Summary LKT (samenvattingen)

-
302 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - LKT (samenvattingen)

  • 1 EH

  • Fonologie
    Fonologie is het onderdeel van de taalwetenschap dat de kleinste (betekenisloze) onderdelen van de taal bestudeert. In het geval van gesproken taal zijn dit spraakklanken.
  • Assimilatie
    De beginklank van een woord wordt aangepast aan de eindklank van het woord dat daaraan voorafgaat. Bijvoorbeeld voet-zoeker uitspraak.
  • Distinctief
    Hiermee kunnen woorden mee onderscheiden worden. Bijvoorbeeld o en oo. De d en s verschillen op meer dan één distinctief en e E hebben onderscheid in langheid.
  • Flexie (verbuiging)
    Inpassen van woorden in grammaticale structuur. Patroon van vormen die woorden door de flexie kunnen aannemen= paradigma
  • Hyponymie
    A is soort van B. Bijvoorbeeld wodka-borrel.
  • Homonymie
    Betekenis van elkaar verschillende woorden hebben dezelfde vorm.
  • Polysemie
    Woord heeft verschillende samenhangende betekenissen.
  • Antonymie
    Betekenistegenstelling, bijvoorbeeld wit-zwart.
  • Register
    Aan bepaalde situaties gebonden taalgebruik.
  • Fonemen
    Betekenisonderscheidende klanken. Uitspraakverschil.
  • In Nederland zijn er drie uitspraken van de r. De tongpunt-r, huig-r, Gooise-r. Waardoor?
    Dit komt door de plaats van articulatie.
  • Minimale paren
    Woorden die slechts op één aspect verschillen. Twee woorden met verschillende betekenis met één klankverschil. Bijvoorbeeld paard-baard of mal-maal.
  • Morfologie
    Morfologische regels beschrijven boe van woorddelen hele woorden gemaakt worden.
  • Omzetting
    Bijvoorbeeld woorden als brand, loop en werk komen zowel als werkwoord en zelfstandig naamwoord voor.
  • Suffix
    Niet-lexiaal element achteraan het woord. Bijvoorbeeld  loos in respectloos (afleiding).
  • Affix
    Niet-lexiaal element dat zich aan de stam van een woord hecht. Bijvoorbeeld onbaatzuchtigheid telt 3 affixen.
  • Vrij morfeem
    Morfeem dat losstaand betekenis heeft, bijvoorbeeld tafel. In het woord spiegelingen zit 1 vrij morfeem, namelijk spiegel.
  • Gebonden morfeem
    Krijgt alleen betekenis als het een woord verbonden is, bijvoorbeeld a in asociaal.
  • Globaal luisteren
    Na horen van de tekst worden pas de vragen gegeven.
  • NT2
    Diverse opvattingen over grammaticaonderwijs in het NT2-onderwijs. Er wordt steeds gekeken naar de relatie tussen expliciete kennis (leren) en impliciete kennis (verwerven). Aandacht voor grammatica heeft zin, want expliciete kennis van regels kan indirect leiden tot impliciete taalverwerving.
  • NT2-didactiek bestaat uit:
    Contextrijk taalaanbod 
    Functioneel taalaanbod
    Taalaanbod net boven het niveau
  • Feedback
    NT2: Ik heb die huis helemaal niet gezien. 
    Docent: Oh, ik dacht dat je dat huis wel degelijk had gezien. 
    Wat voor manier van feedback geven?
    Modeling
  • Hoeveel woorden en lemma's moet je kennen volgens onderzoek om een tekst te begrijpen?
    90%
  • Lemma
    Een lemma is een woord met meerdere betekenissen zoals milieu (lemma met twee betekenissen).
  • Wat voor soort fout is:
    Could I have some toast, or do you not have a bread rooster?
    Lexicaal aspect
  • Pragmatisch aspect
    Bij taalontwikkeling vormt taalgebruik het pragmatische aspect.
  • Het is zinvol om naast 5000 frequente woorden ook andere schooltaalwoorden te leren,
    want deze zijn onmisbaar in het vervolgonderwijs.
  • Vaktaalwoorden
    CAT-woorden
    Leerlingen hebben weinig steun aan de context. 
    Cognitieve eisen zijn hoog. 
    Voorbeeld vaktaalwoord: consumeren.
  • Taaluniversalia
    (geldig voor alle talen en taalverschijnselen die voorkomen in alle talen)
    - In alle talen bestaan woorden voor wit, zwart, donker en licht.
    - In alle talen komen werkwoorden en zelfstandige naamwoorden voor.
    - Medeklinkers en klinkers (gesproken talen). 
    - Taalfuncties: ontkennen, vragen stellen en bevelen geven. 
    - Bestaan uit kleine elementen (klanken). 
    - Complexe zinnen maken (samengestelde zinnen). 
    - Thomas maakt zich belachelijk. Zich is Thomas.
  • Universele grammatica
    Een basispatroon van taalregels dat kinderen in staat stelt de grammatica van hun moedertaal te ontdekken.
  • Het Nederlands staat ongeveer op de veertigste plaats in de ranglijst van wereldtaal.
    Dit is gebaseerd op het aantal sprekers.
  • Regionaal dialect
    Geografische distributie van taalvariatie. Bijvoorbeeld jeans of spijkerboks.
  • Wat kun je met niet-bestaande woorden testen?
    Of leerlingen moeite hebben met technisch lezen.
  • Taalgericht vakonderwijs
    Verbeteren van taalvaardigheid door taalproductie te stimuleren bij elk vak. Bijvoorbeeld een geschiedenisleraar geeft op de derde dinsdag in september les over Prinsjesdag (context).
  • Hoe kun je als docent taalsteun bieden?
    Docent vraagt van tevoren aan groep leerlingen welke strategieën zij kunnen inzetten om tijdens het lezen van een krantenartikel achter de betekenis van woorden te komen.
  • Woordenschatonderwijs/didactiek wordt in 4 fasen opgedeeld:
    1. Voorbewerken. Voorkennis wordt geactiveerd, docent zorgt dat alle leerlingen betrokken raken bij het onderwerp. 
    2. Semantiseren. Uitleg a.d.h.v. context en toelichting. Kennismaken met betekenis van het woord. 
    3. Consolideren. Er worden verschillende oefeningen gegeven waardoor leerlingen vertrouwd raken met de betekenis. Bewust aantal keer terugkomen van nieuwe woorden in taken en opdrachten. Veel oefenen. 
    4. Controleren.
  • Woordenschatonderwijs
    - Incidenteel. Natuurlijk en spontaan leren. 
    - Intentioneel. Schools leren. Gericht op het in een bepaalde tijd bereiken van een omschreven kennis- en vaardigheidsniveau. 
    - Leerlinggestuurd. Leerling geeft min of meer zelf vorm.
  • Basislijst Schooltaalwoorden vmbo
    Kan gebruikt worden voor intentioneel woordenschatonderwijs.
  • Iedere leraar is een taalleraar
    Leraren van andere vak- en leergebieden moeten werken aan taaldoelen in hun lessen.
  • Illocutie
    Dat wat auteur probeert te zeggen: inhoud taaluiting.
  • Intensief lezen
    Leerder is erop gericht de gehele tekst te lezen en alle informatie te begrijpen.
  • Extensief lezen
    Bepaalde informatie te lokaliseren of om tekst scannend te lezen. Bijvoorbeeld lezen van folders.
  • Syntaxis
    Deelgebied die zich bezig houdt met zinsstructuur.
  • Compensatiestrategieën
    Context
    Voorkennis
    Definitie
    Omschrijving
  • Dyslexie
    - Een stoornis betreft het probleem met het aanleren en accuraat of vlot toepassen van het lezen/spellen. 
    - Komt vaker bij jongens voor dan bij meisjes.  
    - Fonologisch verwerkingsprobleem, aanpak gebruikmaken van symboolsysteem (iedere klank heeft een apart symbool).
  • Remedial teacher
    - diagnostiseren van leerproblemen 
    - helpen met gedragsproblemen
    - signaleren van leerproblemen
  • Voorzetsels kunnen benoemd worden als voorzetsels en bijwoorden.
    Hij keek mij niet aan - aan bijwoord
    De jurk hangt aan de kast - aan voorzetsel
  • Bepaling van gesteldheid
    Heeft zowel betrekking op het gezegde als op het onderwerp of lijdend voorwerp.
  • Betrekkelijk voornaamwoord
    Het boek dat daar ligt, heb ik geschreven.
  • Het beginsel van gelijkvormigheid
    Woorden die overeenkomstige wijze zijn gevormd, worden op overeenkomstige wijze geschreven.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

De Jonge Jury en de Griffeljury bekronen over het algemeen verschillende jeugdboeken. Welke van onderstaande uitspraken klopt niet?a. De jury’s hanteren verschillende beoordelingscriteriab. De jury’s kiezen uit een andere selectie van jeugdboekenc. De jury’s zijn anders samengesteld
De jury’s kiezen uit een andere selectie van jeugdboeken
In de jaren 70 en 80 ontwikkelde de jeugdliteratuur zich onder invloed van de maatschappelijke tendensen. Welke kenmerken kenschetsen de jeugdliteratuur uit deze tijd? Lees de kenmerken en beantwoord daarna de vraag.1.     Boeken moesten kinderen kritischer maken2.     Veel echte ‘probleemboeken’3.     Veel ‘bakvisboeken’4.     Aandacht voor het doorbreken van taboes a.     Alleen kenmerk 1 is belangrijkb.    Kenmerk 1, 2 en 4 zijn belangrijkc.     Kenmerk 1 en 2 zijn belangrijkd.     Alleen kenmerk 4 is belangrijk
Kenmerk 1, 2 en 4 zijn belangrijk
In de overgang van de 19enaar de 20eeeuw nam het aantal kinderboeken snel toe. Welke van de hier genoemde factoren waren hierbij belangrijk?1.     Toename van het aantal openbare bibliotheken2.     Snel toenemende alfabetisering3.     De toename van het aantal humoristische boeken a.     Alleen factor 1 was van belangb.    Factor 1 en 2 waren van belangc.     Factor 2 en 3 waren van belangd.     Alleen factor 3 was van belang
Factor 1 en 2 waren van belang
Lees de twee stellingen over de veranderingen ten aanzien van het kindbeeld en de jeugdliteratuur in de overgang van de 19enaar de 20eeeuw:A: ‘In deze periode deed de pedagogische opvatting opgeld dat het kind langer kind moest blijven’B: ‘In deze periode werd het aandeel van de moraal in het jeugdboek teruggedrongen’Welke uitspraak klopt t.a.v. bovengenoemde stellingen?a.    Stelling A is waarb.    Stelling B is waarc.     Stelling A en B zijn beide waard.     Stelling A en B zijn beide onwaar
Stelling A en B zijn beide waar
Lees de volgende twee stellingen over de cross-overroman:‘De cross-overroman is gericht op de jonge lezer en wil een brug vormen tussen jeugdliteratuur en volwassenenliteratuur’‘De cross-overroman is een commercieel initiatief en omvat titels die jongeren graag lezen.’Welke uitspraak klopt t.a.v. bovengenoemde stellingen?a.     Stelling A is waarb.     Stelling B is waarc.    Stelling A en B zijn beide waard.     Stelling A en B zijn beide onwaar 
Stelling A en B zijn beide waar
Hoe verhouden volgens de polysysteemtheorie kenmerken van de canon van de jeugdliteratuur zich op een specifiek moment tot die van de volwassenenliteratuur?a. de jeugdliteratuur volgt de kenmerken van de volwassenenliteratuurb. de volwassenenliteratuur volgt de kenmerken van de jeugdliteratuurc. de kenmerken van de jeugdliteratuur en volwassenenliteratuur zijn gelijk
de jeugdliteratuur volgt de kenmerken van de volwassenenliteratuur
Wanneer kwam het literaire kinderboek op?a. eind 19eeeuwb. vlak na de Tweede Wereldoorlogc. rond 1980d. begin 21eeeuw
rond 1980
In 1980 schreef Guus Kuijer het essay ‘Het geminachte kind’. In dit essay ging hij in tegen de opvattingen over jeugdboeken van:a. uitgeversb. schrijversc. pedagogend. onderwijzers
pedagogen
Welke van onderstaande functies treffen we in jeugdliteratuur en veel minder in jeugdlectuur aan?   a.    ontspannende functie   b.    creatieve functie   c.    emotieve functie    d.   esthetische functie    
esthetische functie    
De ‘Proeve van kleine Gedichten voor Kinderen’ wijkt af van eerder verschenen boeken. In welk opzicht wijkt het af?a.     De Proeve is minder moraliserendb.     De Proeve hanteert literaire taalc.     De Proeve is geschreven vanuit het kindd.     De Proeve is sterk godsdienstig van inslag
De Proeve is geschreven vanuit het kind