Summary Leerboek chirurgie

-
ISBN-10 9031387347 ISBN-13 9789031387342
212 Flashcards & Notes
29 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Leerboek chirurgie". The author(s) of the book is/are onder van H G Gooszen ( ), J D Blankensteijn. The ISBN of the book is 9789031387342 or 9031387347. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Leerboek chirurgie

  • 4 Infectie en antibiotica

  • Referentiewaarden voor volwassenen bij compleet bloedbeeld
  • In de chirurgie kan men onderscheid maken tussen drie grote groepen infecties:
    • een infectie verkregen buiten het ziekenhuis (‘community-acquired’);
    • een infectie ter plaatse van het operatiegebied (voornamelijk oppervlakkige of diepe wondinfecties);
    • een infectie verkregen in het ziekenhuis op een andere plaats dan de operatiewond (ziekenhuis- of nosocomiale infectie).
  • SIRS: systemic inflammatory response syndrome, systemische ontstekingsreactie
    Criteria:
    • koorts > 38,3 ºC of hypothermie < 35,6 ºC,
    • tachycardie > 90 slagen per minuut,
    • tachypnoe > 20 per minuut,
    • leukocytose > 12 × 109/l of leukopenie < 4,0 × 109/l of > 10% staafvormigen.

    Sepsis: als een infectie wordt vermoed of is bewezen en aan 2 of meer van de genoemde criteria wordt voldaan.
    Ernstige sepsis: als sepsis geassocieerd met orgaanfalen, hypoperfusie of hypotensie.
    Septische shock: als hypotensie persisteert ondanks adequate vochtresuscitatie of wanneer perfusieafwijkingen ontstaan.
    Bacteriëmie (bloedstroominfectie): de aanwezigheid van bacteriën in het bloed, zoals blijkt uit een bloedkweek.
    Koorts: als de temperatuur ≥ 38,3 ºC (101 ºF) of ≥ 38,0 ºC (100,5 ºF) gedurende ≥ 1 uur.
  • onderscheid worden gemaakt tussen grampositieve (blauwpaarse kleurstof vasthouden) en gramnegatieve (rood worden gekleurd) micro-organismen en tussen staafvormige (staven) en ronde (kokken) bacteriën
  • Penicillinen:
    Smalspectrumpenicillinen: voornamelijk werkzaam tegen grampositieve kokken (streptokokken, pneumokokken, in mindere mate stafylokokken) en gramnegatieve kokken (meningokokken).
    Flucloxacilline is een bètalactamaseongevoelige penicilline en heeft een betere werking tegen stafylokokken dan benzylpenicilline en fenoxymethylpenicilline.
    Breedspectrumpenicillinen: amoxicilline en piperacilline hebben eenzelfde werkingsgebied als hun groepsgenoten met een smal spectrum, en zijn tevens werkzaam tegen gramnegatieve staafvormige bacteriën.
  • IgE-gemedieerde penicillineallergie:
    Anafylactische reactie treedt snel op na de meest recente toediening (minuten) en uit zich door kortademigheid en piepen over de longen, bloeddrukdaling of collaps en urticaria (netelroos) aan de huid
  • Ototoxiciteit: een vergiftiging van het binnenoor als gevolg van chemische producten.
    Nefrotoxiciteit: vergiftiging van de nieren, komt frequent voor en is vaak reversibel

    Ter voorkoming van toxiciteit door overdosering worden (dal)plasmaspiegels van gentamicine nauwlettend in de gaten gehouden
  • Gevoeligheidsspectrum van bacteriën
  • Peritoneale verdedigingsmechanismen tegen een infectie bestaan uit:
    • mechanische klaring van bacteriën via lymfatische kanalen;
    • fagocytose door peritoneale macrofagen en gerekruteerde neutrofiele granulocyten en monocyten;
    • mechanische afscherming van bacteriën door fibrinedeposities.
  • Fagocytose:
    proces waarbij het membraan van een cel vaste deeltjes, zoals andere cellen, omsluit en zo een holte (fagosoom) binnen de cel vormt waarin de omsloten deeltjes buiten het cytoplasma veilig opgeslagen worden
  • Primaire peritonitis:
    een diffuse bacteriële peritonitis die ontstaat uit een focus dat buiten de buikholte ligt. Deze vorm van peritonitis wordt via de hematogene weg door bacteriën veroorzaakt.
    Voorbeelden hiervan zijn spontane bacteriële peritonitis bij patiënten met:
    • levercirrose en ascites, 
    • tuberculeuze peritonitis en 
    • peritonitis tijdens chronische ambulante peritoneale dialyse (CAPD)
  • Secundaire peritonitis:
    ontstaat door een defect in een abdominaal visceraal orgaan door ontsteking, perforatie of ischemie. Een belangrijk deel van de gevallen van secundaire peritonitis ontstaat als postoperatieve complicatie door naadlekkage van een darmanastomose, accidentele perforatie of devascularisatie tijdens de operatie
  • Huid- en huidadnexinfecties worden verdeeld in 2 grote groepen:
    • Ongecompliceerde huidinfecties: simpele abcessen, impetigo (krentenbaard), furunkels (steenpuist), cellulitis en erysipelas (wondroos).
    • Gecompliceerde huidinfecties: is heterogeen en omvat infecties van dieper gelegen weke delen of behoeft grotere chirurgische ingrepen en/of omvat infecties bij patiënten met een onderliggende ziekte die de respons op behandeling beïnvloedt (bijv diabetes, arteriële of veneuze insufficiëntie).

    Oppervlakkige infecties of abcessen in gebieden waar het risico van anaerobe of gramnegatieve pathogenen hoger is (bijvoorbeeld perineaal of perirectaal), worden beschouwd als gecompliceerde infecties. Necrotiserende fasciitis (bindweefsel) kan worden beschouwd als een gecompliceerde huid- en huidadnexinfectie, maar beter is het deze aandoening als een aparte categorie te zien.
  • Cellulitis
    een acute infectie van huid en subcutaan weefsel, die meestal wordt veroorzaakt door een penetratie van de huid (traumatische wond) of door hematogene verspreiding vanuit een infectieus focus naar de huid. Groep-A-bètahemolytische streptokokken of – minder frequent – Staphylococcus aureus zijn mogelijke verwekkers van cellulitis.
    Het ontstekingsgebied is pijnlijk, warm, erythemateus en gezwollen. De roodheid is scherp begrensd. Erysipelas is een oppervlakkige cellulitis met een typisch ‘peau d’orange’-beeld. Oedeem predisponeert (ontvankelijk maken) patiënten voor cellulitis.

    soms een specifieke vorm van een wondinfectie, bijv na liposuctie, mastectomie of oogsten van een veneuze graft uit een been. Meestal is de bron echter een accidentele wond, een huidulcus of een fissuur tussen de tenen.
  • Gangreneuze cellulitis
    Een enkele keer is cellulitis in de flank, bil- of bovenbeenregio een uiting van intra-abdominale pathologie, meestal als gevolg van een intra-abdominaal abces. Deze vorm onderscheidt zich van necrotiserende fasciitis doordat shock en orgaanfalen weinig voorkomen, en wordt ook wel gangreneuze cellulitis genoemd. Hierbij kunnen dan anaeroben, Escherichia coli, Klebsiella of Pseudomonas worden gevonden.
  • Necrotiserende fasciitis:
    Type-I-necrotiserende fasciitis:
    is een polymicrobiële infectie met anaeroben en facultatieve micro-organismen zoals streptokokken en Enterobacteriaceae.
    Predisponerende oorzaken: chirurgie en diabetes mellitus. De fasciitis verloopt zeer snel en omvat infectie van de diepe fasciae en subcutaan vet en wordt gekenmerkt door hevige pijn, zwelling, voelbare crepitaties (37%), bullae en necrose van de huid (paarse of zwarte verkleuring). Een specifieke vorm van deze fasciitis is gelokaliseerd in het perineale en scrotale gebied en wordt gangreen van Fournier genoemd.
    Voorts komt orgaanfalen daarbij veelvuldig voor, hetgeen ondersteunende behandeling op de intensivecareafdeling noodzakelijk maakt.
  • Type-II-necrotiserende fasciitis:
    is een monomicrobiële infectie. Deze infectie wordt vooral veroorzaakt door groep-A-streptokokken (34-54%; Streptococcus pyogenes), waardoor het toxischeshocksyndroom kan ontstaan. Ook Staphylococcus aureus (11-20%), Vibrio vulnificus, Bacteroides fragilis, en Clostridium perfringens (gasgangreen) kunnen necrotiserende fasciitis veroorzaken.
    Predisponerende factoren: een penetrerend letsel, snijwonden, splinters, een chirurgische procedure en varicella. Het beeld is snel progressief, met oedeem, bullae en necrose van de subcutis en de huid. Crepitaties worden doorgaans niet gevoeld. Eerst ontstaat een diffuse oedemateuze roodheid, gevolgd door bullae gevuld met helder vocht, die snel roodpaars verkleuren. In dit stadium is de diagnose van necrotiserende fasciitis duidelijk, maar in een eerder stadium kan het onderscheid tussen cellulitis en necrotiserende fasciitis lastig zijn. Vroege symptomen van het streptokokken toxischeshocksyndroom (STSS) zijn myalgie, malaise, koorts, koude rillingen, misselijkheid, braken en diarree. Shock en orgaanfalen, die worden veroorzaakt door de door de streptokokken geproduceerde exotoxinen, verlopen fulminant. In dit vergevorderde stadium is er tevens een onhoudbare pijn ter plaatse van de infectie.
  • Anaerobe myonecrose of gasgangreen
    een zeldzame maar ernstige wekedeleninfectie die wordt veroorzaakt door Clostridium perfringens of Clostridium histolyticum: staafvormige anaerobe, grampositieve of gramvariabele micro-organismen.
    De infectie ontstaat doorgaans in traumatisch beschadigd spierweefsel en wordt gekenmerkt door oedeem, bruine bullae, crepitaties en een veervormige luchtfiguur in de diepere weefsels door gasvorming. Shock en multiorgaanfalen treden snel op.
    In uitzonderlijke gevallen kan gasgangreen ontstaan door hematogene verspreiding vanuit de darm, bijv vanuit een coloncarcinoom, zonder penetrerend trauma, met Clostridium septicum als verwekker.
  • Infecties in operatiegebied:
    Risicofactoren voor een wondinfectie zijn wondklasse (schoon, schoon-besmet, besmet of vuil), fysieke status of comorbiditeit (ASA-score), operatieduur, leeftijd en preoperatieve opnameduur.
    Over het algemeen spelen 4 determinanten een rol bij het ontstaan van een wondinfectie:
    • het inoculum (vacinatie) van bacteriën in de wond;
    • de virulentie van deze bacteriën;
    • de micro-omgeving van de wond (hematoom, necrotisch weefsel, diepe ruimten, vreemd lichaam aanwezig);
    • de integriteit van de afweermechanismen.
  • Pneumonie
    Het inoculum van micro-organismen kan de longen via verschillende routes bereiken:
    • microaspiratie van gekoloniseerde orofaryngeale secretie, 
    • aspiratie van oesofagus- of maaginhoud,
    • inhalatie van een geïnfecteerd aerosol, 
    • directe inoculatie van geïntubeerde patiënten met mechanische ventilatie,
    • hematogene verspreiding van een infectiehaard op afstand
    • penetratie vanuit een infectiehaard, bijv in de pleuraholte. 
    Microaspiratie vanuit de keelholte is de meest frequente oorzaak
  • Urineweginfecties:
    De symptomen van een UWI zijn dysurie, pollakisurie, aandrang, suprapubische pijn en soms koorts of een subfebriele temperatuur. 
    Pyelonefritis (nierbekkenontsteking) wordt gekenmerkt door koorts, koude rillingen en flankpijn
  • Intravasculaire katheter infecties
    Diepe veneuze katheters kunnen worden ingebracht in de vena jugularis, de vena subclavia of de vena femoralis. Een lijninfectie kan lokaal zijn, met roodheid en pijn rond de insteekplaats, maar kan zich ook uiten als sepsis met koorts, koude rillingen en hypotensie (‘lijnsepsis’, beter: kathetergerelateerde sepsis)
  • Candida
    speelt een rol bij peritonitis, intra-abdominale abcessen, pancreatitis (10% van de patiënten met geïnfecteerde pancreasnecrose) en kathetersepsis. Candida species leven als commensalen in de tractus digestivus, maar bij kritiek zieke patiënten kan kolonisatie van lichaamsholten leiden tot infectie.

    Candidemie
    : bloedstroominfectie met Candida, wordt voornamelijk op de intensivecareafdeling gezien als kathetergeassocieerde infectie.
  • Postsplenectomiesepsis
    De incidentie van postsplenectomiesepsis is laag; de sepsis wordt gezien bij 4,4% van de kinderen jonger dan 16 jaar en bij 0,9% van de volwassenen die een splenectomie hebben ondergaan. Dit percentage is nu waarschijnlijk lager door het routinematige gebruik van pneumokokkenvaccins bij deze groep patiënten. Een pneumokokkenvaccinatie geeft echter maar een 70% bescherming.
    Over het algemeen ontstaat een ernstige infectie binnen twee jaar na de splenectomie, maar de infectie kan ook jaren later optreden en een enkele keer kort na de splenectomie
    Worden voor 2 jaar behandeld met AB, zie richtlijn om Qportaal
  • Pseudomembraneuze colitis
    kan door vrijwel alle antibiotica worden veroorzaakt. Door antibioticagebruik ontstaat overgroei van Clostridium difficile, een normaal in de darm voorkomende bacterie. Het vrijkomen van toxinen ligt ten grondslag aan de verschijnselen van een clostridiuminfectie. 
    De symptomen zijn waterige diarree, vaak met bloedbijmenging, buikkrampen, koorts en leukocytose. Het beeld kan fulminant verlopen met verschijnselen van sepsis en een enkele keer leiden tot een toxisch megacolon of perforatie
  • Kernpunten
    • De behandeling van infecties stoelt op vier basisregels: 1 herkenning van het type infectie; 2 empirische keuze van breedspectrumantibiotica op basis van kennis van de infectie; 3 zo snel mogelijk starten van deze antibiotica in de juiste dosering, dus op basis van de waarschijnlijkheidsdiagnose(n); 4 bijstellen van het antibioticabeleid c.q. versmallen van de keuze op basis van de kweekuitslagen.
    • Resistentievorming hangt samen met het voorschrijfgedrag van artsen, de hygiëne, de clustering van risicopatiënten en de prevalentie van ziekenhuisinfecties.
    • Micro-organismen bij primaire peritonitis: Streptococcus pneumoniae, Escherichia coli, Klebsiella pneumoniae, Staphylococcus aureus (bij CAPD-peritonitis).
    • Micro-organismen bij secundaire peritonitis: gramnegatieven, anaeroben, grampositieven (enterokokken).
    • Micro-organismen bij persisterende of recidiverende secundaire peritonitis (intrinsiek laagpathogenen): Proteus species, Pseudomonas species, Candida species.
    • De meest voorkomende pathogenen bij ongecompliceerde huid- en huidadnexinfecties zijn Staphylococcus aureus en bètahemolytische streptokokken.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Compartimentsyndroom
Toestand waarbij de doorbloeding en functie van de weefsels binnen een beperkte ruimte bedreigd worden door verhoogde druk binnen die ruimte (betreffende compartiment)
vetemboliesyndroom (VES)
ontstaat wanneer kleine bolletjes vet uit het beenmerg in de circulatie terechtkomen en zorgen voor trombose. Kan voordoen door het opboren van de mergholte, als gevolg van de zeer hoge druk in deze holte. 
Gekenmerkt door respiratoire insufficiëntie, cerebrale stoornissen en petechiën.
belangrijkste lokale complicaties na een heupoperatie
  • Nabloeding of hematoom
  • Infectie - Oppervlakkige of diepe infectie bij bijv endoprothese)
  • Falen/uitbreken van de fixatie
  • Avasculaire kopnecrose
  • Non-union
  • Heupluxatie en loslating van de prothese
Non-union
fractuurgenezing kan door diverse factoren worden vertraagd. Wanneer het langer duurt dan 3 maanden om consolidatie te bereiken -> delayed-union. Wanneer er na 6 maanden nog geen volledige fractuurgenezing is -> non-union.
algemene postoperatieve complicaties v/d behandeling van heupfractuur 
  • diepe veneuze trombose, 
  • longembolie, 
  • pneumonie, 
  • urineweginfectie, 
  • urine-incontinentie, 
  • decubitus
  • wondinfecties      
pathologische fracturen
fracturen als gevolg van primaire tumoren of metastatische processen in het bot en ook osteoporose
Oorzaak bekkenfractuur
  • hoog-energetisch trauma
  • osteoporose 
Gerelateerde letsels bekkenringfracturen 
  • Urogenitaal letsel (blaas, urethra) (7 tot 12%)
  • anorectaal letsel (1 tot 3%) of een 
  • open (gecompliceerde) fractuur (4 tot 7%). 
  • Neurologisch letsel van de plexus lumbosacralis   
bekkenfractuur 
wordt iedere fractuur verstaan die gelokaliseerd is in de bekkenring en/of het acetabulum.
Betreft de bekkenring: 
  • symfyse, 
  • os pubis, 
  • os ilium
  • sacro-iliacale gewricht 
  • sacrum. 
Wat betreft het acetabulum: alle fracturen die de heupkom betreffen.
avulsie
afscheuring