Summary Medical Physiology

-
ISBN-10 1455743771 ISBN-13 9781455743773
254 Flashcards & Notes
6 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary 1:

  • Medical Physiology
  • Walter F Boron Emile L Boulpaep, M D
  • 9781455743773 or 1455743771
  • 2016

Summary - Medical Physiology

  • 1.1 Organisation nervous system deel 1

  • Waarin kunnen we het zenuwstelsel opdelen?
    Autonoom, Perifeer en Centraal
  • Uit welk deel van het lichaam bestaat het Perifeer Zenuwstelsel?
    De delen die buiten de Dura Mater zitten
  • Waar bestaat het Perifere zenuwstelsel uit (leg dit globaal uit)

    Daarnaast zijn er twee kenmerkende eigenschappen, leg dit uit

    Spinale en hersenzenuwen (behalve CNII), perifere ganglia. Afferent en efferent, visceraal en somatisch

    1. Schwann cellen zorgen voor myeline
    2. Axonen kunnen wel regenereren (hergeboren worden)
  • Uit welke drie lagen bestaan de meninges/membranes van het CNS?
    Buitenste= Dura Mater
    Middelste= Arachnoid
    Binnenste= Pia Mater
  • Uit welke onderdelen bestaat het CZS? 
    En noem twee speciale toepassingen
    Brain (including CN II en retina) en Spinal cord. 
    1. Oligodendrocytes zorgen voor myeline
    2. Axonen kunnen niet regeneren (hergeboren worden)
  • Hoe noemen we de grijze materie in het CZS? En hoe noemen we de witte materie?
    Grijze materie= Neuron cel lichamen
    Witte materie= Myeline
  • Hoe noem je neuronen die de zelfde functie hebben in het CNS?
    Nuclei
  • In welke vier delen kan een neuron opgedeeld worden?
    1. Dendriet
    2. Axon
    3. Cellichaam, ook wel de soma of perikaryon genoemd
    4. Presynaptisch terminal
  • wat zie je
    een neuron

  • - Wat zijn viscerale vezels?

    - Wat zijn somatische vezels
    - Viscerale vezels brengen informatie van inwendige organen van en naar het CZS
    - Somatische vezels brengen informatie van de zintuigen en skeletspieren van en naar het CZS.
  • 1. Hoe noem je sensorische zenuwen die boodschappen van de periferie naar het centrale zenuwstelsel dragen
    2. Hoe noem je sensorische zenuwen die boodschappen van het centrale naar de perfifere zenuwstelsel dragen
    1. Afferente zenuwen
    2. Efferente zenuwen
  • Waarin zijn neuronen gespecialiseerd?
    Neuronen zijn gespecialiseerd voor het verzenden en ontvangen van signalen, een doel dat wordt weerspiegeld in hun unieke vormen en fysiologische aanpassingen.
  • 1.2 Organisation nervous system deel 2

  • Wat stelde Schwann en Schleiden voor in 1838?
    - In 1838 stelden Schleiden en Schwann voor dat de een cel met kern de fundamentele eenheid is van structuur en functie in zowel planten als dieren.
    -  De hersenen bleken alleen moeilijker te kleuren dan andere weefsels
  • Welke methode introduceerde Camillo Golgi en wanneer?
    Wat voor een reactie kwam er toen hij de hersencellen hiermee probeerde te kleuren?
    1885, hij introduceerde zijn ''silver-impregnation method''. 

    Er ontstond een zwarte reactie
  • Wat concludeerde Santiago Ramón y Cajal? Toen hij aan de zilverkleuringsmethode werkte?
    Zenuwweefsel is niet samengesteld uit individuele cellen. De anatomie van de cellen verleent een functionele polarisatie aan de doorgang.  De dendriet neemt de signalen op en de axon vervoert deze weg. 
  • Wat concludeerde Heinrich van Waldeyer
    Hij concludeerde dat er afzonderlijke cellen in de hersenen zijn, genaamd neuronen. In 1891, stelde hij de neurondoctrine op: Bewijs over de cellulaire samenwerking van het zenuwstelsel.
  • Wat is een cytoskelet

    Wat zorgt voor leren en geheugen
    Structuren die een cel stevigheid geven (vorm &structuur). Dit is opgebouwd uit microtubili, microfilamenten en intermediate filaments


    Het veranderen van vorm van axonen en dendrieten (met behulp van microtubili), dit zorgt meer synaps verbindingen wat voor geheugen zorgt.
  • Cellichaam
    1. Wat is het?
    2. Welke organellen bevat het?
    3. Wat zijn de functies?

    Het cellichaam is het gedeelte wat de kern omvat.

    Het bevat het meeste van het ER en van het Golgi-apparaat.

    In deze celonderdelen vindt de productie en verwerking van eiwitten plaats. Het cellichaam is dus onder andere verantwoordelijk voor synthese van eiwitten.

  • Dendrieten
    1. Wat zijn het?
    2. Wat doen ze?
    3. Waaruit bestaat het cytoplasma van de dendriet?
    De dendrieten zijn de uitlopers die uit het cellichaam komen.

    De dendrieten en het cellichaam zijn de belangrijkste componenten om informatie op te vangen. Hun membranen zijn daarvoor bezet met receptoren, om door middel van neurotransmitters contact te hebben met buurcellen. Het chemische 'bericht' wordt door membraanreceptoren vertaald in een elektrisch biochemisch signaal dat de ontvangende cel beïnvloedt.

    Het cytoplasma van de dendrieten bevat een dicht netwerk van microtubuli en verlengingen van het endoplasmatisch reticulum.
  • Axon
    1. Wat doet het? 
    2. Waaruit is het opgebouwd? 
    3. Hoe wordt het cytoplasma van een Axon genoemd?
    4. Hoe komt een axon aan zijn energie?
    Het axon is een uitloper van het cellichaam, net als dendrieten. In tegenstelling tot dendrieten is het dun en lang: het kan meer dan een meter zijn. Het cytoplasma (axoplasma) bevat parallelle microtubuli en microvezels die structuur geven en een snelweg voor transport van materialen vormen. Axonen zenden berichten naar andere cellen: het actiepotentiaal wordt vanuit het cellichaam via het axon naar de doelcel gestuurd. Dit kan een ander axon zijn, of een spiervezel. Sommige axonen zijn omgegeven door myeline, een soort isolerende schede die gemaakt is door gliacellen die zich om het axon heen hebben gevouwen. OP bepaalde plaatsen is het axon niet omgeven door myeline, kruipt het signaal door het axon. Is het wel omgeven, springt het actiepotentiaal van de ene naar de andere knoop van Ranvier, waardoor het signaal zich veel sneller verplaatst.
  • Hoe wordt een elektrisch signaal afgegeven. Vier stappen
    1. Het actiepotentiaal wordt behaald bij het presynaptic terminal
    2. De presynaptic terminal laat een chemical signaling molecule vrij (synaptic transmission)
    3.  De moleculen binden aan de receptoren in het postsynaptisch membraan. 
    4. De receptoren maken een electrisch signaal van het chemisch signaal.
  • Axon hillock
    Door de aanwezigheid van zeer veel actieve poriën voor natriumionen kan hier de postsynaptische potentiaal (PSP) van het cellichaam, die de som is van alle binnenkomende exciterende en inhiberende prikkels, worden omgezet in een actiepotentiaal (AP), die over het axon kan worden geleid.
  • initial segment/spike initiation zone
    Bevat geen myelineschede, hier gaat het actiepotentiaal opstijgen en beginnen.
  • Hoe komen axonen aan energie?
    Door glucose en zuurstof opname uit de omgeving, zodat ze ATP kunnen produceren.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary 2:

  • Medical physiology
  • Walter Boron
  • or
  • 2nd

Summary - Medical physiology

  • 21.1 cardiale elektrofysiologie

  • welke actiepotentialen gaan snel en welke langzaam door het hart?
    sinusknoop en AV-knoop langzaam; Purkinjevezels, hartspiercellen en atriale hartspiercellen snel
  • hoe snel komen de actiepotentialen uit de SA knoop?
    60-100 keer per minuut in rust; door spontaan depolariseren
  • door welke zenuw input wordt de intrinsieke pacemaker activiteit geregeld?
    zowel parasympathische als sympathische zenuw input
  • waardoor kan een actiepotentiaal zich van cel naar cel bewegen door het hart?
    door de gap junctions, zelfde als een zenuwcel, via een lange axon
  • hoe gaat de actiepotentiaal?
    van de SA knoop - rechterboezem - linkerboezem - AV knoop - bundel van His - Purkinje vezels - kamerwanden
  • de invloed van de ene hartcel op de ander hangt af van...
    het voltageverschil en de weerstand van de gap juniton tussen hen. 
  • een depolariserende stroom is positief of negatief?
    positief; degene die het dichtste bij is, wordt het meest gedepolariseerd, dus het meest positief
  • op welke 2 manieren kan je een actiepotentiaal sneller laten gaan?
    • meer ionkanalen openen in de actieve regio van het hart
    • de drempel voor de actiepotentiaal naar beneden doen
  • wanneer cel A zelf depolariseert, gaan Na+ en Ca2+....
    kanalen open, waardoor deze kationen naar binnen kunnen. de  lading depolariseert niet alleen cel A, maar zorgt ook voor een + lading stroom naar cel B (intracellulaire stroom). Cel B wordt dan gedepolariseerd, waardoor extracellulaire + ladingen aan het membraan vrijkomen. dit is de extracellulaire stroom
  • de stroming van intracellulaire stroom van A naar B en extracellulaire stroom van B naar A zijn...
    gelijk en tegengesteld. deze extracellulaire stroom zorgt voor de onmiddelijke elektrische vector, die verandert met de tijd
  • elk punt op het elektrocardiogram is...
    de som van de vele elektrische vector
  • wat is kenmerkend voor verschillende delen van het hart en hun functies?
    • initatie tijd
    • vorm
    • duur

    van het actiepotentiaal. doordat myocyten in elk deel van het hart een aparte set van kanalen en anatomie hebben
  • er zijn 4 grote tijdafhankelijke en spanningsafhankelijke membraan stomen, onderliggend aan de cardiale actiepotentialen:
    • de Na+ stroom (Ina) -> snelle depolarisatie fase in atriale, ventriculaire en purkinje vezel cellen (+60 mV)
    • Ca2+ stroom (Ica) -> snelle depolarisatie fase in SA en AV knoop -> triggert ook de contractie in alle cardiomyocyten (+120 mV)
    • de K+ stroom (Ik) -> repolariserende fase van het actiepotentiaal in alle cardiomyocyten (-100 mV)
    • pacemaker stroom (If) -> deels pacemaker activiteit in SA nodale cellen, AV nodale cellen en Purkinje vezels (-35 mV)
  • welke twee belangrijke dingen dragen stromen door het plasmamembraan, behalve de 4 belangrijk tijdafhankelijke en spanningsafhankelijke membraan stromen?
    twee elektrogene transporteren dragen stroom door het plasmamembraan:
    • Na-Ca uitwisselaar (NCX1)
    • Na-K pomp
  • welke cardiale actiepotentialen lijken op elkaar?
    • SA knoop en AV knoop: stijle heuvel
    • atriale spieren, purkinje vezels en ventriculaire spieren: brede heuvel
  • wat zijn de veranderingen in het membraan potentiaal (Vm) tijdens de actiepotentiaal, opgedeeld in 4 fasen?

    • fase 0: upstroke van actiepotentiaal. alleen door Ica langzaam, Ina erbij dan snel
    • fase 1: snelle repolarisatie. meestal afkomstig van bijna totale inactiviteit van Ina of Ica. kan ook afhangen van activatie van kleinere K+ stroom Ito genoemd. (voorbijgaande stroom naar buiten)
    • fase 2: plateau fase. belangrijk in ventriculaire spier. hangt af van continue instroom van Ca of Na en kleine membraan stroom Na-Ca NCX1 uitwisselaar
    • fase 3: repolarisatie. hangt af van Ik
    • fase 4: elektrische diastolische fase. Vm wordt diastolische potentiaal genoemd. meest negatieve is de maximale diastolische potentiaal. in SA en VA door veranderingen in Ik, Ica en If. Purkinje vezels slechts If. atriale en ventriculaire geen tijdafhankelijke stromen tijdens fase 4.
  • wat is de grootste stroom in de hartspier?
    de Na+ stroom: 200 kanalen per vierkante micrometer. niet aanwezig in SA of AV nodale cellen
  • hoe is een Na+ kanaal voor Ina opgebouwd?
    • alfa subunit: versch. fosforyleringsplekken -> gevoelig voor cAMP-afhankelijke protein kinase.
    • beta subunit

    tijdens negatieve rustpotentialen zijn deze ketens gesloten. Als Vm positief blijft, sluiten deze kanalen geleidelijk. slomer dan activatie, maar wel snel. 
  • bij de potentialen die in stand blijven tijdens de plateau of cardiale actiepotentiaal (licht positief tot 0 mV tijdens fase 2) blijft ....
    een kleine component van de Na stroom over. dit helpt fase 2 te verlengen. 
  • in cardiale weefsels die geen SA of AV knopen zijn, hangt de regeneratieve verspreiding van de uitgevoerde actiepotentiaal voornamelijk af van...
    de omvang van Ina. de demoralisatie die door de Na stroom wordt veroorzaakt, activeert niet alleen Ina in buurcellen, maar ook andere membraan stromen in dezelfde cel, waaronder Ica en Ik
  • de Ca stroom is aanwezig in...
    alle cardiale myocyten. L-type Ca kanaal is de dominante in het hart. T-type minder aanwezig. 
  • in de SA knoop is de rol van Ica...
    het bijdragen aan de pacemaker activiteit. in zowel SA als AV knoop is Ica de bron van inkomende stroom verantwoordelijk voor upstrokes (fase 0). 
  • omdat modale cellen geen Ina hebben...
    is hun upstroke slomer dan die van de artikel en ventriculaire spier. hierdoor ontlaadt Ica de membraan capaciteit van buurcellen in de AV en SA knopen minder snel, dus is de actiepotentiaal langzamer. -> vertraging tussen atriale en ventriculaire contractie.
  • wanneer er negatieve potentialen zijn...
    produceren Ina en Ica geen stromen, omdat de kanalen gesloten zijn
  • wat helpt de plateau fase uitstellen in fase 2?
    een kleine hoeveelheid Ica die achterblijft 
  • Ca dat via L-type Ca kanalen binnenkomt ... 
    activeert afgifte van het SR door calcium-geïnduceerde Ca2+ afgifte in atriale en ventriculaire spiercellen. 
  • wat is het verschil in de duur van de actiepotentialen in spiercellen en cardiale cellen?
    cardiale actiepotentialen duren twee ordes van grootte langer, omdat erepolarisering van de K stroom erg sloom gaat en - in het geval van atriale myocyten, Purkinje vezels en ventriculaire myocyten - met een aanzienlijke vertraging. deze repolariserende Ik wordt gevonden in alle cardiale myocyten
  • welke twee stromen liggen ten grondslag aan Ik?
    • relatief snelle component Ikr gedragen door heteromere HERG/miRP1 kanalen
    • relatief slome component Iks gedragen door heteromere KvLQT1/minK kanalen
  • de Ik membraanstroom is ... bij negatieve potentialen
    erg klein. bij demoralisatie activeert hij langzaam, maar inactiveert niet. 
  • Naast Ik zijn er nog een aantal andere K+ stromen aanwezig in cardiaal weefsel:
    • vroege uitwendige K stroom (A-type): Ito. triculaire en ventriculaire spiercellen. geactiveerd door deporalisatie, maar inactiveert snel. draagt bij aan fase 1 repolarisatie. Kv4.3 kanaal medieert de A-type stroom in hart- en andere cellen. 
    • G-eiwit geactiveerde K-stroom: acetylcholine activeert muscarine receptoren en activeert, door de betagamma subunits van G eiwit, een uitwendige K stroom gemedieerd door GIRK K+ kanalen. deze stroom is prominent in SA en AV nodale cellen, helpt daar de pacemaker snelheid omlaag door cel hyperpolarisatie wanneer geactiveerd. maakt geleiding van de actiepotentiaal door de AV knoop langzamer.
    • Katp stroom: ATP-gevoelige K kanalen, geactiveerd door lage intracellulaire ATP, kunnen een rol spelen in elektrische regulatie van samentrekkend gedrag. heteromultimeren van Kir en SUR. 
  • If stroom wordt gemedieerd door ...
    een nonselectief kation kanaal: HCN (hyperpolarisatie activated Cyclic Nucleotide gated). geleiden zowel K als Na, waardoor het omkeringspotentiaal van If ongeveer -20 mV is, tussen de Nernst potentialen voor K (-90 mV) en Na (+50 mV) in. 
  • HCN kanalen:
    HCN kanalen zijn apart, omdat ze niet geleiden bij positieve potentialen, maar door hyperpolarisatie aan het eind van fase 3. activatie erg sloom en de stroom inactiveert niet. dus If produceert een inwaartse depolariserende stroom, terwijl het langzaam activeert aan het einde van fase 3. 
  • welke stromen dragen bij aan de pacemaker activiteit van het hart?
    If, Ica en Ik in de AV en SA nodale cellen tijdens fase 4 depolarisatie. 
  • hoe worden onderscheidende actiepotentialen aangemaakt?
    • door verschillende cardiale weefsels te combineren
    • membraangeleiding van elke cel
    • geometrie van de geleiding pathway wanneer de actiepotentiaal zich voortplant via gap junctions
    • cel specifieke complement van ion kanalen
    • eigenschappen van deze kanalen op een bepaald moment
    • intracellulaire ion concentraties
  • wat is de primaire pacemaker van het hart en wat zijn de andere pacemaker weefsels?
    de SA knoop (60 slagen per minuut)
    • AV knoop
    • Purkinje vezels

    pacemaker = spontane tijd-afhankelijke depolarisatie van het celmembraan dat leidt tot een actiepotentiaal. de snelste pacemaker stelt de hartslag in. 
  • welke 2 fundamentele principes liggen ten grondslag aan de pacemaker activiteit?
    • inkomende of depolariserende membraan stromen interacteren met uitgaande of hyperpolariserende membraan stromen om cycli van spontane depolarisatie en repolarisatie te bereiken
    • in een specifieke cel interactieren deze stromen tijdens fase 4 in een smal bereik van diastolische potentialen: tussen -70 en -50 in SA en AV, en tussen -90 en -65 in Purkinje vezels
  • welke 'dingen' controleren het intrinsieke ritme van de SA knoop?
    de interacties tussen drie tijd-afhankelijke en voltage-gated membraan stromen (Ica, Ik en If). de som van de decreasing outward stroom en twee increasing inward stromen (Ica en If) produceert de langzame pacemaker depolarisatie (fase 4). 
  • wat is de maximale diastolische potentiaal van de SA nodale cellen?
    dus de meest negatieve Vm, tussen de -60/-70 mV. als Vm stijgt naar drempel van -55, wordt Ica enorm geactiveerd en uiteindelijk regeneratief -> upstroke van de actiepotentiaal. deze depolarisatie zorgt voor deactivatie van If, waardoor het hele proces opnieuw begint
  • wat is het effect van B-adrenerge blokkers (zoals epinephrine) op de verschillende delen van het hart?
    • SA knoop: conductie snelheid en pacemaker snelheid omhoog
    • atriale spier: sterkte van samentrekking omhoog
    • AV knoop: conductie snelheid en pacemaker snelheid omhoog
    • Purkinje vezels: pacemaker snelheid omhoog
    • ventriculaire spier: samentrekbaarheid omhoog
  • wat is het effect van cholinergische middelen (zoals acetylcholine) op de verschillende delen van het hart?
    • SA knoop: conductie snelheid en pacemaker snelheid omlaag
    • atriale spier: geen effect
    • AV knoop: conduite snelheid en pacemaker snelheid omlaag
    • Purkinje vezels: pacemaker snelheid omlaag
    • ventriculaire spier: geen effect
  • waarom zijn Purkinjevezels wel handig, ook al hebben ze de laagste pacemaker activiteit van 20 slagen per minuut?
    omdat ze actiepotentialen sneller geleiden dan welk ander weefsel dan ook in het hart. hangt af van 4 voltage- en tijd-afhankelijke stromen: Ik, Ica, If en ook nog Ina. zijn wel onbetrouwbaar als pacemaker, omdat ze lage snelheid van pacemaker depolarisatie hebben
  • waardoor kunnen Purkinjevezels actiepotentialen snel geleiden?
    doordat het actiepotentiaal dat door de AV knoop gaat, de Purkinjevezels activeert, waardoor er een snelle upstroke is (fase 0), gemedieerd door Ica en Ina. doordat Ina groot is, kunnen Purkinje vezels snel actiepotentialen geleiden. 
  • het rustpotentiaal van atriale en ventriculaire myocyten is .... ten opzichte van het maximale diastolische potentiaal van de SA en AV knoop pacemaker cellen
    negatiever (-80 mV)
  • de atriale actiepotentiaal hangt af van tijd- en voltage afhankelijke membraan stromen:
    Ica, Ik en Ina.
  • de atriale spier heeft 4 geleidende bundels:
    1. Bachman's bundel (anterior interatriaal myocardiale band) - geleidt de cardiale actiepotentiaal van de SA knop naar het linkeratrium
    2. internodale pathway: anterior - actiepotentiaal van SA naar AV
    3. internodale pathway: middel - actiepotentiaal van SA naar AV
    4. internodale pathway: posterior - actiepotentiaal van SA naar AV
  • noem de volgorde van gebeurtenissen in de ventriculaire activatie:
    1. depolariseren van de atria
    2. depolariseren van het septum van links naar rechts
    3. depolariseren van de anteroseptale regio van myocardium richting de top
    4. depolariseren van het grootste deel van het myocardium, van endocardium naar epicardium
    5. depolariseren van de posterior deel van de basis van het linkerventrikel (dus van de top naar de basis)
    6. de ventrikels zijn gedepolariseerd (laatste deel dat wordt gedepolariseerd: posteriobasale regio linkerventrikel). 
  • wat zijn de grote tijd- en voltage afhankelijke stromen van de ventriculaire spier?
    Ica, Ik en Ina. geen If en geen pacemaker activiteit
  • hoe komt de snelle upstroke van ventriculair actiepotentiaal tot stand?
    door de activatie van Ina door een externe stimulus (impuls geleid naar de spier door een Purkinje vezel of een buur-ventriculaire spier)
  • waardoor is een ventriculaire spier effectief refractair? 
    doordat inwaartse stromen Ica en Ina die verantwoordelijk zijn voor activatie, grotendeels geïnactiveerd zijn door membraan demoralisatie. effectieve refractaire periode is hetzelfde als de absoluut refractaire periode 
  • aan het eind van de plateau fase, begint de ventriculaire cel te repolariseren als....
    Ik toeneemt. als Ica en Ina bij beginnen te komen van inactiviteit, begint de relatieve refractaire periode -> extra stimulus kan actiepotentiaal produceren, maar kleiner dan normaal
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.