Summary Laat maar zien

-
ISBN-10 9001809286 ISBN-13 9789001809287
242 Flashcards & Notes
43 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Laat maar zien". The author(s) of the book is/are Jos van Onna, Ankie Jacobse. The ISBN of the book is 9789001809287 or 9001809286. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

Summary - Laat maar zien

  • 5.1 Neerzetten van referentiekaders

  • Waar moet je als leerkracht op anticiperen bij een les?
    De leerlingen moeten informatie opnemen en voorkeuren moeten onderdelen. De oriëntatie is een intensieve lesfase.
  • Wat is een intensieve lesfase? Waarom?
    oriëntatie, omdat de leerlingen informatie moeten opnemen en hun voorkeuren moeten voorsorteren
  • Tijdens de oriëntatie leren kinderen twee referentiekaders te kunnen gebruiken. Welke zijn dat?
    Interne referentiekader 
    Externe referentiekader
  • Tijdens de oriëntatie leren de kinderen twee referentiekaders kunnen gebruiken. De interne en de externe referentiekader. Wat houden deze referentiekaders in?
    intern: persoonlijk perspectief. (persoonlijke zienswijze, attitude, karakter, voorkeuren)

    Extern: biedt kinderen duidelijkheid en inzichten over de mogelijkheden voor het vormgevingsproces. (basisplan). Het biedt informatie en alternatieven waaruit de kinderen kunnen zieken om tot een eigen verbeelding te komen.
  • Wat is een interne referentiekader?
    Interne referentiekader = Persoonlijk perspectief. De kinderen ontwikkelen: persoonlijke zienswijze, attitude, karakter, en voorkeuren.
  • Wat is een externe referentiekader?
    Externe referentiekader = Biedt kinderen inzichten over het vormgevingsproces. Biedt informatie en alternatieven waardoor kinderen tot eigen verbeelding komen.
  • Welke product componenten zijn er?
    Betekenis = Inspireren en aanzetten tot associeren over het onderwerp om een keuze te maken uit het web van betrokken betekenissen.
    Vorm = Informeren over de betrokken beeldaspecten. 
    Materiaal = Instrueren over mogelijkheden bij het gebruik van materiaal en gereedschap.
  • Hoe zet je als leerkracht de oriëntatie neer?
    Met de drie i's: inspireren, informeren en instrueren.
    Deze vloeien in de praktijk naadloos in elkaar over.
  • 5.2 Introduceren is inspireren

  • Wat moet je doen om optimale betrokkenheid te creëren?
    Inspiratie is nodig om de betrokkenheid te vergroten.
    Sluit aan bij de belevingswereld.
  • Waarvoor is een introductie bedoelt?
    optimale betrokkenheid te creëeren
  • Een introductie moet de kinderen betrekken, houvast bieden bij betekenisgeving en een associatief netwerk openen.
  • Kinderen betrekken. Hoe doe je dat?
    kringgesprek het onderwerp op prikkelende manier ter sprake brengen.
    nieuwsgierigheid opwekken door er bij andere vakken op in te spelen.
  • Houvast bij betekenis geven.  Hoe maak je het onderwerp zo concreet mogelijk?
    dieper op het onderwerp ingaan of verschillende aspecten belichten.
  • Associatief netwerk openen. Waar kan je zo'n netwerk mee vergelijken? Hoe maak je een associatief netwerk?
    woordspin of begrippenweb.

    fantaseren. Samen of alleen door vragen te stellen
  • Een introductie naar keuze. welke mogelijkheden zijn er?
    beeldend verhaal, aansluiten bij drama, afbeelding of voorwerp, de omgeving, presentatie op het digitale schoolbord, internet en computer in de klas, visualiseren.
  • introductie: beeldend verhaal. Wat doe je in zo'n introductie?
    kort beeldend verhaal. een verhaal is beeldend als er aandacht wordt besteed aan de visuele kwaliteiten: hoe ziet het eruit.
  • Introductie: aansluiten bij drama. Wat doe je in deze introductie?
    het naspelen van een verhaal.
  • Afbeelding of voorwerp. Wat doe je in deze introductie?
    kijken naar een afbeelding. Object ondervragen en betekenissen ontrafelen.
  • De omgeving. Wat doe je in deze introductie?
    wandeling
  • Presentatie op het digitale schoolbord. Wat doe je in deze introductie?
    kijken naar stukje film of wat afbeeldingen
  • Internet en computer in de klas. Wat doe je in deze introductie?
    zoekopdrachtjes geven aan kinderen
  • Visualiseren. Wat doe je in deze introductie?
    ogen sluiten, hoof op de armen, rustig verhaal vertellen. Daarna tijdens deze informatiefase met concreet visueel materiaal het nodige houvast bieden
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat is de inhoud bij nabeschouwing?
- Beschouwen van de resultaten
- Evalueren en reflecteren aan de hand van het basisplan
- Beoordelen en registreren
Wat is de inhoud bij uitvoering?
- Observatie van het opstartende vormgevingsproces
- Begeleiding van het creatieve proces
- Logistiek, afronden van werkzaamheden en opruimen
Wat is de inhoud bij oriëntatie?
- Inspirerende introductie over het onderwerp
- Informatie over beeldaspecten en hun effect
- Instructies over materiaal- en gereedschapsgebruik
Hoe zijn de lesfasen ingedeeld in de nabeschouwingsfase?
- betekenis
- beschouwing
- vorm
- werkwijze
- materie
- onderzoek
Hoe zijn de lesfasen ingedeeld in de uitvoeringsfase?
- onderzoek
- materie
- werkwijze
- vorm
- beschouwing
- betekenis
Hoe zijn de lesfasen ingedeeld in de oriëntatiefase?
- betekenis
- beschouwing
- vorm
- werkwijze
- materie
- onderzoek
Wat is een procesgerichte didactiek?
Dat richt zich vooral op de kwaliteit van het scheppende proces. Men gaat ervan uit dat een kind zich beeldend authentiek ontwikkelt door het goed doorlopen van het creatieve vormgevingsproces.
Waar gaat het over in kerndoel 56?
Hier is er ruimte om vanuit beeldend onderwijs de aandacht te richten op beeldende objecten en kunst als aspect van cultureel erfgoed
Waar gaat het over in kerndoel 55?
Dat kinderen beeldende producten leren zien, beschrijven en begrijpen: de samenhang tussen hun betekenis, functie en plaats in de cultuur. Reflecteren is er op gericht dat kinderen vragen leren stellen bij het maken van en kijken naar beelden
Waar gaat het over in kerndoel 54?
Dat kinderen leren om met beelden te communiceren en dat ze gevoelens en ervaringen kunnen uitdrukken in beeldend werk. 

Beeldende werkstukken ontstaan wanneer betekenis, beeldaspecten en materiaal op elkaar worden afgestemd. Als kinderen geïnspireerd aan de slag gaan met betekenisvolle thema's, worden ze aangezet tot creatief vormgeven.