Summary Literair mechaniek

-
ISBN-10 9046903516 ISBN-13 9789046903513
209 Flashcards & Notes
22 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Literair mechaniek". The author(s) of the book is/are Erica van Boven. The ISBN of the book is 9789046903513 or 9046903516. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

Summary - Literair mechaniek

  • 1.1 De lyrische taalsituatie

  • Lyriek wordt gekenmerkt door een monologische taalsituatie. De woordvoerder geeft uiting aan een momentane ervaring. Er wordt dus geen geschiedenis gepresenteerd. Verder kom je vaak een exclamentio tegen (uitroep van O, of Oh) en wordt er gesproken tegen een Gij of jij (apostrofe). De apostrofe is de jij in het verhaal die niet de lezer is maar een ongedefinieerd personage.

    De instelling van de lezer hangt af van de pragmatische situatie. Is het niet aan jou gericht, dan is de jij de apostrofe is de tekst wel aan jou gericht, dan spreken we niet meer van een apostrofe.

    De woordvoerder noemen we ook wel de lyrische ik of het lyrisch subject.

    In lyriek of lyrische passages die zijn geschreven in de traditie van de klassieke retorica vinden we de apostrofes en uitroepen (exclamentio) herhaaldelijk terug.

    Als we in de tegenwoordige tijd op dezelfde manier, vol apostrofes, exclamentio en met verheven pathos zouden schrijven, zal het ouderwets aandoen. Ook wel archaïsch genoemd. Wanneer moderne dichters hier gebruik van maken is er vaak sprake van ironie.

    Eigenaardig: bij gezongen teksten kan het lyrische 'O' nog wel ongehinderd gebruikt worden. De oorsprong van lyriek is dan ook het gezang: de oudste lyrische teksten zijn dan ook liederen. De oude Grieken zongen hun lyriek.

     

  • Waar komt lyriek uit voort?
    een oude genreaanduiding
  • Waarin kenmerkt een lyrische tekst zich?
    monologische situatie (een woordvoerder)
  • Wat is een momentane ervaring?
    Dat er geen geschiedenis is
  • Wat is een lyrisch-ik?
    een monoloog van een ik
  • Wat is het tijdsverloop in lyriek?
    Geen tijdsverloop, geen geschiedenis
  • Tot wie spreekt het lyrische ik zich?
    tot een jij --> apostrofe
  • Wat betekent pathos?
    gevoelswaarde
  • Ander woord voor uitroep (herkenbaar aan tussenwerpsels)
    Exclematio
  • Apostrofes en uitroepen die herhaaldelijk terugkeren komen voort uit:
    de klassike retorica (Griekse en Romeinse klassiekers)
  • Ander woord voor ouderwets aandoen
    Archaisch
  • Hoe gebruiken moderne dichters een gedicht met apostrofes en uitroepen?
    ironisch
  • Waar ligt de oorsprong van lyriek?
    gezang
  • Naast lyrische poezie is er ook nog: (2x)
    verhalende en dramatische poezie
  • Wat zijn kenmerken van een gedicht?
    • rijm
    • metrum
    • beeldspraak
    • sonnet
    • duister
    • gevoel
    • verhevenheid
  • 1.3 Objectieve lyriek

  • Veel gedichten en zeker modernere gedichten, zijn meer observerend, beschrijvend, bewerend, of probleemstellend dan lyrisch. om dit soort gedichten toch tot de lyriek te kunnen rekenen, onderscheidt de lyriektheorie subjectieve lyriek en objectieve lyriek. Objectieve lyriek is afstandelijker. Een observerend ik dat niet uitroept en aanroept maar registreert en constateert.

  • 1.4 Poëzie

  • Lyriek is niet hetzelfde als poëzie, ook al worden beide termen nogal vaak door elkaar gebruikt. Er zijn gedichten die niet lyrisch zijn, waarbij bijvoorbeeld het gedicht geschiedenis bevat.

    Het woord poëzie en poëtisch roepen tal van associaties op: rijm, metrum, beeldspraak, sonnet, gevoel, verheven, maar toch valt poëzie niet sluitend te definiëren op grond van voorgaande eigenschappen. Toch is er een kenmerk dat et heel lang uithoudt als definiërende eigenschap voor poëzie, en dat is er een van typografische aard. Bij proza heb je te maken met een doorlopende tekst; een nieuwe regel begint als de vorige vol is. (afgezien van de alinea scheiding) Hier heb je te maken met zachte returns. Bij gedichten daarentegen is de regelscheiding niet arbitrair (willekeurig) maar deel van de tekst. Hier worden doelbewust harde returns toegevoegd, waar je rekening mee moet houden bij het lezen.

    Verplichte regelscheiding zet aan de tekst poëtisch te lezen. Toch zijn er twee bezwaren om de regelval als definiërend kenmerk van poëzie te beschouwen. Ten eerste blijft het onbevredigend om een uiterlijke ingreep als enig kenmerk van poëtische teksten te beschouwen - we voelen intuïtief aan dat er meer aan de hand is. Ten tweede levert zelfs de regelscheiding geen sluitend criterium op, want er zijn voorbeelden van teksten die we gedichten noemen zonder dat de regelscheiding optreedt, de zogenoemde prozagedichten.

    Duidelijk is dus dat poëzie niet sluitend te duiden is. Toch spreken we in het alledaagse leven, maar ook in een meer systematisch letterkundig kader, over poëzie zonder dat er veel begripsproblemen optreden. Wat poëzie is, is dus niet een verzameling definiërende eigenschappen, maar een concept, een begrip dat mensen met elkaar als instrument gebruiken om de werkelijkheid te ordenen. Let wel, naarmate de culturele gemeenschap verandert, veranderen ook de inhouden van de literatuurconcepten. Zo werd in de middeleeuwen een andere afbakening gemaakt van de teksten die tot de literatuur werden gerekend dan in bijvoorbeeld de eerste helft van de twintigste eeuw.

    Hieruit volgt dat het van belang is bij de bestudering van literaire teksten de literatuuropvatting of poëtica van de tijd waarin de teksten werden gemaakt en gelezen te betrekken. Kennis van opvattingen uit een bepaalde periode kan de lectuur sturen; zij helpt ons relevante tekstkenmerken waar te nemen. Let wel, die relevantie is geen objectief gegeven, maar wordt bepaald door een historische verzameling leesregels van een bepaalde culturele gemeenschap. Ook wij maken deel uit van een culturele gemeenschap. Anders gezegd, lezers maken deel uit van een interpretatieve gemeenschap waarin bepaalde leesconventies heersen, regels die zeggen hoe je moet lezen.

    Een lezen heeft een zekere vrijheid om iets als poezie te lezen of als lyriek op te vatten. Tegelijkertijd wordt die vrijheid ingeperkt door minimaal twee factoren. 1) signalen die de tekst begeleiden, ook wel parateksten genoemd. 2) de institutionele context.

Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Waarom is er enige terughoudendheid in de praktijk van de tekstanalyse tegenover toneelteksten?
Waarschijnlijk vanuit een terecht besef dat de toneeltekst pas echt functioneert in de theatrale context: de opvoering.
Waardoor kenmerken dramatische teksten zich?
Ze kenmerken zich door een dialogische taalsituatie. Er zijn minimaal twee woordvoerders nodig die ieder op hun beurt iets zeggen. Ze reageren op elkaar.
Benoem de leerdoelen van het boek Literair mechaniek hoofdstuk 2, introductie verhaalanalyse.
1.   Verschillende literatuuropvattingen te kennen;
2.  De opvattingen over traditie en vernieuwingen te kennen;
3.  Te weten welke functies een literaire tekst kan hebben;
4.  Te kunnen verklaren dat literaire teksten meerduidig zijn;
5.   te weten welke rol de lezer speelt bij de interpretatie van        literatuur;       
6. Te weten welke taalsituaties er worden onderscheiden in proza,
poëzie en dramatische teksten.
Wat is de "implied author" in een verhaal?
De tekstuele instantie die boven de verteller staat.
Er is nl een categorie van tekstelementen die niet aan de verteller of aan personages is toe te schrijven, terwijl deze elementen wel van groot belang zijn voor de interpretatie en beslist niet over het hoofd gezien mogen worden:
  • titel
  • ondertitel
  • motto
  • tussentitel
Wat is gedachte- of bewustzijnsstroom (stream of consciousness)?
Daar vertoont de persoonstekst opvallende stilistische verschijnselen doordat de illusie gewekt wordt dat we de innerlijke processen van het personage van nabij volgen.
Hoe kan een auteur de personages mede karakteriseren?
Door ze een bepaalde stijl mee te geven en door een typerend taaleigen.
Welke groepen zijn van oudsher vatbaar voor ideologische voorstellingen?
Groepen die als 'anders' worden ervaren: sekseverschillen, ras, etniciteit, huiskleur, natie, sociale klasse (sex, race, class).
In (post)koloniale letterkunde spelen ideologische opvattingen vaak een rol.
Hoe wordt 'ideologie' gebruikt?
In de zin van ideeën, voorstellingen en beelden die vanzelfsprekend en natuurlijk lijken, maar in feite gekleurd en partijdig zijn. 
Het gaat niet om waarheden of feiten, maar om historisch bepaalde en dus veranderlijke waarden.
Waar moet bij een verhaalanalyse nog meer naar gekeken worden met betrekking tot focalisatie?
De objecten van waarneming: de gefocaliseerde objecten. 
De aard van de verschillende visies.
Wie is de focalisator in vertellerscommentaar?
De verteller.