Summary Klinische neuropsychologie

-
ISBN-10 9053529756 ISBN-13 9789053529751
3466 Flashcards & Notes
235 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Klinische neuropsychologie". The author(s) of the book is/are Betto Deelman ( ). The ISBN of the book is 9789053529751 or 9053529756. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Klinische neuropsychologie

  • 1.1 Wat is klinische neuropsychologie

  • Wat zijn de effecten van hersenaandoeningen op het psychologisch functioneren?
    Om de gevolgen goed te kunnen begrijpen is kennis over de relatie tussen hersenen en gedrag belangrijk.
  • Welke verschillende functies bestaan er volgens de celtheorie?
    1. informatie uit zintuigen
    2. beeld
    3. het geheugen

  • Uitgangspunt van Descartes
    De mens kan worden opgedeeld in het lichaam res extensa en de geest res cognitas (in epifyse of pijnappelklier)
  • Wat was de belangrijkste stelling van Gall?
    Dat er sprake is van onafhankelijke functies. een breuk met het ideen van de ziel en een ongedeelde geest.
  • Wat werd de clinicoanatomische methode genoemd?
    De werkwijze om de lokalisatie-ideeën te toetsen bij patiënten met een focaal hersenletsel de specifieke uitvalverschijnselen in kaart te brengen.
  • 1.3 Lokalisatie en plaatsbepaling

  • Wat ontdekte Broca
    Dat  aan de voet van de derde frontaalwinding taal zat. een sequentie van klanken die past bij een woord.
  • Welke tegenstelling tussen Broca en Hughlings-Jackson speelt nog een rol in de hedendaagse cognitieve neuropsychologie
    Sommige geloven meer in een beschrijving van cognitieve functies in termen van modules anderen geloven meer in neurale netwerken, die zich vormen onder invloed van ervaringen.
  • Wie betoogde dat een goed functioneren van de hersenen vooral van belang was om te kunnen reflecteren op binnenkomende stimuli, in plaats van daar direct op te reageren?
    Goldstein (leerling Wernicke)
  • 1.4 Dissociaties en dubbele dissociaties

  • Dubbele dissociaties
    je kunt van onafhankelijke functies spreken als bij een laesie op plaats X functie A aantast en niet functie B en als bij een laesie in gebied Y functie B uitvalt en niet A.
  • 1.5 Een globaal model

  • Wie zocht een evenwicht tussen holistische en lokalisationische opvattingen?
    Luria
  • Leg uit waarom Luria benadrukte dat het functionele systeem van de hersenen flexibel en adaptief is.
    Wanneer een specifie gedragsdoel door omstandigheden of door stroornissen niet op een bepaalde manier bereikt kan worden dan worden andere strategieën gevolgd, zodat met inzet van geheel andere subsystemen toch hetzelfde einddoel gerealiseerd kan worden.
  • Wat is het gevolg van deze flexibiliteit en adaptie?
    Men kan nooit rechtstreeks conclusies trekken over de verantwoordelijke subsystemen en dus ook niet over de intactheid of beschadiging van specifieke hersenregionen.
  • Hoe vatte Luria de functionele indeling van de hersenen samen?
    - 3 voortdurend interacterende functionele eenheden (units), gerelateerd aan respectievelijk subcortcale, posterieure en anterieure hersengebieden (resp. activatie, input en output);
    - 3 hiërarchisch geordende niveau's van verwerking, gerelateerd aan primaire, secundaire en tertiaire "zones" in de hersenen;
    - gedrag dat wel of niet gereguleerd wordt door taalprocessen, gerelateerd aan repectievelijk de linker- en de rechterhemisfeer.
  • Licht de drie indeling, waarbij een gedragswetenschappelijk begrip gekoppeld wordt aan een anatomisch-fysiologisch aspect van de hersenen
    Bij iedere mentale activiteit zijn alle drie genoemde functionele eenheden betrokken.
    1. regulatie van waakzaamheid, aandacht (hersenstam, diëncefalon en mediale gebieden van de grote hersenen).
    2. cognitieve informatieverwerking: waarneming, verwerking en opslag (achter de ventrale fissuur: de posterieure gebieden van de laterale cortex.
    3. de organisatie van gedrag. gebieden vóór de centrale fissuur: de motorische, premotorische en prefrontale cortex.
  • 1.6 De meest gemaakte fouten

  • Geven neurale netwerken aan hoe de hersenen werken?
    Neurale netwerken bieden weinig inzicht in hoe het proces verloopt
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Probeer aan de hand van onderstaand figuur kort samen te vatten hoe de signaaloverdracht verloopt. Gebruik daarbij de volgende begrippen: synthese, synaps, postsynaptische receptor, autoreceptor, heteroreceptor, ionotrope, metatrope, terugopname.
De synaptische overdracht van informatie van een zenuweindiging naar een andere zenuwcel wordt verzorgd door een neurotransmitter . Synthese van de transmitter door een enzym (1), na opname in het neuron van de benodigde grondstof (precursor) uit de extracellulaire vloeistof. Synthese vindt ook in het cellichaam plaats; gevolgd door transport van de transmitter naar de zenuweindiging. Opslag van de transmitter in de synapsblaasjes (2), waar de stof beschermd is tegen intracellulaire enzymatische afbraak (12). Afgifte van de transmitter uit de synapsblaasjes aan de synaps (6) na aankomst van de actiepotentiaal (3) door een instroom van calciumionen (4). Deze afgifte kan geremd worden door activatie van autoreceptoren (10) of geremd/bevorderd worden door activatie van heteroreceptoren (5). Metabotrope (7) of ionotrope (8) postsynaptische receptoren worden geactiveerd. Afbraak van de transmitter door extracellulair enzym (9) en afvoer van de gevormde metabolieten naar het bloed, of terugopname van de transmitter (of een metaboliet ervan) door transporteiwit (11) in het presynaptische neuron gevolgd door opslag in synapsblaasjes (2). Door volumetransmissie in de extracellulaire vloeistof kunnen transmitters eventueel ook receptoren op het cellichaam of op nabijgelegen neuronen bereiken.
In het eerste plaatje ziet u een scan van mevrouw P. De arts laat haar deze scan zien en neemt er ook een schematische tekening van het brein bij, zodat duidelijk wordt waar de beschadiging zich bevindt. De arts legt uit dat de beschadiging zich bevindt in het gebied waar de 1 staat.Waar heeft mevrouw P een beschadiging?
Er is een beschadiging in de orbitofrontale cortex.
Wat is een dosis effectcurve?

Een curve waarop wordt zowel de sterkte van een dosis wordt afgezet tegen het percentage mensen dat erop reageert.

Wat is therapeutische breedte?

De therapeutische concentratie van een stof. Ligt tussen de drempelwaarde en toxisch effect.

Luria vatte de functionele architectuur v/d hersenen samen aan de hand van 3  globale indelingen.
  1. drie voortdurend interacterende functionele eenheden gerelateerd aan respectievelijk: subcorticale, posterieure en anterieure hersengebieden.
  2. 3 hierarchische geordende niveaus van verwerking, gerelateerd aan primaire, secundaire en tertiaire zones in de hersenen.
  3. gedrag dat wel of niet gereguleerd wordt door taalprocessen, gerelateerd aan respectievelijk linker-en rechterhemisfeer.
Wat is de incidentie van deze aandoening (CTE) en welke beroepsgroepen hebben een vergrote kans om dit te ontwikkelen?
In Nederland worden jaarlijks vijftig nieuwe gevallen vastgesteld. De volgende beroepsgroepen hebben een verhoogde kans om deze aandoening te krijgen: schilders, spuiters, drukkers, stoffeerders, schoenmakers, medewerkers in de chemische industrie, medewerkers van stomerijen, medewerkers in de elektronische industrie en laboranten.
Welke factoren kunnen een rol spelen bij de ontwikkeling van deze aandoening (CTE)?
De volgende factoren kunnen van invloed zijn op de ontwikkeling van CTE:
- hoogte van de blootstelling
- individuele gevoeligheid
- mate van fysieke activiteit tijdens de blootstelling
- het al dan niet gebruiken van beschermingsmiddelen
- cumulatief of interactie-effect van blootstelling aan mengsels van (oplos)middelen
- de frequentie van momenten van acute intoxicatie
- invloed van sociaal-emotionele problemen en maatschappelijke inbedding
Nanda gaat meekijken bij een neuropsychologisch onderzoek. De patiënt is doorverwezen via de psychiater. De patiënt (geboortedatum 17 mei 1965) heeft moeite met het op orde krijgen van zijn leven en kampt met concentratieklachten bij langdurige activiteiten.In de wachtruimte ziet Nanda een redelijk verzorgde man, die oogt conform zijn kalenderleeftijd. Hij loopt door de wachtkamer en bekijkt de schilderijen en kijkt naar buiten door het raam. Als hij Nanda en de neuropsycholoog ziet, loopt hij impulsief naar hen toe en geeft hen een hand.Hieronder volgt een gedeelte vanuit de anamnese.Neuropsycholoog: U bent via de psychiater verwezen naar onze polikliniek. Ik heb enkele gegevens gekregen van de psychiater. Toch wil ik ook graag de klachten met u doornemen, zodat ik een goed beeld kan vormen van uw situatie. Graag wil ik van u horen wat de belangrijkste klachten zijn.Patiënt: Ik heb het gevoel mijn leven niet op orde te krijgen. Net alsof alles misgaat waar ik aan begin. Ik kan daar best depri van worden en soms zelfs agressief, zeker als mensen om me heen gaan zeuren!Neuropsycholoog: Kunt u enkele voorbeelden noemen?Patiënt: Bijvoorbeeld als ik een nieuwe baan heb, dan heb ik al snel het gevoel dat er geen uitdaging meer is. Als ik geen uitdaging in een baan zie, dan stop ik er geen energie meer in met als gevolg dat ik al drie keer ontslagen ben. Ik ben de laatste keer helemaal door het lint gegaan toen ik werd ontslagen, ik heb de computer die voor me stond op de grond gegooid. Gelukkig stond een collega bij me, anders had ik mijn baas bij zijn hals gegrepen. Later had ik natuurlijk spijt, maar ja dat gebeurt in zo’n situaties. Maar niet alleen merk ik het op het werk, ook met vrienden. Nieuwe vrienden vind ik leuk en gezellig, maar als het langer duurt dan raak ik op ze uitgekeken. En dan hoeft het allemaal niet meer zo van mij.Neuropsycholoog: U ervaart dus klachten op werkgebied en in sociale relaties. Ervaart u ook problemen in de thuissituaties? Hoe gaat het bijvoorbeeld met het regelen van de huishoudelijke administratie, zoals het betalen van rekeningen?Patiënt: Daar noemt u er een! Meerdere malen kreeg ik een aanmaning omdat ik een rekening niet zou hebben betaald. Maar als ik dan op zoek ga naar die eerste rekening, dan kan ik hem niet vinden. Maar ja, het is wel een chaos op mijn bureau. Wat dat betreft ben ik best een sloddervos. Laatst stond zelfs een deurwaarder op de stoep! Toen mijn zus dat hoorde, stond ze erop dat zij alles voor mij zou regelen. Vaak merk ik ook dat ik ergens aan begin en het dan niet afmaak. Dat kan dan van alles zijn, bijvoorbeeld stofzuigen of klussen in huis, zelfs bij het kijken naar een film. Het lijkt wel alsof ik mezelf niet genoeg tijd gun, telkens ervaar ik een onrustig gevoel van binnen. Ik weet er gewoon geen raad mee!Welke overige aspecten zouden nog in kaart moeten worden gebracht (naast ADHD)? En waarom?
Depressiesymptomen, aangezien zijn gedrag hem vaak frustreert en hij daardoor somber wordt.
Coping-gedrag, dit moet in kaart gebracht worden omdat betrokkene aangeeft vaak agressief te reageren.
Welke cognitieve domeinen zou de psycholoog willen onderzoeken (ADHD)? En waarom?
Gerichte aandacht: vaak is er sprake van verhoogde afleidbaarheid bijpatiënten met ADHD, waardoor het lastig is om hun aandacht goed te richten op een aspect.
Volgehouden aandacht: problemen ontstaan vaak pas wanneer een taak langer duurt, dit komt ook naar voren bij deze patiënt.
Executieve functies: ADHD-patiënten hebben moeite met het inhiberen van stimuli en gedragen zich dus impulsief.
Geheugen: vaak hanteren ADHD-patiënten weinig structuur bij het opnemen van informatie, dit kan het geheugen beïnvloeden
Welke gevolgen heeft de ziekte (epilepsie) voor het cognitief functioneren?
Tot nog toe is het niet duidelijk of epilepsie leidt tot cognitieve achteruitgang. Er zijn namelijk geen longitudinale onderzoeken bekend die hier een uitspraak over kunnen doen. De meest gerapporteerde cognitieve klachten betreffen het geheugen. Met name lijkt de consolidatie van episodische informatie te zijn verstoord. Slechts zelden heeft een epilepsie een afasie tot gevolg. Het is wel mogelijk dat er afatische episoden voorkomen als enig klinisch verschijnsel van een partiële epileptische aanval of ten gevolge van een status epilepticus. Soms hebben patiënten moeite met het benoemen. Wat betreft aandacht, zijn er weinig aanwijzingen dat epilepsie leidt tot stoornissen op dit gebied.