Summary Leereenheden

-
108 Flashcards & Notes
0 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Leereenheden

  • 1 Leereenheid 1

  • Wat is ecologie?
    De wetenschappelijke studie van de verspreiding en talrijkheid van organismen en de interacties die de verspreiden en de talrijkheid bepalen
  • Welke twee belangrijke functies heeft zuurstof in de atmosfeer?

    - Bij de ademhaling van aërobe organismen
    - Vormen de ozon laag die de schadelijke UV straling van de zon tegenhoud
  • Hoe komen door natuurlijke selectie aanpassingen tot stand?

    Individuen van een soort zijn genetisch niet gelijk. Onder bepaalde omstandigheden kan een individu met een bepaald genotype een hogere fitness bezitten dan individuen met een ander genotype. Dit individu brengt meer nakomelingen voort dan de andere waardoor de gunstige genetische eigenschappen relatief veel worden doorgegeven. Op den duur worden de andere genotypen verdrongen uit de populatie (=natuurlijke selectie). Nieuwe eigenschappen/aanpassingen die een individu een grotere overlevingskans kunnen geven kunnen op deze manier hun plaats binnen een populatie veroveren.
  • Hoe komt, evolutionair gezien, de giraffe aan zo'n lange nek? Gebruik in je uitleg de termen natuurlijke selectie, genotype en fenotype. Waarom is de term plasticiteit niet relevant?
    De ultimate verklaring is mogelijk dat, binnen heel vroegere populaties van giraffes die toen nog kortere nekken hadden, er individuen waren met een genotype dat bepaalde dat de nek net iets langer was dan die van andere individuen uit dezelfde populaties. Deze individuen konden beter overleven omdat zij nog net wel bij de verse blaadjes aan de bomen konden, en anderen niet, waardoor zij betere overlevingskansen hadden. Zij waren daarmee beter aangepast aan de eisen van de omgeving. Door natuurlijke selctie verspeidde het genotype van deze individuen zich binnen de populatie. Door steeds verergaande selectie werden de individuen met de langste nekken steeds sterker bevoordeeld. Het begrip platiciteit is NIET in te passen in de verklaring; plasticiteit betreft immers individuen met eenzelfde genotype maar een ander fenotype.
  • Hoe kun je door een transplantatie-of translocatie proef aantonen dat je met ecotypen te maken hebt?

    De term ecotype wordt gebruikt wanneer de individuen van een populatie binnen een soort genetisch bepaalde, lokale aanpassingen vertonen. Bij translocatie of transplantatie naar een ander milieu blijft de eigenschap behouden. Een niet-genetisch bepaalde lokale aanpassing, fenotypische plasticiteit genoemd, gaat bij transplantatie verloren.
  • Waarom vormen de vinken van de galapagos-eilanden zo'n goed object om evolutie te bestuderen?

    Doordat het om soortvorming vanuit één gemeenschappelijke voorouder op een aantal geïsoleerde eilanden gaat. Reproductieve isolatie speelt een belangrijke rol. Er is bij verschillende vinkensoorten een uitgebreide specialisatie opgetreden wat betreft habitat (woongebied) en voedselkeuze.
  • Verklaar welke factor van grote invloed is geweest op het ontstaan van florarijken en zoögeografische regio's

    De biogeografische regio's en florarijken ziojn grotendeels een gevolg van platektoniek en de daarbij ontstane barriéres zoals oceanen en gebergten. Hierdoor konden gescheiden evolutionaire ontwikkelingen plaatsvinden
  • Geef een verklaring voor de minder scherpe grenzen tussen florarijken in vergeleiding met die tussen zoogeografische regio's

    De families en genera van de hogere planten ontstonden eerder dan die van de zoogdieren. Daardoor hadden deze planten langer de tijd om zich te verspreiden voor het uiteendrijven van de continenten en zijn er minder duidelijke overeenkomsten tussen plantengeslachten of- families van verschillende continenten.
  • Zij de vinnen van de pinguin, haai en de dolfijn analoog of homoloog?

    De vinnen hebben allemaal eenzelfde vorm en functie en zijn bij elk van de drie geëvolueerd uit andere oorspronkelijke organen; ze zijn analoog. Het is een vorm van convergente evolutie
  • Is het gebit van de poema, het luipaard en de tijger analoog of homoloog?

    De poema, het luipaard en de tijger zijn middels parallele evolutie ontstaat vanuit het zelfde bouwplan. Het gebit van deze soorten is homoloog (vanuit een zelfde structuur geëvolueerd)
  • Leg de visuele overeenkomt tussen de twee geslachten miereneters uit mbv de begrippen parallelle of convergente evolutie

    De twee geslachten miereneters vertonen parallelle evolutie. Ze lijken in uiterlijk en gedrag op elkaar, maar zijn geevolueerd uit niet-nauw-verwante voorouders
  • Wat is een ultimate verklaring voor het voorkomen van pissebedden in een vochtig en donker milieu?

    Pissebedden behoren tot de kreeftachtigen. Alleen in een vochtig en donker milieu drogen ze niet uit, kunnen ze ged overleven en voldoende nakomeling voortbrengen. Ze zijn in de lop van de evolutie aangepast aan het leven in een vochtig milieu
  • 2 Leereenheid 2

  • Verklaar het verschil tusen de grafiekeb 3.1b en 3.1c in EOE

    In 3.1b hoeft de hoeveelheid van de omgevingsfactor slechts minimaal te zijn om het organisme te laten functioneren. Wanneer de omgevingsfactor over een bepaald minimum (drempelwaarde) heen is, is er verder alleen nog een effect bij grote hoeveelheden van deze omgevingsfactor. ER is geen optimum hoeveelheid voor het organisme. Bij 3.1c maakt de aanwezigheid van de omgevingsfactor niets uit todat een bepaalde grote hoeveelheid wordt bereikt. Het organisme heeft deze omgevingsfactor niet nodig om te overleven en te reproduceren.
  • Een kievit begint in het voorjaar met de nestbouw en de paring, waarbij geen rekening gehouuden wordt met de temperatuur. Het is de daglengte die de kievit stimuleert te starten met het paringsgedrag. Waarom is het gunstiger om de daglengte te gebruiken als stimulus dan de temperatuur?

    De daglengte is een constante factor die elk jaar hetzelfde is. Het is het meest betrouwbare signaal dat er over een x aantal dagen voldoende voedsel zal zijn om de jongen te voeden. De kievit kanbeter niet op de temperatuur letten.
  • Waarom vinden we in de noordelijke streken en gebergten nog wel levendbarende en eierlevendbarende reptielen terwijl de (normale) eierleggende soorten daar ontbreken?

    Gelegde eieren zijn aan één plek gebonden, waar de temperatuur in noordelijke streken lang niet altijd gunstig is. Levendbarende moederdieren kunnen steedsa actief de gunstigste tenmperatuur opzoeken voor de ontwikkeling van het embryo in hun lichaam/het ei
  • Beredeneer of de soorten uit de vraag hierboven die in deze noordelijke streken voorkomen groter of kleiner zijn dan of even groot zijn als de soorten in zuidelijker gelegen gebieden

    De regels van Bergmann en Allen gelden voor endotherme dieren. Reptielen zijn ectotherme dieren en er kan dan ook niets gezegd worden over de grotte van deze reptielen in de noordelijke en zuidelijke gebieden
  • Wat is het verschil tussen fysiologische tijd en ontwikkelingstijd bij ectotherme dieren?

    De ontwikkelingstijd bij ectotherme dieren is steeds verschillend; dit hangt af van de omgevingsthemperatuur. Het aantal graden boven een drempel bepaalt de snelheid van ontwikkelen. Er vindt alleen ontwikkeling plaats bij de temperaturen boven de drempel. De ontwikkeling is voltooid waneer de som van de dag-graden (de temperatuurssom) een voor ie soort vastgestelde waarde heeft bereikt.
  • Waarom heeft het geen zin om over fysiologische tijd te spreken bij endotherme organismen?

    Bij endotherme organismen is de ontwikkeling onafhankelijk van de omgevingstemperatuur en de fysiologische tijd is dus hetzelfde als de ontwikkelings tijd
  • In een bepaald gebied voldoen alle omgevingsfactoren aan de eisen van een soort. Toch komt deze soort niet in het gebied voor. Geef 3 redenen om dit te verklaren?

    1- HEt voedsel dat deze soort nodig heeft omte overkelven komt niet voor in het gebied (voedsel is een hulpbron)
    2- De soort kan het gbied niet bereiken vanwege allerlei barriéres
    3- Er komen predatoren voor die de blijvende vestiging van de soort onmogelijk maken
  • Is water voor planten een omgevingsfactor, een hulpbron of beide?

    Planten verbruiken water bij de fotosynthese zodat het behalve een omgevingsfactor ook een hulpbron is
  • Noem 4 belangrijke aanpasingen om waterverlies tijdens de fotosynthese te voorkomen?

    - Het alleen dragen van bladeren in de periode dat er water beschikbaar is
    - Het produceren van weinig transpirerende en droogte tolerante bladere (maar is lagere fotosynthesesnelheid)
    - HEt efficieter omspringen met CO2 zodat de huidmondjes minder ver geopend hoeven wordne. De C4 planten kunnen, met dezelde hoeveelheid water, twee keer zoveel C02 vastleggen als C3 planten.
    - HEt alleen 's nachts openene van de huidmondjes en het dan vastellegen van CO2 in de vorm van appelzuur. Overdag vind de fotosynthese plaats. CAM methode
  • Geef een verklaring voor het verschijnsel dat de beschikbaarheid vanstikstofverbindingen in de bodem een beperkende factor kan vormen voor de fotosynthese.

    Stikstof is een belangrijk bestanddeel van chloroplasten waarin de fotosynthese plaatsvindt. Ongeveer 75% van de hoeveelheid stikstof in bladeren bevindt zic hin chloroplasten. Een tekort aan stikstof zal de fotosynthese verlagen.
  • Beredeneer waarom vlinderbloemigen (klaver of erwt) met wortelknolletjes toch kunnen groein op een stikstofarme bodum?

    BActierien in de wortelknolletjes zijn in staat N2 uit de lucht om te zetten in voor de plant bruikbare stikstofverbindingen. Door deze mutualitsche relatie (gunstig voor beide partijen) kan de plant toch groeien op een bodem waar weinig stikstof beschikbaar is.
  • Is CO2 voor planten een factor die de groei beperkt?

    Bij C3 planten neemt de fotosynthese toe wanneer de CO2 concentratie in de lucht verhoogd wordt. Voor deze planten is het een beperkende factor, mits alle andere factoren in voldoende matig aanwezig zijn
  • IS een zaadetende vogel, zoals een vink, een specialist of een generalist wanneer j het voedsel bekijkt?

    Eeen zaadetende vogel kan gezien worden als specialist (gespecialiseerd in zaden) maak kan ook worden ingedeeld als generalist (eet de zaden van vele plantensoorten). Ze sluiten elkaar dus niet uit.
  • Geef twee redenen waardoor planten een lage voedingswaarde hebben?

    - Het kost de consument energie en/of specifieke aanpasingen om de celwanden stuk te maken.
    - C/N verhouding van de weefsels an de consument is veel lager dan die van de celinhoud van planten. De consument moet dus veel plantaardig materiaal eten om voldoende stikstof binnen te krijgen. Het teveel aan koostof is voor hem een afvalstof die hij weer uit moet scheiden. Als hij bovendien de celwand niet kapot kan maken moet hij nog meer eten uitscheiden
  • Hoe lossen herkauwers het probleem van deze lage voedingswaarde op?

    Door een mutualistische relatie met bacteriën en protozoa aan te gaan die cellulose kunnen afbreken. Uit dezelfde hoeveelheid voedsel komt dan meer energie beschikbaar. Verder hebben herkauwers een aantal aanpassingen die er op gericht zijn de verteringstijd te verlengen, bijvoorbeeld een groot maagsysteem. Een derde mogelijkheid is het selecteren van de plantendelen met de hoogste voedingswaarde; kruiden, knoppen, bladeren en swinters twijgen en bast.
  • Wat is het principe van aposemtisme en wat is het voordeel voor de soort?

    Aposematisme is het verschijnsal dat een giftig of onsmakelijk dier door felle kleuren of een opvallende tekening opvalt. Wanneer een predator zo'n heeft geproed, is de ervaring zodanig dat de dieren die precies op het geproefde dier (soortgenoten) voor een tijdje als voedsel gemeden worden. De overlevingskansen van de soort worden daarmee vergroot.
  • Waarom komt een organisme dat mimicry vertoont (in de vorm van aposematisme) gewoonlijk minder algemeen voor dan het organisme dat geimiteerd wordt?

    HEt is voor het organisme dat aposemitsme vertoont van belang dat het door een predator herkent wordt als onsmakelijke prooi. Er moet dus sprake zijn van regelmatige ontmoetingen tussen predator en het organisme dat geimiteerd wordt en minder frequentie ontmoeten met de niet giftige nabootser.
  • Wat wordt bedoeld met intraspecifieke interferentie concurrentie?

    Concurrentie tussen individuen van dezelfde soort door rechtstreekse interactie, het ene individu verhindert een ander rechtsreeks gebruik te maken van de hulpronnen door territoriaal gedrag of verdringing.
  • Twee soorten planten, A en B, groeien onder omstandigheden waarbij stikstof de beperke factor is. Op den duur blijft alleen soort A over. Was dit een geval van interferentie- of exploitatieconcurrentie?

    Exploitatieconcurrentie: de soorten beivloeden elkaar indirecht, doordat ze de voor de groei beperkende N consumeren, zdat deze niet beschikbaar is voor de andere soort
  • Twee mezensoorten, C en D, leven onder omstandigheden waar het aantal nesthlten de berpekde factor is. Op den duur blijft alleen soort C over. Was dit een geval van interferentie- of exploitatieconcurrentie?

    De concurrentie tussen mezen verloopt via territoriaal gedrag dus interferentie concurrentie
  • Waaraan kun je zien dat bij de begindichtheiden tot 0,5 (op log10 schaal) in figuur 3.30c (EOE) intraspecifieke concurrentie optreedt?

    Wanneer er geen intrapsiecifieke concurentie optreedt zal de einddichtheid (y-asO een ineaire functie zijn van de begindichtheid (x-as); een rechte lijn met de groeisnelheid r als richtingscoefficient. Al voor de dichtheid 0,5 is de lijn aan het afbuigen: de mortaliteit neemt toe met de dichtheid en intraspiecifieke concurrentei treedt al op
  • Op grond van welke kenmerken worden de biomen onderscheiden?

    Op basis van vegetatiestructuur
  • Welke achterliggende factoren bepalen het verspreidingspatroon?

    Doordat de temperatuur en vochtvoorziening de belangrijkste regulatoren zijn van plantengroei, bepalen zij ook de biomen
  • Raunkiaer beschrijft meerdere levensvormen van planten. Door alle planten uit de flora van de gehele wereld in de te delen naar levensvorm kan een 'gemiddeld' spectrum worden opgesteld. Geef aan worden deze indeling dunctioneel is bij de beschrijving van biomen

    - Fanerofyen = bomen en struiken
    - De indleing met knoppen is gebaseerd op de structuur van planten. Biomen zijn ook gebaseerd op vegetatiestructuur
  • Successie wordt wel gedefinieerd als niet-seizoensgebonden gerichte en voortdurende verandering in de tijd waarbij verschillende soorten elkaar opvolgen. Kun je aan de hand van deze definitei de afbraak van omgevallen bomen in een bos ook successie nomen?

    Ja, op een omgevallen boom zie je in de loop van de tijd dat er steeds andere organismen (bijvoorbeeld schimmels en bacterien) zich vestigen. Het is een concunu en gericht proces en er wrodt gesproken over afbraaksuccessie (decompositie)
  • In de duinen langs de kust is er sprake van primaire successie. De fases van deze primaire sucessie leid men vaak af uit de hoerzintale zonering. Leg uit waarom deze interpretatie van het patroon riskant is

    Deze methode om succiessie te beschrijven is risdkant omdat je nooit zeker weet of de zonering in de ruimte een zonering in de tijd werspiegelt? Is bijvoorbeeld de binnenduinrand wel een oudere fase van de zeereep? Mogelijk waren de omstandigheden waarin de binnenduinrand gevormd is heel anders dan de huidige omstandigheden en zal de zeereep dus een heel anders successie doorlopen
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Een van de problemen bij het herstel van een beschermd gebied is het voorkomen van ongewenste soorten. Is een gebied met veel van deze soorten wel een gebied dat bescherming verdient. Op grond waaran zou een keuze gemaakt kunnen worden?
Het voorkomen van ongewenste soorten hoeft op zich geen reden te zijn om van herstelbeheer af te zien. Bij gericht beheer, bijvoorbeeld door het inzetten van begrazing, zijn ongewenste soorten vaak goed te controleren. Belangrijk zijn de potenties die het gebied in zich heeft, zoals de aanwezigheid van goede bodemfactoren, kwelwaterstromen en dergelijke.
Geef twee factoren waarbij met het selecteren van te beschermen natuurgebieden rekening gehouden moet worden en leg uit waarom ze belangrijk zijn
De grootte en mate van isolatie van het gebied. Als het gebied te klein wordt gekozen kan een deel van het systeem dat je wilt beschermen buiten het beschermde gebied komen te liggen. Ook is het mogelijk dat de populatie die het gebied kan 'dragen' te klein is om te kunnen voortbestaan. Het gebied moet niet te geisoleerd liggen ten opzichte van vergelijkbare gebieden. Als een soort door omstandigheden verdwijnt uit het gebied moet deze soort uit andere gebieden kunnen migreren
Welke algemene richtlijnen voor natuurbeheer zijn af te leiden uit de theorieën over de soortenrijkdom op eilanden en over metapopulaties?
In een natuurgebied moet de uitsterfkans zo klein mogelijk zijn, en tegelijkertijd, de vestigingskans zo groot mogelijk gemaakt worden. Voor de uitsterfkans is de grootte van het reservaat belangrijk; hoe groter hoe beter. Voor vestigingskans is de aanwezigheid van verbindingsroutes en de vorm van het reservaat belangrijk; een lang, smal reservaat wordt mogelijk sneller bereikt door immigranten en heggen of verspreid liggende bossen kunnen bijvoorbeeld dienst doen als verbindingsroute 
Verklaar dat er ondanks maatregelen ter bescherming van één soort deze soort toch kan uitsterven
Wanneer alleen maatregelen genomen worden ter bescherming van één soort zonder te kijken naar het systeem waar deze soort voorkomt, met al de directe en indirecte factoren waarvan de soort afhankelijk is, kan deze soort toch nog uitsterven. Het is dan ook belangrijk zoveel mogelijk van het systeem waar de soort deel van uit maakt te berschermen.
Waardoor is er geen fundamenteel onderscheid tussen soorts- habitat- en eco-systeem beheer?
Bij het vaststellen van het beheer en de begrenzing van een reservaat zal vaak vanuit een soortbenadering geredeneerd worden. Zonde de ecologische eisen van een soort of soortengroep in aanmerking te nemen, is het immers niet mogelijk om over dergelijke aspecten ecologisch verantwoorde uitspraken te doen
Als een gebied door fragmentatie verkleind wordt dan kan dat effecten hebben op een populatie dat deze habitat bezet. Geef aan hoe de uitsterfkans van deze populatie groter of kleiner kan worden. 
1 - De uitsterfkans wordt groter wanneer door habitatfragmentatie verschillende populaties absoluut van elkaar worden gescheiden en er geen interacties meer kunnen plaatsvinden. Kleinere populaties hebben altijd een grotere uitsterfkans. De invloed van de omgeving op het habitat van de populatie kan sterk toenemen met als gevolg wijzigingen in omgevingsfactoren of beschikbare hulpbronnen
2 - Een lagere uitsterfkans wordt bereikt wanneer er wel interacties tussen subpopulaties plaatsvinden of wanneer de omgevingsfactoren en hulpbronnen voor populateis zodanig veranderen dat zij juist ervan profiteren. Één ongefragmenteerde populatie kan door een ramp getroffen worden en verdwijnen, dit risico is kleiner bij een uit een aantal populaties bestaande metapopulatie.
In het algemeen leidt habitatfragmentatie echter tot verhoging van de uitsterfkans
In Nederlands zijn soorten als moerasandijvie of de grutto vrij algemeen en niet bedreig. Waarom verdienen zij toch bescherming?
Uitgaand van het feit dat de natuurberscherming zich vooral richt op bedreigde soorten zullen de grutto en de moerasandijvie vanuit een beperkt nederlands gezichtspunt niet zo interessant zijn. Beide soorten komen buiten Nederland echter weinig voor, het aantal individuen of het areaal buiten Nederland is maar klein, waardoor ze voor de internationale natuurbescherming wel belangrijk zijn. Nederland heeft voor die soorten dus een speciale verantwoordelijkheid. Meestal is de situatie echter omgekeerd: veel soorten die in Nederland zeldzaam en beschermd zijn komen buiten Nederland nog wel veel voor
In hoeverre sluiten de NEderlandse AFK-indeling en de itz-classificatie hierbij aan?
De AFK-waardering gaat alleen uit van de geografische verspreiding, het aantal uurhokken waarin de soort voorkomt. Met de habitat of de grootte van de populaties wordt geen rekening gehouden. Bij de itz-classificatie is de geografische verspreiding van belang en de grootte van de populaties.
Op basis van welke drie factoren valt een goede indeling voor zeldzaamheid en algemeenheid te maken?
- Geografische verspreiding
- De habitat specifiteit
- De grootte van de populaties
Veel groepen paddestoelen zijn afgenomen in de laatste decennia. Dit geldt niet voor de paddestoelen die op dood hout groeien, deze zijn juist toegenomen. Kun je die vooruitgang verklaren?
Ander bosbeheer heeft geleid tot de aanwezigheid van meer dood hout in de bossen. Juist op zieke en dode bomen krijgen deze schimmels een kans. Zure regen en bosterfte versterken dit effect.