Summary Leven op stand, 1890-1940

-
230 Flashcards & Notes
28 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Leven op stand, 1890-1940

  • 1 blz. 12-25 Stand

  • 'ons soort mensen' ofwel standsgenoten, hoe uitte zich dit in de dagelijkse praktijk in Nederland rond 1900?
    Er was geen uitwisseling, iedereen bleef binnen zijn stand en vanuit de hogere stand werd zeer neergekeken op de lagere stand. Zeker als deze mensen de 'brutaliteit' hadden zich uiterlijk kenmerken van een hogere stand aan te meten, daar stoorde men zich vreselijk aan. Boeren en kleinburgers in de provincie worden in boeken beschreven als een soort inboorlingen, die nooit begrijpen wat je bedoelt.
    Bij problemen of moeilijkheden wendde je je ook niet tot de politie of zomaar de eerste beste mensen, maar zocht je hulp bij mensen van je eigen stand.
  • Wat werd verstaan onder de bovenlaag?
    Adel is adel, maar een nietadellijke groep die in levenswijze niet zoveel verschilt met die van de adel, de bovenlaag, hebben geen soortnaam, het was deftig Nederland. Zou kunnen heten hoge burgerij. Als er een probleem was wenden ze zich tot standsgenoten, later 'ons soort mensen' genoemd. Deze groep  verzette zich erg tegen wat zij de burgerij noemden, nl. middenstanders en kleine employes.
  • Wat is het merkwaardige aan de bovenlaag in Nederland, 'die rijke lui'?
    De bovenlaag in Nederland bestond voor een klein deel uit adel, herkenbaar aan naam en titel, maar er was een grotere niet-adellijke groep die in levenswijze en uitgeoefende invloed niet zoveel verschilde van de adel.
    Deze groep heeft geen eigen 'soortnaam', met de groepsnaam 'burgerij' of 'hoge burgerij' had de groep zelf grote problemen. 
    De niet-adellijke bovenlaag met patricische pretenties bewoog zich graag dichtbij de aristocratie. Het onderscheid tussen deze twee groepen heeft historisch gezien ook iets kunstmatigs. Het grootste deel van de adel was pas na 1815 door Willem I in de adelstand verheven, omdat van de oude adel nog maar enkele tientallen families waren overgebleven (de oude adel was bij de Bataafse revolutie in 1795 officieel afgeschaft). Deze families werden opnieuw erkend door de koning.
  • Wat verstond men onder burgerlijk?
    Huizinga roemde het burgerlijke in de Ned. beschaving, wij, Nederlanders, zijn alle burgerlijk.
    Burgerlijk was tot diep in de 20e eeuw een neerbuigende term in de mond van mensen, die door buitenstaanders (kunstenaars, socialisten, aristocraten) bij uitstek burgerlijk zouden zijn gevonden. Vrije beroepen heetten in Engeland middle class of evt. upper middle.
    Burgerlijk was een makkelijke term om alles af te doen waarboven men zich verheven voelde. Er werd niet hardop over gesproken. Burgerlijk werd niet zo genoemd, het werd buh.
  • Waaruit bestond de Nederlandse maatschappelijke bovenlaag begin 20ste eeuw?
    Er was een bovenlaag die bestond uit adel en patriciaat. In Nederland’s Adelsboek en Nederland’s Patriciaat kon, schijnbaar objectief, zelfs worden opgezocht welke families hiertoe gerekend konden worden. De grenzen tussen beide groepen waren niet altijd even duidelijk. Qua levenswijze verschilden zij niet zo veel, en het grootste deel van de Nederlandse adel bestond uit patriciërgeslachten die begin negentiende eeuw in de adelstand waren verheven. De Nederlandse adel was sowieso nooit zo omvangrijk geweest als die in andere Europese landen. De Nederlandse bovenlaag bestond vooral uit protestantse families. De leden van deze pluriforme bovenlaag kenden allen een superioriteitsgevoel. Zij (de ‘heren en dames’) voelden zich verheven boven de ‘rest’ (de ‘mannen en vrouwen’). Zij vormden de bestuurlijke en culturele bovenlaag.
  • Aan welke eisen moest een familie voldoen wilde zij als nieuwe adel erkend worden?
    Het criterium was dat zij moest behoren tot het 'patriciaat', de regenten en dit tenminste drie generaties voor 1795. Een functie in één van de vroedschappen van stemhebbende steden van de Republiek of in de Haagse regeringscolleges.
  • Waarom werd de Ned. bovenlaag in tweeen gedeeld?
    Grootste deel adel werd pas na 1815 door koning Willem I in die stand verheven/ herkend, van de oude adel waren enkele families overgebleven. Moesten wel tot het patriciaat (regenten) behoren.
    Bovenlaag in twee delen: getitelde adel en de rest, patriciaat genoemd. Vanaf 1848 gelijkwaardig naast elkaar in de regering etc.
    Adel trouwde bij voorkeur onderling, leefde op grotere voet en verkeerde meer aan het hof.
    Toplaag van de patricische families zelfde grandeur. Welgestelde, niet-adellijke families: landjonkerachtige levensstijl.  
    Andere verdeling,het geloof, grote meerderheid was Ned. Hervormd. Ook veel katholieke families, maar katholieke bevolking was sterk ondervertegenwoordigd in 'heersende stand'. Gold ook voor gereformeerden, Joden en kleinere protestantse groeperingen. 
    Aanzienlijke stand: men voelde zich verheven boven gewone volk. Mannen gestudeerd, kenden elkaar van de universiteiten, vrouwen vaak kapitaal (landerijen). Deze elite had macht in handen. Bepaalden modebeeld, literatuur en bestuurden alles.
  • Door welke 3 groepen voelde de elite zich vooral bedreigd, en waarom?
    • De leden van de elite (zeker de patriciërs, die immers geen adelstitel hadden) zetten zich nadrukkelijk af tegen de ‘burgers’ of middenklasse. Die kleine burgerij kende weliswaar bepaalde fatsoensnormen en kon bestaan uit ‘nette’ mensen (in ogen van de bovenlaag), maar velen probeerden sociaal te stijgen en dus toe te treden tot de elite. De elite vond dat ‘een dubbeltje geen kwartje’ moest worden. Bijvoorbeeld uit het citaat op p. 79 uit De klop op de deur spreekt een weerzin tegen ‘de lagere stand’ die zich steeds brutaler manifesteert met dure jassen en zijden kousen, en zo de elite uitdaagt.
    • De elite zette zich af tegen het gewone (arbeiders)volk. In tegenstelling tot de kleine burgerij werden zij gezien als hoogst onbeschaafd, een groep waarmee men zich niet diende in te laten. Illustratief is dat de spoorwegen eerste-, tweede- en derdeklassecoupés kende, waarbij de eerste twee bestemd waren voor ‘dames’, en de laatste voor ‘vrouwen’.
    • Men voelde zich bedreigd door de parvenu’s. Deze nouveaux riches – vaak zakenlieden of industriëlen – hadden het geld om de luxueuze levensstijl van de elite te imiteren. Aangezien op die manier standsverschillen niet meer in een oogopslag te zien waren, beschouwde de elite de parvenu’s als een directe bedreiging voor de eigen groep. Als reactie trachtten adel en patriciaat zo sober mogelijk te doen: de echte elite zou niet uitbundig hoeven te doen. Dat was niet chique.
  • In de praktijk bestond de bovenlaag uiteindelijk uit twee groepen, de getitelde adel en de rest die, bij gebrek aan een betere term, dan maar 'patriciaat' werd genoemd
  • Hoe zag de samenleving er verder uit?
    Geen middenklasse. Hoog en laag, daartussen niets. Ging niet om klassen (Brugmans), maar standen. Klassen zijn economische categorie, standen sociaal-psychologisch. Stand is eenheid van mentaliteit en beschaving met afkomst, opvoeding, beroep en traditie.
    Werd niet met mindere stand getrouwd en gingen ook niet met minder om.
  • Tegen welke specifieke groepen in de maatschappij zette deze bovenlaag zich nadrukkelijk af?


    Zij zetten zich juist nadrukkelijk af tegen wat zij de 'burgerij' noemden, nl. middenstanders en kleine employés.
    Als ze ergens niet mee geassocieerd wilden worden dan was het wel met zoiets als 'burgerlijk' te zijn.
    'Burgerlijk' was tot diep in de 20e eeuw een neerbuigende term en werd gemakkelijk gebruikt om alles af te doen waarboven men zich verheven voelde, tezelfdertijd moest je ervoor waken er niet te vaak in het openbaar over te spreken en de term zelfs liever niet in zijn geheel uitspreken, maar verkorten tot 'buh'.
  • Hoe werden de verschillen aangemerkt?
    Zeer zichtbaar. Armen droegen geen hoeden, maar petten, geen schoenen, maar klompen of pantoffels, geen gekochte kleding, maar zelfgemaakt of afleggertjes.
    Volkse vrouw werd juffrouw of vrouw genoemd. Dienstbode of werkman werden getutoyeerd. 
    Ideaalbeeld Nederlandse elite is gebleven tot zeker 1940.
  • Waarom voelde de elite zich bedreigd?
    non
  • Hoe werd de sociale stijging va burgers gezien?
    Was verwerpelijk streven van kleine burger om op te klimmen, parvenu zou zich altijd blijven verraden. Parvenue-achtig gedrag werd op alle terreinen gemeden, obsessief gedrag.
  • Wat voor invloed had het blauwe boekje?
    In 1903 verscheen het Ned. adelsboek, in 1910 de niet-adellijke versei (blauwe boekje), Ned. Patriciaat. oorspronkelijk beschrijving van niet-adellijke takken van adellijke families, vaak met adel getrouwd en degenen 'door het bekleden van hoge ambten of bijzondere persoonlijke verdiensten'.
    Deftige levensstijl bepaalde opname in het boekje.
  • Hoe stond de bovenlaag tegenover buitenstaanders?
    Bovenlaag hield buitenstaanders buiten de deur. Dedain voor alles wat te maken had met handel en industrie was groot. Geleidelijk vestigden zich steeds meer rijke industrieelen in bosrijke gebieden rond Utrecht, hun rijtuigen en grootse levensstijl konden niet meer worden genegeerd.
    Eerste Utrechtse Jaarbeurs in 1917 was, sociaal gesproken, doorbraak.
    In 20e eeuw smolt geringschatting voor geld dat in zaken was verdiend weg. Principiele afwijzing van handel en industrie veranderde in relatieve, grote zaken waren ok, kleine werd onverminderd neergekeken.
  • Waaraan lag het dat men direct kon vaststellen uit wat voor stand een mens kwam?
    Etiquetteboeken bespraken bijv. de houding. Toont of men zich in hoge of lagere kringen beweegt, welke opvoeding, zelfachting en zelf-eerbiediging, en de vorm van zelfbeheersing. Met wie men omgaat. Met rechte rug, waardige tred, zichtbare beheersing van blikken en gebaren bewijs dat men zichzelf in de hand had.
    Houding en kleding hadden met elkaar te maken, maar vooral kleding maakte het grote verschil. In kleding van vrouw van stand kon zij zich eleganter bewegen, soms ook nauwelijks bewegen. Hoefde niets te dragen.  
    Men had een geborduurd reticule of handwerktasje bij zich.
  • Wanneer werden handtassen belangrijk?
    Rond 1910 begon leren handtas aan opmars. Na inburgering werd handtas ingeschakeld als wapen in klassenstrijd. Werd een statussymbool.
  • Ieder hoort zich naar zijn stand te kleden, maar daar hield men zich niet aan.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Door welke 3 groepen voelde de elite zich vooral bedreigd, en waarom?
  • De leden van de elite (zeker de patriciërs, die immers geen adelstitel hadden) zetten zich nadrukkelijk af tegen de ‘burgers’ of middenklasse. Die kleine burgerij kende weliswaar bepaalde fatsoensnormen en kon bestaan uit ‘nette’ mensen (in ogen van de bovenlaag), maar velen probeerden sociaal te stijgen en dus toe te treden tot de elite. De elite vond dat ‘een dubbeltje geen kwartje’ moest worden. Bijvoorbeeld uit het citaat op p. 79 uit De klop op de deur spreekt een weerzin tegen ‘de lagere stand’ die zich steeds brutaler manifesteert met dure jassen en zijden kousen, en zo de elite uitdaagt.
  • De elite zette zich af tegen het gewone (arbeiders)volk. In tegenstelling tot de kleine burgerij werden zij gezien als hoogst onbeschaafd, een groep waarmee men zich niet diende in te laten. Illustratief is dat de spoorwegen eerste-, tweede- en derdeklassecoupés kende, waarbij de eerste twee bestemd waren voor ‘dames’, en de laatste voor ‘vrouwen’.
  • Men voelde zich bedreigd door de parvenu’s. Deze nouveaux riches – vaak zakenlieden of industriëlen – hadden het geld om de luxueuze levensstijl van de elite te imiteren. Aangezien op die manier standsverschillen niet meer in een oogopslag te zien waren, beschouwde de elite de parvenu’s als een directe bedreiging voor de eigen groep. Als reactie trachtten adel en patriciaat zo sober mogelijk te doen: de echte elite zou niet uitbundig hoeven te doen. Dat was niet chique.
Waaruit bestond de Nederlandse maatschappelijke bovenlaag begin 20ste eeuw?
Er was een bovenlaag die bestond uit adel en patriciaat. In Nederland’s Adelsboek en Nederland’s Patriciaat kon, schijnbaar objectief, zelfs worden opgezocht welke families hiertoe gerekend konden worden. De grenzen tussen beide groepen waren niet altijd even duidelijk. Qua levenswijze verschilden zij niet zo veel, en het grootste deel van de Nederlandse adel bestond uit patriciërgeslachten die begin negentiende eeuw in de adelstand waren verheven. De Nederlandse adel was sowieso nooit zo omvangrijk geweest als die in andere Europese landen. De Nederlandse bovenlaag bestond vooral uit protestantse families. De leden van deze pluriforme bovenlaag kenden allen een superioriteitsgevoel. Zij (de ‘heren en dames’) voelden zich verheven boven de ‘rest’ (de ‘mannen en vrouwen’). Zij vormden de bestuurlijke en culturele bovenlaag.
Verhouding Ned. - Ned.-Indie
Tot 2e WO was koloniale netwerk gericht geweest op integratie van Nederlanders in de kolonie. Nederlanders domineerden de banden met het moederland. Toen de Ind. Nederlanders naar het land kwamen waar de koloniale elite thuis was, hield de collectieve samenhang van deze transnationale verbindingen op. Sociale netwerk functioneerde niet meer, gedeelde culturele orientatie op Europa verloor in een Ned. context haar betekenis als Ind. gemeenschappelijkheid. Veen Ind. Ned. voelden zich op zichzelf terug geworpen. In een uitsluitend Ned. context bleken de rangen en standen heel anders te liggen en bleek er over en weer een afstand te zijn. Klassenverschil, religieuze verbindingen, etnisch verschil, racisme en de ontkenning daarvan kregen de overhand. Toorops werk werd va Ind. losgekoppeld.
Ind. Ned. moesten een nieuw, eigen cultureel erfgoed ontwikkelen.
Omslagpunt in de appreciatie van zijn werk tussen eind 19e eeuw en huidige tijd.
Mogelijke verklaring waarom na 1945 Toorops profiel als kunstenaar  die een artistieke verbinding tot stand bracht tussen Ned. avant-gardekunst en Indon. cultuur, verdween uit de kunstgeschiedenis, zou kunnen liggen in de schok die de Indon. onafhankelijkheid teweeg bracht binnen de Ned. koloniale elite.. Tot dan toe had deze groepering i h moederland uitgemaakt hoe de kennis van een culturele verbondenheid aan Indie in Ned. vorm kregen. Na 1945 was deze groep gedwongen de eigen transnationale identiteit op te geven of andere wending te geven. Ook was ze door de komst van de postkoloniale migranten niet langer het enige gezicht en de enige vormgever v d waardering v Ind. cultuur in Ned. Verhoudingen zoals die in Ned.-Indie hadden bestaan, werden in Ned. niet voortgezet. Er voltrok zich een vervreemdingsproces tussen Nederlanders en Indische Nederlanders die vroeger in Ned.-Indie dicht bij elkaar hadden gestaan. Met de overgrote meerderheid vd Ned. bevolking borg de transnationale Ned. elite hun koloniale voorgeschiedenis op, weg uit het openbare leven. Daarmee werd ook Toorop ingepakt.
Toorop nu
In 4 tentoonstellingen van na 2001, waarin Toorop een prominente plaats innam, wordt nauwelijks aandacht besteed aan zijn overzeese afkomst. In een Utrechtse tentoonstelling Vier generaties etc. werd hij gepresenteerd als belangrijk kunstenaar en vader van Charley Toorop, grootvader van Edgar en John Fernhout en overgrootvader van Rick Fernhout, waarin aandacht voor de Ind. afkomst, verder niet. Bij een tentoonstelling in Assen hing hij met recht als een v d centrale symbolistische kunstenaars, maar zijn werk werd niet geplaatst tussen Ned. en Ned.-Indie. Evenmin werd gesproken over de vele inspiraties voor andere kunstenaars. Ook bij tentoonstelling en Gemeentemuseum den Haag (2007) Toorop/Klimt ontbreekt iedere verwijzing naar relatie tussen symbolisme, kolonialisme en Ind. cultuur.
Omdat deze tentoonstellingen vrij kort na elkaar waren, viel de kunsthistorische positionering van Toorop op. Het was kennelijk niet relevant dat Toorop's Ind. achtergrond getoond werd in de context van het werk. Een belangrijke dimensie in de Ned. kunstgeschiedenis raakte uit het zicht. 
Later werd dit ook duidelijk bij andere kunstenaars. In het culturele klimaat waren de directe relaties tussen Ned. en Ind. uit het zicht verdwenen, aandacht werd gericht opNed. deelname aan Europese kunststromingen en minder op eigen inbreng daarin. Toorop was niet langer een 'oosterse vorst', maar een invloedrijke Ned. schilder.
Hoe was zijn positie eind v d 19e eeuw?
Tot die tijd was hij met Ind. achtergrond alleen geweest. Er werden meer groepen actief als dansers, dichters en musici. Brom beschouwde alle activiteiten van de kolonistische cultuur en hun invloed op de Ned. cultuur een interessant verschijnsel en een verrijking v d Ned. cultuur, of zelfs Ned. volksaard. Het gaf een impuls aan sommige Ned. schilders.
Wat was kenmerkend voor Toorop?
Symboliek met hoekige en ronde lijnen, klank, geur en sfeer. Men vond stijl vernieuwend door keuze voor vormtechnische en mysterieke ontleningen uit de Indon. cultuur.
Na symbolistische tijd bleef verbinding tussen Indie en werk van Toorop bestaan.
Erkenning voor Toorop?
Nee, onderkenning, meestal positief, soms kritisch.
Bekend vroege affiches, tegeltableaus Beurs v Berlage, boekband van Couperus Metamorfoze. Couperus gaf symbolistische beeldende kunst van Toorop zowel impliciet als expliciet prominente plaats in dialogen van Metamorfoze. Toorop verzorgde de vormgeving vh boek.
Keuze voor Toorop als ontwerper versterkte de aard van deze uitgave als gesamtkunstwerk, als het 'voorwerp' geworden ideeen en woorden, gedrukt op papier ineen betekenisvolle boekband.
Ook samenhang stene gebouw Beurs v Berlage, waar het architecturale decoratieprogr. waaraan ook Toorop had meegewerkt, de functie v h gebouw moest versterken.
Was zijn achtergrond zichtbaar in zijn werken?
Niet veel werken met een typische Indonesisch onderwerp. Zijn Indon. artistieke achtergrond was wel duidelijk v invloed op zijn bijdrage aan het symbolisme i d schilderkunst en de vernieuwingsbeweging in toegepaste kunst rond 1900. De kloof tussen kunstnijverheid, toegepaste kunst en vrije kunsten werd rond 1900 gedicht door kunststroming geinspireerd door Ned. ambachtelijke tradities uit verleden en door contemporain ambachtelijke tradities v Indonesie, typisch Ned. kunststroming. Ook in architectuur, schilderkunst, dans, theater, literatuur en muziek werkte Indon. inspiratie door.
Toorop werd geboren in Indisch milieu op Java.Ook opgegroeid in Banka.Hoe lang leefde hij in Indonesie?
Op zijn veertiende werd hij naar Nederland gestuurd, daarna alleen briefcontact met ouders gehad. Rijksacademie Amsterdam en Kon. Academie voor Schone Kunsten in Brussel.
Was zich goed bewust van zijn Ned.-Ind. achtergrond, ook nauw verweven met cultuur grote Chinese bevolkingsgroep op Banka.