Summary Leidraad economie

-
ISBN-10 9034115399 ISBN-13 9789034115393
204 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Leidraad economie". The author(s) of the book is/are Mirese Op de Beeck Bart Vandenbogaerde Emiel Vervliet. The ISBN of the book is 9789034115393 or 9034115399. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

Summary - Leidraad economie

  • 1.1 de 2 betekenissen van het woord economie

  • Wat zijn de 2 betekenissen van het woord economie?
    1. The Economy
      • Economie als werkelijkheid
    2. Economics
      • Economie als menswetenschappen
  • The Economy
    Economie als werkelijkheid
    • Verwijst naar feiten of gebeurtenissen uit het maatschappelijk leven die zich op een bepaald tijdstip of gedurende een bepaalde periode en op een bepaalde plaats voorgedaan hebben of voordoen
    • Streven naar behoeftebevrediging staat centraal
      • gestuurd door de vraag 'Wat?'
    • Produceren, verdelen, en aanwenden van middelen die voor behoeftebevrediging in aanmerking komen
      • Hoe?
    • Gaat om onderzoeken waarom keuzes gemaakt worden, wie die keuzes maakt, waarom die het ene prefereert boven ander, waarom producent kiest om dat product te produceren...
  • Economics
    Economie als menswetenschappen
    • = de wetenschappelijke studie van de economische werkelijkheid
    • Keuzes die consument of producent maken 
      • (economie = studie van keuzepatronen)
    • Verwijst naar economische wetenschap: het systematisch en kritisch verzamelen, ordenen en doorgeven van kennis over economische gedragingen, verschijnselen en gebeurtenissen
    • Behoort tot de humane wetenschappen; raakvlakken met psychologie, sociologie, filosofie, antropologie, geschiedenis, recht
    • Invalshoek = schaarsteverschijnsel
      • = de beperking van de mogelijkheden om alle behoeften te bevredigen
        • mogelijkheden zijn beperkt: budget is beperkt
  • Economie heeft te maken met..
    • Het streven naar behoeftebevrediging
    • omgaan met schaarse middelen
      • producent/ consument moet kiezen
    • het streven van mensen naar welvaart
      • = het materieel goed hebben
    • individueel en collectief (land, regio, groep personen, persoon..)
      • individueel: koffie of thee
      • collectief: coronavaccins
  • Economie = (relatief) jonge wetenschap
    • jonger dan wijsbegeerte, geneeskunde en recht
    • Sinds 18e eeuw, door industriële revolutie, burgerlijke revoluties en uitbreiding van de wereldhandel > economie zelfstandige tak aan boom van de wetenschappen
  • Adam Smith (1723 - 1790)
    • Schotse moraalfilosoof
    • Periode van: Verlichting, industriële Revolutie en uitbreiding van de wereldhandel
    • Boek: 'An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations' 
    • 'uitvinder', 1ste man die economie bestudeerde 
      • Vader van de economische wetenschap genoemd 
      • grondlegger van het klassieke liberale economisch denken
  • 1.2 de kern van het economisch probleem: schaarste verplicht tot kiezen


  • Behoefte = vraag
    • Optelsom van alle individuele behoeften (van iedereen)
      • 'wat is de vraag naar chocomelk?'
    • Wij = consumenten; we hebben behoeften en kopen dingen om behoefte te bevredigen
    Productie = aanbod
    • = het voortbrengen van de middelen tot behoeftebevrediging
    • Gaat over degene die dingen produceren (ondernemers, werknemers, ambtenaren, dokters, artsen, verplegers, leraren...
      • 'wie gaat wat produceren?', 'welke koffie ga ik aanbieden?'
    • productie komt tot stand door het inzetten van productiefactoren
      • natuur, arbeid, kapitaal


    Daar waar vraag en aanbod samenkomen = markt

    Vraag stuurt het aanbod aan:
    • Vroeger behoeften aan houten klompen, nu niet meer > minder/ niet meer gemaakt
  • 1.2.1 schaarste

  • Schaarste
    • = Schaarsteverschijnsel = welvaartstekort
    • = de spanning die ontstaat tussen behoeften en middelen om die te bevredigen
    • Mogelijkheden om alles voort te brengen en/of te bepalen blijken beperkt in verhouding tot de behoeften
    • = relatief begrip
      • verandert in tijd en ruimte
        • (middeleeuwen/ ontwikkelingslanden)
      • perceptie ervan verandert
    • Toename van de middelen blijkt niet te volstaan om schaarste probleem op te lossen
    • Beperkt budget verplicht je om te kiezen, ongeacht hoogte van budget
    • gaat over behoeften en productie
    • Gaat niet enkel over geld maar ook over niet-monetaire factoren
      • beslag op de ingezette middelen > deze kunnen niet meer voor andere doeleinden aangewend worden (keuze vrije tijd en arbeid; hout van schrijnwerker, wat ermee maken?; 2u studeren of 6u?...)
  • Schaarste ≠ absoluut tekort
    schaarste ≠ dat supermarkten leeg zijn 
    • gaat over het beperkt budget dat automatisch leidt tot kiezen
  • Wat is het verschil tussen schaarste en absolute schaarste?
    • Schaarste = het is mogelijk om te doen maar je hebt een beperkt budget en moet kiezen
    • Absolute schaarste = je hebt het budget maar het is niet mogelijk om te doen (erg zeldzaam)
      • bv. WC papier - corona
  • 1.2.2 economisch handelen is kiezen

  • Schaarste van beschikbare middelen verplicht ons om te kiezen
    • Kiezen = op basis van voorkeuren, preferenties of prioriteiten
      • voor iedereen verschillend
    • alternatieve aanwendbaarheid maakt kiezen mogelijk
      • = de beschikbare middelen, zowel de productiefactoren als geld, kunnen ingezet worden voor het bevredigen van uiteenlopende behoeften
    • Elke keuze gaat gepaard met baten en offers
      • 'kiezen is verliezen'
      • Baten: de keuze voor een bepaalde aanwending van de beschikbare middelen maakt dat een bepaalde behoefte bevredigd of een doelstelling gerealiseerd kan worden
        • = opbrengsten van een keuze
      • Offers: dezelfde middelen kunnen niet tegelijkertijd voor verschillende behoeften of doelstellingen ingezet worden. Elke keuze impliceert dus dat aan andere behoefte of doelstellingen niet of in mindere mate voldaan kan worden
        • = kosten van een keuzen
  • Wat zijn baten?
    De opbrengsten van een keuze
  • Wat zijn offers?
    De kosten van een keuzen
  • Op welk niveau worden keuzes gemaakt?
    • Individueel en gezinsniveau
    • collectief niveau (groepen, ondernemingen)
  • Ook niet monetaire factoren maken deel uit van het keuzevraagstuk en dragen bij tot welvaart en welzijn
    • vrije tijd, psychologische voldoening...
    • student kiest voor optreden > offert geld op maar ook tijd die aan studie/sport besteed kon worden
  • Wat zijn opportuniteitskosten?
    • = de waarde van de gederfde baten van het beste alternatief dat niet gerealiseerd werd
    • Dat wat je opoffert = opportuniteitskost
      • bv. Stirp vs boek > kiest boek, strip = opportuniteitskost
    • = hetgeen wat het je kost om te kiezen voor bv het boek
    • = alternatieve kosten
    • mee betrekken bij keuze
  • Klassiek voorbeeld bij opportuniteitskosten: Robinson Crusoe
    Zat 24/24 op onbewoond eiland helemaal alleen > 6u 's morgens - 6u 's avonds = licht en kan hij eten zoeken > keuze tussen ananassen/ vissen
    • Ananassen: groeien aan boom, die moet hij oogsten/ plukken > na hele dag zoeken => 6 ananassen
    • Vissen: gaan vissen > na hele dag vissen => 3 vissen

    --> kiest hij voor de vissen = opportuniteitskost 6 ananassen
  • Wat is het optimalisatie-principe?
    • Met schaarse middelen een zo groot mogelijke bevrediging van de behoeften
      • vb generische geneesmiddelen
    • Doelmatig handelen om welvaart te optimaliseren
    • Maximaliseren van de baten en minimaliseren van de offers/ kosten
      • kosten en baten afwegen
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat zijn de gevolgen van inflatie?
  • Een matige inflatie = smeerolie voor de economie (tot 2%)
  • Bij hoge inflatie = ontwrichting economie = lage reële economische groei
  • Wijziging inkomens- en vermogensverdeling
  • Bedreiging continuïteit bedrijven
  • Aantasting concurrentiële positie van een land
  • Economische onzekerheid
Wat zijn de oorzaken van inflatie?
  • De monetaire theorie: te sterke groei van de geldhoeveelheid
  • Maximale geldgroei = groei van reële BBP + klein %
> Indien geldgroei hoger, dan stijgen de prijzen en krijg je inflatie!
Waardoor laten banken zich leiden?
· ervaring
· hoogte van de intrestvoet
· verplichtingen van de Nationale Bank
Het geldscheppend vermogen van de banken
  • creatie van giraal geld dmv chartaal geld
  • hoe groter de hoeveelheid chartaal geld, hoe meer geldcreatie
  • afhankelijk van de kasreserve coëfficiënt
Het ontstaan van giraal geld
  • Bankbriefjes in bewaring bij privé bank (zelfde systeem als bij de goudsmid: chartaal geld uitlenen zorgt voor creatie giraal geld)
  • Uitlenen van de tegoeden = geldcreatie door de banken
  • Kasreserve-coëfficiënt (= het % dat de bank als reserve aanhoudt) is hierbij bepalend
  • Creatie van giraal geld door het chartaal geld van de nationale bank
  • Overheid kan deze kasreserve-coëfficiënt aansturen
3 soorten geld
1) Chartaal geld (=cash geld)
2) Giraal geld (geld op zichtrekening)
3) Quasi geld (geld op spaarrekening)


> Optelsom van deze 3 gelden is de totale hoeveelheidgeld of geldvolume dat in de economie aanwezig is 
Wat is de functie van geld?
1) Ruil- en betaalmiddel:
– Kosten directe ruil verminderen door zoek- en transactiekosten te minderen
– Geld vergroot de ruilmogelijkheden. Daardoor stimuleert het de arbeidsverdeling en specialisatie
– Overdracht van koopkracht mogelijk (boetes, belasting, giften, …)
2) Waardemeter:
– Vergelijken goederen wordt mogelijk = een rekeneenheid = hulpmiddel bij het optimaliseren van keuzes
– Dus zo weet je hoeveel iemand verdient of hoe rijk een persoon is. 
bv zij heeft meer waarde dan mij omdat zij een villa heeft, aandelen, …
3) Spaar- en kredietmiddel:
– Heeft een belangrijke tijdsfunctie (oppotten en ontpotten)
– Vormt een koopkrachtreserve 
– Deel van het vermogen (huis, vee, grond, kunst, aandeel, obligatie…)
– Zeer liquide (geen tussenpersoon nodig)
– Kredietmiddel
Definitie geld
elk algemeen aanvaard ruilmiddel
Kenmerken Oligopolie
Klein aantal aanbieders
– Sterke onderlinge afhankelijkheid
Strenge controle overheid noodzakelijk (samenwerking aanbieders streng bestraffen)
– Van concurrentie (niet op prijs maar productdifferentiatie) tot samenwerking (onderlinge afspraken)
Vb. oliekartel OPEC
– Vb. alle banken (Fortis, Kbc,…)
Kenmerken gedra:  monopolie
  • Prijszetter: geen concurrentie: Naast de gewone winst ook monopoliewinst
  • Monopolies zijn welvaart economisch zéér negatief (prijs is te hoog!)
    • Hogere prijzen voor de consument
    • Winst gaat naar een beperkt aantal mensen Bv. telenet
  • Concentratie van macht en misbruik = inleveren van welvaart (bv. prijsafspraken supermarkten)
  • Belangrijke taak voor de overheid = vrije markt afdwingen: Dienst voor de mededinging (nationaal en Europees) kan boetes opleggen