Summary Klinische psychologie : theorieën en psychopathologie

-
1676 Flashcards & Notes
28 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Klinische psychologie : theorieën en psychopathologie". The author(s) of the book is/are Henk van der Molen, Sandra Perreijn, Marcel van den HoutT. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Klinische psychologie : theorieën en psychopathologie

  • 1 het terrein van de klinische psychologie

  • Welke kritiek bestaat er op de verklaringen die voortkomen uit het onderzoek naar de rol van neurotransmitters bij psychische stoornissen?
    afwijkingen in neurotransmitterssystemen hangen samen met een tal van syndromen
  • Volgens hoogleraar Duijker dient er een onderscheid te worden gemaakt tussen 2 disciplines, welke? 
    basisdiscipline en toepassingsgerichte discipline
  • Welke van de volgende woorden hoort niet thuis bij de theorie van Beck van depressie?  Schemata, logische fouten, cognitieve triade, aangeleerde hulpeloosheid
    aangeleerde hulpeloosheid
  • Welke 5 basisdisciplines zijn er volgens Duijker? 
    De psychologische functieleer, de ontwikkelingspsychologie, gedragsleer (sociale psychologie), persoonlijkheidspsychologie en methodenleer
  • Wat hoort bij een complementair interactiepatroon?
    Mensen nemen verschillende posities in en wisselen andersoortige berichten uit.
  • Welke toepassingsgerichte disciplines zijn er?
    klinische psychologie, arbeids- en organisatiepsychologie, onderwijspsychologie 
  • Tweede, meest voorkomende vorm van dementie
    vasculaire dementie
  • Geef een samenvatting van verschillende definities van klinische psychologie 
    De psychologie die zich bezig houdt met elke vorm van 'abnormaal' of 'afwijkend' gedrag (vooral psychische stoornissen). Het diagnosticeren, maar ook het behandelen, preventie en onderzoek. 
  • Wat is dissociatieve fugue?
    huis en haard plotseling verlaten en elders een ander leven beginnen, zonder het verleden te kunnen herinneren
  • Mensen kunnen individuele afwijkingen hebben op 3 gebieden, welke?
    gedrag (bijv. overmatig alcoholgebruik) gedachten (bijv. dwanggedachten), beleving (bijv. extreme angst) 
  • Wat is het gelijktijdig aanbieden van een angstige stimulus met een leuke?
    contraconditionering
  • Mensen kunnen afwijkingen hebben t.o.v. van relaties met anderen, zoals: 
    agressie, extreme teruggetrokkenheid, hechting problematiek 
  • Wat is boulimia
    Herhaaldelijk optredende eetbuien
    Herhaaldelijk overgaan tot compensatiegedrag, gemiddeld 2x per week gedurende 3 maanden
    lage zelfwaardering over eigen lichaam
  • Wat is het verschil tussen klinisch psychologen en psychiaters? 
    Klinisch psychologen: Vaak methodologisch beter onderlegd, hebben psychologische achtergrond. Psychiaters: medische achtergrond, mogen medicatie voorschrijven, meer gespecialiseerd in biologische aspect van stoornissen. 
  • Wat doen geneesmiddelen bij angststoornissen?
    tricyclische antidepressiva - noradrenaline - angstdempend
    serotonerge middelen - serotonine - paniekremmend
    benzodiazepinen - ondersteunen de remmende werking op GABA - angstreducerend en rustgevend
  • Wie onderscheiden 7 factoren die bepalen of gedrag 'abnormaal' of 'pathologisch' is 
    Seligman, Walker en Rosenhan (2001)
  • Waar leidt een overmaat aan dopamine toe?
    schizofrenie
  • Welke 7 factoren onderscheiden Seligman e.a.? 
    1. Persoonlijk lijden
    2. Disfunctionaliteit van het gedrag (niet normaal kunnen functioneren) 
    3. Irrationeel en onbegrijpelijk gedrag
    4. Onvoorspelbaarheid en controleverlies
    5. Opvallend en onconventioneel gedrag (indien ook sociaal onwenselijk) 
    6. Gedrag dat anderen een ongemakkelijk gevoel geeft (restregels/ongeschreven regels overtreden) 
    7. Het overtreden van morele normen 
  • Wat is het gevolg van een beschadiging aan de linker hemisfeer?
    Initiatiefverlies, affectvervlakking en sociale teruggetrokkenheid
  • De Jong formuleert 2 typen fouten, bij classificatie vanuit de DSMIV, namelijk fout-positieve diagnosen en fout-negatieve diagnosen. Wat betekent dit?
    Fout-positieve diagnosen: De hulpverlener is onvoldoende op de hoogte van culturele verschillen bij allochtonen. Hij/Zij kan iemand als 'schizofreen' bestempelen door bepaalde uitlatingen, terwijl dit in een andere cultuur heel 'normaal kan zijn'. 
    Fout-negatieve diagnosen: De hulpverlener is onvoldoende op de hoogte van culturele verschillen, waardoor hij kan denken ' het zal wel bij de cultuur horen' en daardoor een patiënt onterecht niet pathologisch verklaren. 
  • Welke stelling past bij Beck?
    Disfunctionele opvattingen: opvattingen die aanleiding geven tot onnodig veel emotionele en/of gedragsmatige problemen
  • transculturele diagnostiek = diagnostiek die plaatsvindt tussen 2 mensen met een verschillende culturele achtergrond
  • Wat is onderscheid tussen Freud en egopsychologie?
    Ego veronderstelt dat de ontwikkeling van de persoonlijkheid niet na de jeugd is afgerond
  • outline for cultural formulation = bijlage in DSM (opsomming van culturele aandachtspunten die helpen bij het stellen van de juiste diagnose) 
  • Wanneer is er volgens Maslow zelfverwerkelijking bereikt?
    Niet kijken naar beperkingen maar naar de mogelijkheden van een individu. Als deze allemaal zijn bereikt
  • Wat is kenmerkend aan het statisch model t.o.v. het medisch of leer/onderwijs model? 
    Dit model heeft vooral betrekking op het afgrenzen van normaal vs. abnormaal gedrag 
  • Wat is geen kenmerk van de theorie van Nagy?
    -rigide coalitie
    -feitelijke kenmerken
    -psychologische processen
    -interactie patronen
    -relationele ethiek
    rigide coalitie
  • Noem 3 bezwaren tegen het statisch model
    1. Waar wordt precies de grens naar pathologisch getrokken? Bij hoog of bij zeer hoog, IQ van 80 of 90 etc. 
    2. Hoe ongewoon moet gedrag zijn? Bijv. transgender stoornis 
    3. Een extreme score hoeft niet altijd persoonlijk lijden te veroorzaken 
  • Wat is de overeenkomst tussen een persoonlijkheids vragenlijst en klachtenlijst?
    Persoonlijk: stabiele kenmerken
    Klachten: meten verschijnselen die toestand gebonden zijn en die in de loop van de tijd kunnen veranderen.
    Overeenkomst: wordt door de patiënten zelf ingevuld
  • Somatogene mechanismen = lichamelijke aandoening die aan psychische stoornis ten grondslag ligt
  • Psychologie en een stelling dat de theorieën onvergelijkbaar zijn (relativisme)
    Verschillende theorieën leveren verschillende verklaringen op. De geldigheid van een verklaring hangt ook samen met de geldigheid van de gebruikte theorie.
  • Scientist-practitioner model = Binnen de klinische psychologie kun je zowel werkzaam zijn als wetenschapper en als therapeut 
  • Wat is het verschil tussen een gegeneraliseerde angststoornis en een obsessief-compulsieve stoornis?
    gegeneraliseerd: inhoudelijk, angstige gedachten voor alles wat met onfortuinlijke wendingen die het leven kan aannemen te maken heeft, gedachten gericht op de toekomst.
    obsessief-compulsief: telkens terugkerende beelden ipv verschillende, de gedachten worden als opgedrongen en misplaatst ervaren
  • Nadeel van het leer/onderwijsmodel
    Alleen toepasbaar als de patiënt nog 'aanspreekbaar' of 'verantwoordelijk' is
  • Waar kan een vrouw die gescheiden is last van hebben?
    aanpassingsstoornis
  • Noem 3 voordelen van het leer/onderwijsmodel
    1. Het voorkomt stigmatisering door niet te labelen
    2. Het doet meer recht aan eigen verantwoordelijkheid van de patiënt
    3. Onderwijsterminologie sluit beter aan bij de behandeling
  • Hoe meet je BMI?
    Gewicht delen door lengte in het kwadraat
  • Hoe probeert men publiekelijke stigmatisering aan te pakken?
    Door voorlichting en door mensen met elkaar in contact te brengen
  • Wat is het verband tussen de serotoninehypothese en vreetbuien van boulimia?
    Indien men tekort aan serotonine heeft zal men koolhydraatrijk voedsel gaan eten. Hierdoor wordt het serotoninepeil verhoogd en het humeur wordt beter. Zelfmedicatie.
  • Psychogene mechanismen = psychologische grondslag van de psychische stoornis 
  • vraag over 3 stellingen over bipolaire-I-stoornis
    Kenmerken zich door klachten die voldoen of gedaan hebben aan de criteria van zowel een depressieve als een manische of gemengde episode (uitz. weinig voorkomende alleen manische of hypomane periode)
  • Noem 2 bezwaren tegen het medisch model

    1. De patiënt is afhankelijk van de therapeut bij de gekozen therapie, terwijl veel somatogene mechanismen nog helemaal niet bekend zijn, waardoor er onterecht gesproken kan worden van psychogene mechanismen 
    2. Met het 'labelen' van psychische stoornissen stigmatiseert men een bepaalde doelgroep en werkt met 'self fulfilling prophecy' in de hand bij de patiënten 
  • 3 stellingen over parafilieën
    als hij of zij steeds terugkerende intense seksuele drang en seksueel opwindende fantasieën heeft of seksuele gedragingen vertoont die gericht zijn op: niet-menselijke objecten, het lijden of vernederen van zichzelf of een partner en/of kinderen of niet-instemmende volwassenen
  • Casus over cyclothyme stoornis
    Gedurende min. 2 jaar last van talrijke episoden met hypomane kenmerken, afgewisseld met al even talrijke episoden waarin enige depressieve kenmerken optreden. Nimmer wordt echter de criteria voor een manische of depressieve episode gehaald. Symptoomvrije perioden duren nooit langer dan 2 maanden (=chronische aandoening)
  • Alter en DIS
    bestaan uit twee of meer verschillende persoonlijkheidstoestanden, ook wel alter genoemd, die het gedrag wisselend van elkaar overnemen. Alters hebben vaak een beschermende functie na een traumatische ervaring. Zo blijven deze herinneringen in gedissocieerde vorm voortbestaan.
  • Mensen met welke persoonlijkheidsstoornis zijn het meest onder behandeling?
    Borderline
  • Wat houdt waanstoornis, jaloesheidtype in?
    de onrechtvaardige zekerheid dat je partner ontrouw is
  • Stelling over delirium
    Ontstaan tijdens de intoxicatie of onthouding. Meestal acute psychose waarbij de vuurrode zwetende patiënt een sterk verlaagd bewustzijn heeft, een verhoogde lichaamstemperatuur en bloeddruk en een snellere pols. De vaak extreem angstige patiënt trilt hevig en maakt steeds allerlei denkbeeldige handelingen die meestal te maken hebben met zijn werk. Bij alcohol hebben de patiënten vaak hallucinaties over kleine diertjes.
  • Bij welke middelen komen onthoudings- en intoxicatieverschijnselen overeen?
    cocaïne en amfetamine
  • Noem een stimulerend middel
    amfetamine
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Welke zes persoonlijkheidsmodellen zijn er?
  1. Het BIG FIve-model -> is het meest prominente dimensionale persoonlijkheidsmodel. Individuele verschillen in taal worden weergegeven. Bestaat uit 500 worden die een persoonlijkheidseigenschap beschrijven. Deze zijn vervolgens gereduceerd tot 30 facetten van eigenschappen en vijf basisfactoren. De vijf factoren zijn: neuroticisme (emotionel instabiliteit), extraversie (een naat buiten gekeerde attitude), openheid (open staan voor nieuwe ervaringen), altruïsme (op de ander gericht zijn / vriendelijkheid) en consciëntieusheid (plichtgetrouwheid, zorgvuldigheid)
  2. Het temperamentmodel -> is een psycjobiologisch model dat bestaat uit de temperamentdimensies : 'novelty seeking' (het zoeken naar prikkels), 'harm avoidance' (het  vermijden van leed), 'reward dependence' (het gevoelig zijn voor beloning en waardering) en 'persistence (volharding, aangevuld met vier karakterdimensies. De vier temperamentdimensies zouden erfelijk bepaald zijn en al vroeg in de ontwikkeling zichtbaar zijn. Later is de karakterdimensie 'affectieve stabiliteit' toegevoegd aan het model.
  3. Het cognitieve model -> veronderstelt dat het menselijk reageren in emotie en gedrag niet beïnvloed wordt door de objectieve situatie, maar door de subjectieve perceptie van de situatie. In dit model vormen de zogenaamde schema's die in het geheugen zijn opgeslagen een belangrijk uitgangspunt bij de definiëring van het begrip 'persoonlijkheid'. Persoonlijkheidsstoornissen worden gekenmerkt door disfunctionele assumpties die verwijzen naar onderliggende (disfunctionele schema's. De therapeut probeert samen met de cliënt de centrale disfunctionele assumpties te identificeren en te veranderen en nieuwe, meer functionele schema's op te bouwen. Daarbij wordt een hiërarchiscj onderscheid gemaakt tussen fundamentele, conditionele en instrumentele assumpties. 
  4. Een interpersoonlijk model van persoonlijkheidsstoornissen -> in het model van Leary staat de interpersoonlijke communicatie centraal. Volgens dit model verwerven mensen vroeg in de ontwikkeling een interpersoonlijke stijl, eigenen zij zich bepaalde rollen toe en ontwikkelen zij een definitie van zichzelf. Diagnostiek met behulp van de interpersoonlijke cirkel richt zich op de observeerbare interpersoonlijke gedragingen van mensen. 
  5. Een psycjodynamisch model: de theorie van Kernberg -> De mate van rijpheid bam het 'ego' en de vraag of er sprake is van een defect of een conflict in de organisatie van de persoonlijkheid staan in dit model centraal. Hier worden drie criteria bij gehanteerd: 1.) kwaliteit van de realiteitstoetsing, 2.) kwaliteit van de afweermechanismen, 3.) de mate van integratie van het beeld dat iemand van zichzelf en van anderen heeft. Op grond van de drie aspecten van het functioneren van het ego onderscheidt Kernberg drie kwalitatief van elkaar verschillende organisatie niveaus van het ego: de neurotische, de borderline- en de psychotische persoonlijkheidsorganisatie. 
  6. Het biosociale leermodel van Millon -> ontwikkelt de persoonlijkheid zich door een samenspel tussen biologische disposities en leerervaringen waarbij bekrachtiging een belangrijke rol speelt. 
Wat speelt een belangrijke rol bij het ontstaan van persoonlijkheidsstoornissen?
Bij persoonlijkheidsstoornissen zoals omschreven in de DSM spelen genen een belangrijke rol en dat lijkt met name te gelden voor de stoornissen uit het ('dramatische') B-cluster en het ('angstige') C-cluster. 

Men veronderstelt dat genen hun effect hebben in combinatie met omgevingsfactoren. Door genetische verschillen reageren mensen bijvoorbeeld verschillende op gebeurtenissen die zij meemaken.
Wat zijn de kenmerken van mensen met een obsessief-compulsieve of dwangmatige persoonlijkheidsstoornis?
  • Ze zijn gepreoccupeerd met ordelijkheid, perfectionisme en controle
  • Besteden overmatig veel aandacht aan onbelangrijke details
  • Houden zich star aan regels en procedures vast, wat ten koste gaat van de efficiëntie
  • Het is nooit goed genoeg
  • Werk wint het altijd van ontspanning
  • Nemen van beslissingen stellen zij dikwijls uit
  • Taken delegeren of samenwerken met anderen gaat hun moeilijk af omdat ze dan de controle over de uitvoering kwijtraken
  • Suggesties van anderen worden niet op prijs gesteld
  • Gierigheid en zuinigheid
  • Vaak een sobere levensstijl, zelfs als ze over ruime financiële middelen beschikken
  • Geld uitgeven doen ze niet graag, omdat ze een flinke spaarpot willen hebben voor het geval er ooit slechtere tijden aanbreken
  • Zijn moeilijk van eigen normen en waarde af te brengen
  • Door hun koppigheid en starheid komen ze nog wel eens in conflicten met anderen 
  • Moeilijke om spullen weg te gooien, mogelijk nog een keer kunnen gebruiken.
Wat is een belangrijk verschil tussen afhankelijke persoonlijkheid en de vermijdende persoonlijkheid?
Een klinisch relevant verschil tussen deze twee is dat de patiënt met een afhankelijke persoonlijkheid relaties aangaat, maar deze niet los durft te laten, terwijl de patiënt met een vermijdende persoonlijkheid relaties met mensen wenst, maar niet aandurft. 
Wat zijn de kenmerken van mensen met een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis?
  • Hebben behoefte verzorgd te worden
  • Gedragen zich onderdanig en klampen zich aan anderen vast.
  • Zijn niet in staat alledaagse beslissingen te nemen zonder een forse dosis advies en steun van anderen
  • Alleen voelen zij zich ongemakkelijk en hulpeloos
  • Het initiatief en de verantwoordelijkheid voor beslissingen laten zij zo veel mogelijk aan anderen over; zelf zijn ze vrij passief
  • Hebben weinig zelfvertrouwen en denken vaan dat anderen dingen beter kunnen dan zij.
  • In relaties offeren ze zich op en toleren ze veel.
  • Ze zijn bang dat ze in de steek worden gelaten door degene van wie ze steun ontvangen, ook al is er geen aanleiding voor die gedachte.
Wat is het verschil tussen een ontwijkende persoonlijkheid en een afhankelijke persoonlijkheid?
Een verschil is dat mensen met een ontwijkende persoonlijkheid vooral gericht zijn op het vermijden van afkeuring, terwijl bij mensen met een afhankelijke persoonlijkheid de behoefte aan zorg centraal staat.

Beide persoonlijkheidsstoornissen komen echter vaak bij één persoon voor; individuen met een vermijdende persoonlijkheid zijn vaak erg gehecht aan en afhankelijk van kleine aantal mensen met wie ze bevriend zijn. 
Wat zijn de kenmerken van mensen met een ontwijkende of vermijdende persoonlijkheidsstoornis?
  • Een patroon van geremdheid in het contact met anderen
  • Een gevoel tekort te schieten en een angst door anderen negatief te worden beoordeeld
  • Verlegen 
  • Gaan vaak alleen relaties aan als ze er zeker van zijn dat de ander hen mag
  • Willen wel sociale contacten maar vermijden deze omdat ze bang zijn te worden bekritiseerd of afgewezen
  • Vinden het moeilijk om over zichzelf te praten
  • In intieme relaties zijn ze terughoudend, tenzij ze het idee hebben dat de ander hen volledig accepteert
  • Laten zich slechts met moeite tot groepsactiviteiten overhalen gedragen zich dan onopvallend
  • Veronderstellen dat andere mensen hen met een zeer kritisch oog bezien en zijn overgevoelig voor mogelijke aanwijzingen van kritiek op hun persoon.
  • Vooral in onbekende situaties voelen ze onzeker.
  • Vermijden uit veiligheid en zekerheid onbekende activiteiten
  • Hebben vaak een beperkt sociaal netwerk (en daardoor weinig sociale steun als er problemen zijn of als zij anderszins hulp kunnen gebruiken)
  • Zijn geneigd in hun werk sociale situaties te mijden die voor hun beroepsmatig functioneren en hun loopbaan van belang kunnen zijn. 
Wat zijn de kenmerken van mensen met een narcistische persoonlijkheidsstoornis?
  • Een patroon van grootheidsgevoelens (zowel in fantasie als in gedrag).
  • Behoefte aan bewondering.
  • Gebrek aan empathie.
  • Vinden zichzelf erg belangrijk en bijzonder; soms wordt dit echter met minderwaardigheidsgevoelens afgewisseld. 
  • Zijn vaak overgevoelig voor het oordeel van anderen, maar zullen dit niet erkennen.
  • In relaties zijn zij gericht op het behalen van eigen voordeel en neigen zij tot het uitbuiten van de ander.
  • Overschatten vaak hun eigen capaciteiten en prestaties en zijn geneigd die van andere te onderschatten.
  • Ze verwachten dat andere mensen ook zien hoe bijzonder zij zijn en reageren verontwaardigd of boos als hun niet de lofuitingen of privileges ten deel vallen die ze menen te verdienen.
  • Fantaseren over hun eigen success, macht en genialiteit.
  • Ze kunnen zich niet goed inleven in de gevoelens van anderen (of willen dat niet).
  • Ze zijn zelf snel gekwetst, maar lijken zich weinig aan te trekken van de mogelijkheid dat ze zelf ook anderen kunnen kwetsen.
  • Zijn vaak jaloers op de successen of bezittingen van anderen, of ze denken dat anderen jaloers zijn op hen.
Wat zijn de kenmerken van mensen met een theatrale persoonlijkheidsstoornis?
  • Gedragen zich overdreven emotioneel en proberen voortdurende de aandacht van ander op zich te vestigen.
  • Zoeken constant bevestiging, goedkeuring en complimenten van anderen.
  • Voelen zich ongemakkelijk in situaties waarin ze niet in het middelpunt van de belangstelling staan.
  • Zich seksueel verleidelijk en uitdagend gedragen, ook in situaties waar dat ongepast is en wanneer ze niet uit zijn op seksueel contact.
  • Gebruiken hun uiterlijk om aandacht te trekken en besteden vaak veel tijd en geld aan hun uiterlijke verzorging.
  • Hun emotionele uitingen zijn oppervlakkig en wisselen elkaar snel af.
  • Taalgebruik is erg impressionistisch: ze praten in algemene, vage termen, zonder hun opvattingen met argumenten te onderbouwen en zonder nuanceringen. -> vinden iets of iemand geweldig maar kunnen niet uitleggen waarom.
  • Begroeten vage kennissen overdreven hartelijk of tonen ze hevige woede na een klein voorval -> deze emotionele uitingen maken dikwijls een onechte indruk, ook omdat ze vaak kortstondig zijn.
  • Ze zijn makkelijk te beïnvloeden door anderen of door de omstandigheden; ze zijn erg suggestibel.
  • Ze zijn ook geneigd de relaties die ze met andere hebben, als intiemer te beschouwen dan feitelijk zijn. -> vage kennis = al goede vriend
Wat zijn de kenmerken van mensen met een borderline-persoonlijkheidsstoornis?
  • Een patroon van instabiliteit van het zelfbeeld, relaties met anderen en emotionele reacties.
  • Identiteitsstoornissen, sterk wisselende emoties (van gedeprimeerd tot prikkelbaar en angstig) en impulsiviteit ontbreken bijna nooit.
  • Bang dat ze in de steek worden gelaten en doen allerlei pogingen om dat te voorkomen (door andere te manipuleren)
  • Als ze - al dan niet terecht - het idee hebben dat iemand hen afwijst, in de steek laat of niet genoeg om hen geeft, kan dat tot hevige reacties leiden. 
  • Leggen de schuld vaak bij zichzelf.
  • Hun- vaak extreme - oordeel over mensen kan plotseling omslaan in het tegenovergestelde.
  • Hebben vaak instabiele en intense relaties.
  • Hun zelfbeeld is instabiel en negatief.
  • Vertonen vaak verschillende vormen van impulsief gedrag, zoals gokken, overmatig middelengebruik of eetbuien.
  • Automutilatie (zichzelf met een mes krassen toebrengen), dreigen met suïcide en daadwerkelijke suïcidepogingen komen ook geregeld voor.
  • Affectlabiliteit -> de sombere grondstemming wordt vaak afgewisseld met kortdurende perioden waarin zij erg prikkelbaar of angstig zijn of waarin de sombere gevoelens verergeren. -> duren een paar uur en treden op na spanningen. 
  • Hebben moeite om kwaadheid te beheersen en woedeaanvallen