Summary Loi opleiding gewichtsconsulente

-
356 Flashcards & Notes
7 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Loi opleiding gewichtsconsulente". The author(s) of the book is/are Loi. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Loi opleiding gewichtsconsulente

  • 1.1 De cellen

  • Wat zijn organen?

    Een orgaan is een eenheid die een bepaalde levensfunctie heeft.

    Het hart bijv heeft als functie het rondpompen van het bloed, de maag heeft een functie in de spijsvertering.

  • Wat zijn cellen?

    De bouwstenen waarmee de organen gevormd zijn.

  • Wat zijn kenmerken van de cel?

    - cellen zijn zeer klein; ongeveer 0,001 mm!

    - cellen bevatten: *cytoplasma, dit is een substantie van water, eiwitten, vetten, zouten en andere stoffen.

                                      *een kern (meestal centraal gelegen) die het functioneren van de cel bestuurt.

    - In de cellen vindt stofwisseling plaats.

  • Wat is het celmembraan?

    Het celmembraan is de celwand van de cel, deze vormt een begrenzing.

  • Het celmembraan is geen afgesloten geheel, maar is enigszins doorlaatbaar.

  • Waar vindt de daadwerkelijke stofwisseling plaats?

    In het cytoplasma bevinden zich kleinere structuren, die we celorganellen noemen. In één van deze celorganellen vindt de stofwisseling plaats.

  • Wat is transport?

    Het celmembraan is in zekere mate doorlaatbaar. Sommige stoffen kunnen het membraan zonder moeite passeren, andere hebben daarbij wat hulp nodig.

    Ook zijn er stoffen die het membraan helemaal niet binnen kunnen treden. De cel gaat hierbij selectief te werk.

    Het passeren van het membraan noemen we transport.

  • Welke 2 transportvormen onderscheiden we en wat houden ze in?

    Diffusie: een stof kan zonder problemen het membraan passeren. Diffusie wordt ook wel passief transport genoemd.

     

    Actief transport: een stof kan het membraan alleen passeren met behulp van een hulpstof; dit proces kost energie.

  • Wat is osmose?

    Osmose= diffusie door een halfdoorlaatbaar membraan (semi-permeabel membraan)

  • Wat is osmotische druk?

    Het drukverschil dat tussen 2 oplossingen van verschillende concentraties ontstaat ten gevolge van osmose.

  • Wat is hypotonie?

     

    Onderspanning; er bevindt zich aan de buitenkant van de cel een oplossing met een lagere concentratie dan die in de cel.

  • Wat is hypertonie?

    Bovenspanning; er bevindt zich aan de buitenkant van de cel een oplossing met een hogere concentratie dan die in de cel.

  • Wat is isotonie?

    Gelijke spanning; de concentratie van de oplossingen zijn zowel binnen de cel als aan de buitenkant precies gelijk.

  • Wat zijn taken van de cel?

    - Stofwisseling

    - Groei, dmv delen

    - Vervanging, proces van afbraak en aanmaak van cellen.

  • 1.2 De weefsels

  • Wat is weefsel?

    Weefsel = eenheid naar bouw en functie.

    Als er een grote groep van spiercellen die naar bouw en functie bij elkaar horen zijn gebundeld, spreken we van spierweefsel.

  • Welke soorten weefsel zijn er?

    - epitheelweefsel

    - steunweefsel

    - spierweefsel

    - zenuwweefsel

  • Wat zijn de functies van het epitheelweefsel?

    - Bescherming van de onderliggende weefsel, bijv de huid, die ons lichaam beschermt tegen vuil en bacteriën.

    - Uitwisseling van stoffen; bijv bij de spijsvertering en uitscheiding van stoffen in de nieren.

    - Afscheiding van verschillende stoffen, zoals zweet, slijm en spijsverteringssappen zoals speeksel.

  • Wat zijn kliercellen?

    Epitheelcellen die zelf stoffen kunnen produceren. Deze zijn gebundeld tot klieren. De klieren halen grondstoffen voor hun uitscheidingsproducten uit het bloed.

  • Wat zijn exocriene klieren?

    Exocrien = naar buiten afscheiden. (externe secretie).

    Deze klieren scheiden hun stoffen af via een afvoerbuis en lozen die in een lichaamsholte of naar de buitenwereld, zoals mond en darmen.

    Exocriende klieren spelen een zeer belangrijke rol bij de spijsvertering. Bijv speeksel, klieren en zweetklieren.

  • Wat zijn endocriene klieren?

    Klieren die hormonen afscheiden in het lichaam, direct aan de bloedbaan. Bijv schildklier en bijnier. (interne secretie)

  • Waarin wijkt de alvleesklier af van andere hormoonklieren?

    De alvleesklier (pancreas) is zowel een exocriene als een endocriene klier.

  • Welke soorten steunweefsel zijn er?

    - bindweefsel

    - vetweefsel

    - kraakbeenweefsel

    - bot

    - bloed

  • Welke 3 soorten spierweefsel zijn er?

    - glad spierweefsel

    - dwarsgestreept spierweefsel

    - hartspierweefsel

  • Wat zijn kenmerken voor glad spierweefsel?

    - onwillekeurige spieren, kunnen er geen invloed op uitoefenen.

    - gladde spieren doen hun werk traag en raken niet snel vermoeid.

    - wordt gevonden in de huid en in alle buisvormige organen, zoals bloedvaten, maagdarmkanaal en baarmoeder.

  • Wat zijn kenmerken voor dwarsgestreept spierweefsel?

    - willekeurige spieren, afhankelijk van onze wil.

    - dwarsgestreept spierweefsel vinden we voornamelijk in de skeletspieren.

    - dwarsgestreepte spieren werken snel en zijn snel vermoeid.

  • Wat zijn kenmerken voor hartspierweefsel?

    - komt alleen voor in de wand van het hart.

    - werkt met snelle, ritmisch verlopende contractie (=samentrekking) en ontspanning

    - vrijwel onvermoeibaar

  • Wat is de functie van de spieren?

    De spieren zorgen ervoor dat we ons kunnen bewegen en dat we normale lichaamshoudingen kunnen aannemen zoals staan, zitten, lopen.

    De spieren geven dus stevigheid aan ons lichaam.

  • Wat doet het zenuwweefsel?

    Het zenuwweefsel zorgt voor het opnemen, doorgeven en afgeven van prikkels en vormt de zenuwen.

Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat zijn risicogroepen voor vitamine C-hypovitaminose?
  • mensen die weinig vers voedsel consumeren.
  • ernstig zieke mensen
  • mensen met brandwonden.
Wat zijn verschijnselen bij vitamine C-hypovitaminose?
Verschijnselen bij een vitamine C tekort zijn:
  • scheurbuik; kenmerken hiervan zijn: slapte, bloedarmoede, gezwollen tandvlees, slijmvliesbloedingen.
  • bloedarmoede, door gebrekkige ijzerstofwisseling.
  • slechte wondgenezing door slechte collageenvorming
  • vermoeidheid
  • verminderde weerstand.
In welke voedingsmiddelen komt vitamine C voor?
Vitamine C komt voor in:
  • citrusfruit; sinaasappels, mandarijnen, grapefruits, citroenen.
  • overig fruit: zwarte bessen, frambozen, aardbeien, meloenen en kiwi's.
  • aardappelen.
  • sommige groentesoorten: koolsoorten, sla, paprika, tomaten.
Wat zijn de functies van vitamine C? (ascorbinezuur)
  • Vitamine C speelt een belangrijke rol bij de instandhouding van de weerstand van het lichaam.
  • Vitamine C is nodig voor stevige cellen
  • Vitamine C zorgt voor een goede wondgenezing
  • Vitamine c speelt een belangrijke rol in de opname van ijzer.
  • Vitamine C speelt een rol bij de vorming van bindweefsel.
  • Vitamine C heeft de rol als antoixidant en biedt dus vermoedelijk bescherming tegen het ontstaan van hart- en vaatziekten.
Wat zijn de risicogroepen voor een vitamine B12 tekort?
  •  mensen bij wie (een deel van) de maag is verwijderd (geen intrinsiek factor meer)
  • mensen die totaal geen dierlijke producten willen gebruiken (=veganisme)
Wat zijn B12-hypovitaminoseverschijnselen?
  • Pernicieuze anemie (pernicieus=verderfelijk, anemie=bloedarmoede)
In de maag wordt een eiwit afgescheiden (intrinsiek factor). Vitamine B12 kan niet worden opgenomen wanneer de intrinsiek factor ontbreekt.
  • In een later stadium treden neurologische afwijkingen op ten gevolge van beschadiging  van het zenuwweefsel. Verschijnselen kunnen zijn; vergeetachtigheid, wanen, ongevoeligheid of prikkelingen in lichaamsdelen.
In welke voedingsmiddelen komt vitamine B12 voor?
Vitamine B12 komt bijna uitsluitend voor in dierlijke voedingsmiddelen;
  • vlees, met name orgaanvlees
  • vis
  • eieren
  • melk
  • kaas.
Noem de functies van vitamine B12.
  • Vitamine B12 speelt een rol bij de totstandkoming van rode bloedlichaampjes.
  • Vitamine B12 speelt een rol bij de vetstofwisseling
  • Vitamine B12 is noodzakelijk voor een goede stofwisseling van de zenuwcellen.
Wat zijn risicogroepen voor foliumzuurhypovitaminose?
  • mensen met opnamestoornissen ten gevolge van darmafwijkingen
  • zwangeren
  • alcoholisten
  • ouderen.

Wat zijn verschijnselen bij een foliumzuur tekort? (foliumzuurhypovitaminoseverschijnselen)
  • macrocytaire anemie; macrocytair=te grote rode bloedlichaampjes.
  • slijmvliesontstekingen
  • vermoeidheid
  • eetlustgebrek
  • geboorteafwijkingen, met name open ruggetje.