het verstrekken van subsidies.
  • Zorgen voor een belastingvoordeel. 
Waar hebben de verschillen in regelgeving van de EU-15 landen binnen het Europees klimaatbeleid mee te maken?
  • Met de economische en politiek belangen van een land.
  • Met de sociale aspecten zoals tradities en maatschappelijke betrokkenheid.
Hoe staan de rijke landen tegenover de minder ontwikkelde landen in de aanpak van het klimaatvraagstuk?
  • Minder ontwikkelde landen willen dat de westerse (rijke landen) milieuvervuiling afneemt, zodat zij zelf ook de mogelijkheid krijgen tot industrialiseren.
  • Rijke landen hebben meestal meer onderzoeksmogelijkheden en het beleid is meer gericht op technische maatregelen. Arme landen die minder ontwikkeld zijn hebben deze mogelijkheden niet of nauwelijks. Zij willen dus meer investeren in de economie ten koste van het milieu.
Welke andere initiatieven zijn er, naast de vermindering van het gebruik van fossiele brandstoffen en de toepassing van duurzame energie, om de schadelijke uitstoot van broeikasgassen te beperken? 
  • De winning van kernenergie.
  • Met een elektromotor aangedreven auto's.
  • CO2-opslag in leeggeraakte aardgasvelden. 
Waarom is Nederland zo geschikt voor de plaatsing van windturbines?
Vanwege de ligging aan de kust en het vlakke en open landschap dat voor windontwikkeling zorgt.