Summary Markten en overheid

-
ISBN-10 9001784259 ISBN-13 9789001784256
29 Flashcards & Notes
29 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Markten en overheid". The author(s) of the book is/are P J Eijgelshoven, A Nentjes, B C J van Velthoven. The ISBN of the book is 9789001784256 or 9001784259. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

Summary - Markten en overheid

  • 3 Producentengedrag 33

  • Wat zijn de belangrijkste verschillen tussen korte en lange termijn op de markt?
    - er zijn geen constante kosten meer
    - het aantal bedrijven kan varieren, toe en uittreding: doordat alles nu variabel is kunnen bedrijven gaan verhuizen of toetreden etc.
  • Waarom is het shutdownpunt daar waar P < GVK?
    Omdat de prijs gelijk staat aan de gemiddelde opbrengst. De opbrengst is dus op dat punt zelfs te laag om de Gemiddelde Variabele kosten van te betalen. 

    Bij alles wat boven de GTK ligt maakt de producent zo veel winst dat hij alle kosten goed maakt. Onder de GTK maakt hij echter niet alle kosten meer goed, maar in ieder geval nog wel zijn variabele kosten: hij kan dus nog wel blijven produceren en daarmee een deel van de constante kosten betalen. (als stopt met produceren kan hij immers helemaal niets daarvan betalen) Als de producent echter zelfs de variabele kosten niet meer kan betalen. De producent moet dan stoppen met produceren omdat hij zijn verlies dan beperkt tot alleen de constante kosten, terwijl als hij door zou gaan ook nog verlies zou maken op de variabele kosten. 

  • De aanbodcurve is gelijk aan de marginale kosten curve.  Dit omdat de prijs varieert en het snijpunt MO (in feite de prijs) en MK daardoor steeds verandert.
  • Waarom zal een producent de productieomvang kiezen waarbij de marktprijs gelijk is aan de marginale kosten?
    Omdat de producent streeft naar maximale winst. Omdat op korte termijn de marktprijs gelijk staat aan de marginale opbrengst (omdat je per eenheid dezelfde prijs hebt gaat met één eenheid omhoog de opbrengst ook met de prijs omhoog). Als de marginale opbrengst dus hoger is dan de marginale kosten voor die eenheid, betekent dat dat om één stap in de productie omhoog te gaan, dat meer opbrengt dan dat het kost. De producent zal dat dus altijd doen omdat hij streeft naar winstmaximalisatie. HIj gaat hier net zo lang mee door tot de marginale kosten hoger zouden worden dan de marginale opbrengsten: op dat punt levert uitbreiden hem niks meer op dus stopt hij daar waar het kantelpunt is: waar de marginale opbrengsten gelijk zijn aan de marginale kosten (MO=MK). 
  • 5 De goederenmarkt met volledige mededinging op lange termijn 67

  • Waar ligt het shutdownpunt op de lange termijn?
    Onder de GTK gewoon. Je hebt immers geen constante kosten meer dus alles onder de Gemiddelde totale kosten is slecht. Op de lange termijn kun je dus nooit blijven produceren met constant verlies.
  • 6 Monopolie en monopolistische concurrentie 75

  • wanneer is er sprake bij de volgende vormen van beperkte mededinging
    1. Veel aanbieders, heterogene producten = 
    2. weinig aanbieders, homogeen product  = 
    3. weinig aanbieders, heterogeen product =
    4. één aanbieder, één product (zonder nauw aanverwanten substituten) =

    5. veel aanbieders, homogene producten = 
    1 = monopolistische concurrentie
    2= homogeen oligopolie
    3=  heterogeen oligopolie
    4 = monopolie
    5 = volledige mededinging
  • noem voorbeelden bij de typen:
    1. monopolistische concurrentie
    2. homogeen oligopolie
    3. heterogeen oligopolie
    4. monopolie
    5. volledige mededinging
    1.detailhandel, horeca
    2. bulkchemie, basismateriaal
    3. auto's, wasmachines
    4. nutsbedrijven (zoals veerdienst Terschelling)
    5. agrarische producten.
  • noem de drie oorzaken van een monopolie
    1. Technisch/natuurlijk
    2. wettelijk
    3.  kartelvorming
  • Wat is het verschil tussen een monopolist en een producent op een markt met volledige mededinging wat betreft de ontwikkeling van de Marginale Opbrengst?
    Bij volledige mededinging is de marginale opbrengst gelijk aan de prijs, omdat de prijs niet varieert met de productieomvang. De marginale opbrengst is dus ook per eenheid hetzelfde, hij blijft constant naarmate de hoeveelheid toeneemt, omdat je steeds gewoon met een keer de prijs meer verdient als je een eenheid omhoog gaat.

    Bij een monopolist staat de marginale opbrengst niet gelijk aan de prijs, omdat de prijs varieert met de productieomvang. een stapje omhoog gaan is dus niet automatisch een stapje omhoog gaan met de prijs. hij moet juist een stapje naar beneden met de prijs om de volledige hoeveelheid te kunnen verkopen.

    kort gezegd: bij volledige mededinging is de prijs constant en de marginale opbrengst daardoor ook, en is de marginale opbrengst gelijk aan de prijs.
    Bij monopolist is de marginale opbrengst lager dan de prijs en neemt de marginale opbrengst af naarmate de productiehoeveelheid groter wordt.
  • Wanneer is de totale opbrengst voor de monopolist het hoogst, en waarom?
    Waar MO gelijk is aan 0. 

    Dit omdat de monopolist bij een extra verkochte eenheid ook moet inleveren op de prijs. Als de extra verkochte eenheid meer oplevert dan wat hij toe moet geven op de prijs is MO dus nog positief, maar als hij meer op de prijs moet inleveren dan dat de extra verkochte eenheid oplevert is MO negatief. De monopolist kan dus uitbreiden tot MO gelijk is aan nul, als hij verder gaat teert hij in op zijn opbrengst omdat hij dan bij uitbreiding meer moet inleveren op de opbrengst.

    Let op: dit gaat om de totale opbrengst, niet om de totale winst. De totale winst is niet daar waar MO is 0.
  • Wanneer is de winst maximaal voor de monopolist?
    waar MO = MK, hetzelfde dus als bij de producent op de markt met volledige mededinging.
  • Wanneer is er sprake van schaalvoordelen?
    Als de constante kosten heel hoog zijn, en ook relatief hoog in verhouding met de variabele kosten.
  • Waarom zie je bij schaalvoordelen maar 1 aanbieder?
    - toetreden is heel moeilijk
    - de GTK zijn het laagst bij de productieomvang die dicht bij de marktvraag zit: het is dus goedkoper dat 1 aanbieder het doet want die produceert dan al voor de hele markt. 
  • Aan welke twee voorwaarden moet prijsdiscriminatie voldoen, wil het werken?
    - de  markten moeten apart gescheiden kunnen worden.
    - de prijsafzetcurven per markt moeten verschillen.
  • Wanneer kan je bij dumping de prijs zo laag maken dat hij zelfs beneden de kostprijs ligt?
    Als je op andere markten genoeg winst maakt om het te compenseren. Dan kun je de dumpprijs zo lang volhouden dat het voor concurrenten heel moeilijk wordt om toe te treden, of om het vol te houden op die markt. 

    Kun je de prijs niet volhouden, zien je concurrenten dat ook en wachten ze gewoon rustig af.
  • Hoe geef je een prijzenoorlog tussen twee producenten weer in de grafiek?

    Als je dus op het tentamen een prijzenoorlog in de grafiek wil weergeven begin je met een beginsituatie van onderneming A (dus een vraagcurve en een horizontale MK, laat je zien wat er met de vraagcurve gebeurt zodra de andere onderneming zijn prijs verlaagt en kun je de nieuwe P en Q laten zien.

  • Waarom is er sprake van welvaartsverlies als je de markt met volledige mededinging vergelijkt met de markt met een monopolist?
    Omdat bij een  markt met volledige mededinging het welvaartsevenwicht wordt bereikt: producentensurplus en consumentensurplus zijn daar met elkaar in evenwicht. Bij een monopolist is de prijs hoger en de aangeboden hoeveelheid lager, omdat hij zelf de prijs kan bepalen. dit zorgt voor en groter consumentensurplus ten opzichte van het consumentensurplus, maar ook voor een verlies van een deel van het totale surplus = welvaartsverlies. (zie voor grafisch in aantekeningen) 
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.