Summary Koppeltoets 3.1

-
305 Flashcards & Notes
6 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Koppeltoets 3.1

  • 1 Koppeltoets 3.1


  • Transductie
    • Proces waarbij de ene vorm van energie wordt omgezet in een andere vorm.
    Specifiek: de omzetting van stimulusinformatie in een zenuwimpuls.
  • Sensorische adaptatie
    • Proces waardoor receptorcellen minder gevoelig worde als de
    stimulus een bepaalde tijd op hetzelfde niveau aangeboden blijft.
  • Absolute drempel
    • Hoeveelheid stimulatie die nodig is voordat de stimulus wordt
    opgemerkt.
  • Verschildrempel
    • Het kleinst mogelijke verschil waarbij de stimulus nog de helft van het
    aantal pogingen wordt opgemerkt. Dit wordt soms afgekort tot JWV: juist waarneembare verschil.
  • Wet van Weber
    • Theorie die stelt dat het JWV in proportionele verhouding staat tot de
    intensiteit van de stimulus. M.a.w.: het JWV is groot als de intensiteit van de stimulus groot is en klein als de intensiteit van de stimulus klein is.
  • Signaaldetectietheorie
    • Theorie die stelt dat de beoordeling van stimuli door de hersenen
    tijdens het proces van perceptie een combinatie is van de sensatie en de
    besluitvormingsprocessen. De signaaldetectietheorie voegt kenmerken van de waarnemer toe aan de klassieke psychofysica.
  • Retina
    • Netvlies, de lichtgevoelige laag aan de achterzijde van de oogbol
  • Fotoreceptor
    • lichtgevoelige cel in de retina die lichtenergie omzet in neurale impulsen
  • Staafje
    • Fotoreceptor die extra gevoelig is voor zwak licht, maar NIET voor kleuren.
  • Kegeltje
    • Fotoreceptor die extra gevoelig is voor kleuren, maar NIET voor zwak licht.
  • Fovea
    • Het gedeelte van de retina, een soort groeve, waarmee je het scherpst ziet. Bestaat
    bijna uitsluitend uit kegeltjes.
  • Ganglioncel
    • Zenuwcel in de binnenste laag van de retina die in contact staat met de
    oogzenuw.
  • Blinde vlek
    • De plek waar de optische zenuw het oog verlaat. In dit gedeelte van de retina
    zitten geen fotoreceptoren.
  • Elektromagnetisch spectrum
    • : Het gehele spectrum van elektromagnetische energie, inclusief
    radiogolven, röntgenstralen, microgolven en zichtbaar licht.
  • Visueel spectrum
    • Heet kleinste stukje van het elektromagnetisch spectrum waarvoor onze
    ogen gevoelig zijn.
  • Trichromatische theorie
    • Het idee dat kleuren worden waargenomen door drie verschillende
    typen kegeltjes die gevoelig zijn voor licht in de rode, blauwe en groene golflengten. Verklaart het vroegste stadium van kleurensensatie.
  • Opponent-procestheorie
    • Het idee dat cellen in het visuele systeem kleuren in de
    complementaire (tegengestelde) paren verwerken zoals rood en groen of geel en blauw. Verklaart de kleurenwaarneming vanaf de bipolaire cellen naar het visuele systeem.
  • Nabeeld
    • Sensatie die blijft hangen als de stimulus niet langer aanwezig is. De meeste
    visuele nabeelden zijn negatieve nabeelden die zich voordoen in tegenovergestelde kleuren.
  • Kleurenblindheid (daltonisme)
    • Een genetische afwijking waardoor iemand niet in staat is
    bepaalde kleuren van elkaar te onderscheiden. Meest voorkomend is roodgroenkleurenblindheid.
  • Amplitude
    • De fysische sterkte of intensiteit van een geluidsgolf. Gewoonlijk meet men de
    afstand tussen piek en het dal van de grafiek van de golf.
  • Tympanisch membraan
    Trommelvlies
  • Cochlea
    Slakkenhuis, belangrijkste onderdeel van het gehoororgaan
  • Basilair membraan
    • Dun vlies in het slakkenhuis dat gevoelig is voor trillingen. De haarcellen
    hiervan zijn verbonden met neuronen, die de laatste etappe in de omzetting van geluidsgolven in zenuwimpulsen voor hun rekening nemen.
  • Vestibulair orgaan
    • Evenwichtsorgaan, houdt nauw verband me het binnenoor en wordt
    naar de hersenen geleid via vertakking van de gehoorzenuw.
  • Kinestetisch zintuig
    • Zintuig dat de positie van het lichaam en de beweging van lichaamsdelen t.o.v. elkaar registreert.
  • Olfactie
    Reukvermogen
  • Feromoon
    • Chemisch signaal dat organismen uitscheiden om te communiceren met andere leden van hun soort. Vaak een seksuele lokstof.
  • Percept
    • Het betekenisvolle product van perceptie: dikwijls een beeld dat geassocieerd
      wordt met concepten, herinneringen aan gebeurtenissen, emoties en motieven.
  • Wat-route
    • Een neurale route die visuele inforamtie vanuit de primaire cortex projecteert
      op de temporale kwab, die over identificatie van voorwerpen gaat.
  • Waar-route
    • Een neurale route die visuele informatie projecteert op de pariëtaalkwab;
      verantwoordelijk voor locatie van voorwerpen in de ruimte.
  • Blindzicht
    • Het vermogen om voorwerpen te lokaliseren, ondanks schade aan het visuele systeem, zodat iemand die hij niet kan zien toch kan identificeren. Men denkt dat hierbij sprake is van onbewuste visuele verwerking van de waar-route.
  • Kenmerkdetector
    • Cel in de cortex die is gespecialiseerd in het opmerken van bepaalde
      kenmerken in een stimulus.
  • Binding problem
    Heeft betrekking op het proces dat de hersenen gebruiken om de resultaten van veel sensorische processen te combineren tot een enkel percept. Niemand weet precies hoe de hersenen dit doen.
  • Top-down verwerking
    • Perceptuele analyse die de nadruk legt op onze verwachtingen, concepten, herinneringen en andere cognitieve factoren en niet zozeer gestuurd wordt door de kenmerken van de stimulus. ‘Top’ heeft betrekking op een mentale set in de hersenen die boven aan het perceptuele verwerkingssysteem staat.
  • Bottom-up verwerking
    • Perceptuele analyse die de nadruk legt op de kenmerken van de stimulus en niet zozeer op onze concepten en verwachtingen. ‘Bottom’ heeft betrekking op het detecteren an de stimuluskenmerken, de eerste stap van perceptuele verwerking.
  • Perceptuele constantie
    • : Het vermogen om hetzelfde voorwerp in verschillende
      omstandigheden zoals na veranderingen van verlichting, afstand of omgeving te herkennen.
  • Perceptuele blindheid
    • Waarnemingsfout die plaatsvind omdat het mensen vanwege
      selectieve aandacht niet lukt om iets waar te nemen; hun aandacht is er niet op gericht of ze verwachten het niet.
  • Veranderingsblindheid
    • Een perceptuele fout waarbij veranderingen die plaatsvinden in
      iemands visuele veld niet worden waargenomen.
  • Ambigu figuur
    Afbeelding die op meer dan één manier geïnterpreteerd kan worden
  • Gestaltpsychologie
    • Een in Duitsland ontwikkelde versie op perceptie. Menen dat een groot
      deel van onze perceptie wordt gevormd door aangeboren en in de hersenen geankerde factoren.
  • Wetten van perceptuele ordening
    • De gestaltprincipes van gelijkenis, nabijheid, continuering
      en bestemming op grond waarvan de elementen van een stimulus perceptueel geordend worden.
  • Wet van gelijkenis
    • Het gestaltprincipe dat stelt dat we geneigd zijn gelijke voorwerpen in
      onze perceptie in een groep onder te brengen.
  • Wet van nabijheid
    Het gestaltprincipe dat stelt dat we geneigd zijn voorwerpen
  • Wet van continuering
    • Het gestaltprincipe dat stelt dat we percepties van ononderbroken
      figuren verkiezen boven die van losse en onsamenhangende figuren.
  • Wet van gemeenschappelijke bestemming
    • Het gestaltprincipe dat stelt dat we geneigd zijn
      gelijkvormige objecten samen te voegen als ze een gelijke beweging of bestemming hebben.
  • Wet van Prägnanz
    • Het meest algemene gestaltprincipe, dat stelt dat onze perceptie kiest
      voor de figuur met de eenvoudigste ordening, die de minst cognitieve inspanning vereist.
  • Concluderen door leren
    • Het uitganspunt dat onze perceptie voornamelijk vorm krijgt door
      leren of ervaring en niet door aangeboren factoren.
  • Perceptuele predispositie
    • Gereedheid om een specifieke stimulus op te merken en
      betekenis te geven in een gegeven concept.
  • Situationisme
    • Idee dat ons gedrag evenveel of zelfs meer bepaald wordt door omgevingsfactoren dan door persoonlijkheidskenmerken.
  • Dispositionalisme
    • Een psychologische oriëntatie die zich bij de verklaring van gedrag primair richt op innerlijke eigenschappen van individuen, zoals persoonlijkheidskenmerken, waarden, karakter en genetische aanleg.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Milgram
leraar - leerling onderzoek met geven van shocks.
Het stanford prison experiment
'nep' gevangenis met gevangen en cipiers. Zou jij een lieve of een sadistische cipier zijn?
Stereotypelift
  • verbeterde prestatie bij een omgekeerd stereotype, waardoor je gelooft dat je op een bepaalde dimensie superieur bent aan een andere groep.
Stereotypering
  • negatieve beïnvloeding van de prestaties die ontstaat wanneer iemand zich ervan bewust wordt dat van leden van zijn groep wordt verwacht dat ze op dat gebied slecht presteren.
Dehumanisering
  • mechanisme waarbij bepaalde onpopulaire anderen als voorwerpen, als de vijand of als dieren worden beschouwd.
Self - serving bias
  • mensen schrijven succes toe aan interne factoren en dingen die niet helemaal
    goed lopen aan externe factoren.
FAE
  • neiging om gedragingen van anderen toe te schrijven aan de persoonlijkheid of het karakter
    van die ander. Situationele factoren worden onderschat. Dispositionele factoren (binnen een persoon) worden overschat.
Dissonantie
tegenstrijdigheid ervaren tussen cognities en gedrag. Rokers die weten dat roken slecht voor ze is.
Helden
  • mensen die in staat zijn verzet te bieden tegen situationele krachten waarvoor hun
    groepsgenoten zwichten (klokkenluiders).
Fundamentele attributiefout
  • dubbele neiging om de kracht van de mens te overschatten en de
    kracht van de situatie te onderschatten.