Summary Medische Basiskennis Class notes

Course
- Medische Basiskennis les 3
- Assorti
- 2013 - 2014
- Academie voor Psychodynamica
- Medische Basiskennis
237 Flashcards & Notes
8 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Medische Basiskennis Class notes

  • 1397426400 AFP 403

  • Ziekte aan longen + luchtwegen kunnen vergezeld gaan met afwijkingen in de frequentie en diepte van de ademhaling. Welke vormen onderscheiden we?
    * Bradypnoe: te lage ademfrequentie
    * Tachypnoe: te snelle ademhaling
    * Hyperpnoe: te diepe ademhaling
    * Hypopnoe: oppervlakkige ademhaling
    * Hyperventilatie: ademhaling geeft aanleiding tot te weinig koolzuur in het bloed
    * Hypoventilatie: ademhaling geeft aanleiding tot te veel koozuur in het bloed
  • Welke 3 voorbeelden van afwijkende ademhalingstypen zijn er?
    1. Cheyne-Stokes-ademhaling
    2. Kussmaul-ademhaling
    3. Hyperventilatiesyndroom
  • Wat zijn de verschijnselen van hyperventilatie?
    * Benauwdheid en duizeligheid
    * Pijn op de borst en hartkloppingen
    * Tintelingen en droge mond
    * Hoofdpijn en misselijkheid
  • Wat is een longembolie?
    Een acute afsluiting van een longslagader, waardoor het achterliggende gedeelte van de long geen bloed meer krijgt.
    N.B. in 10% van de gevallen sterft het achterliggende weefsel af. Dit noemen we dan een longinfarct.
  • Wat zijn oorzaken voor een longembolie?
    * Een bloedpropje (trombus) afkomstig elders uit het lichaam, zoals bv. de benen of het bekken (diepe veneuze trombose) -> wanneer stolsel losschiet, kan deze in de bloedvaten van de longen terechtkomen.
    * Botbreuk -> vetdruppeltjes uit het beenberg komen in de bloedbaan terecht
    * Wanneer tijdens de bevalling vruchtwater in het bekken komt
  • Welke mensen hebben een verhoogde kans op hart- en vaatziekten?
    * Mannen
    * Iemand van hindoestaanse afkomst
  • Een hoog LDL-cholesterolgehalte is 1 van de risicofactoren voor het krijgen van hart- en vaatziekten. Noem nog een paar andere factoren:
    * Diabetes Mellitus (Suikerziekte)
    * Reumatoïde Artritis
    * Hoge Bloeddruk
    * Roken
    * Stress
    * Overgewicht
    * Weinig lichaamsbeweging
    * Ongezonde voeding
    * drinken van meer dan 2 glazen alcohol per dag
  • Oorzaken van een te hoog cholesterol
    * te veel verzadigd vet in de voeding
    * aanleg (de lever maakt te veel cholesterol aan. Oorzaak onbekend)
    * erfelijke stofwisselingsziekte (1:450 mensen komt dit voor. Families met deze stoornis vaak al voor 65e levensjaar hart- en vaatziekten)
  • Welke soorten cholesterol zijn er?
    * HDL-cholesterol (goed)
    * LDL-cholesterol (fout)

    N.B. Het HDL cholesterol mag hoog zijn. Is juist goed voor de bloedvaten. Het LDL-cholesterolgehalte kan juist leiden tot vernauwing en verstopping van bloedvaten en verhoogt daardoor de kans op hart- en vaatziekten.
  • Hoe ontstaat cholesterol?
    Je lichaam neemt dit op uit voeding en het wordt in de lever aangemaakt
  • Waar gebruikt het lichaam cholesterol voor?
    Om cellen, hormonen en gal te maken
  • Wat is cholesterol?
    Cholesterol is een vetachtige stof.
  • Noem een aantal behandelmethoden voor spataderen
    * Elastische kousen
    (drukken op de aderen en bevorderen zo de terugstroom naar het hart)
    * Dichtspuiten
    (vloeistof in kleine tot middelgrote spatader spuiten. Na 2 weken is bloedvat dichtgeplakt + niet meer te zien. Kans op terugkomen zeer groot)
    * Operatie (strippen)
    (kleinere spataderen kunnen operatief worden verwijderd. Kans op terugkomen zeer klein)
    * Lasertherapie of radiofrequentie ablatie
    (In de spataderen wordt een draad ingebracht die hitte afgeeft. Door de hitte schroeit de ader dicht)
    * Ambulante flebectomie
    (er wordt een klein sneetje in de huid gemaakt bij een spatadertrosje. Het trosje wordt rondgedraaid, zodat het bloedvat zich zelf dichtdraait. Daarna wordt het losgetrokken)
  • Noem een aantal factoren die verantwoordelijk kunnen zijn voor het ontstaan van spataderen
    Circulatie -> hart pompt bloed via de slagaderen naar alle delen van het lichaam. Via de aderen stroomt het bloed weer terug naar het hart.

    * Aanleg (komen vaker voor bij lange mensen en mensen met overgewicht)
    * Dagelijks lang staan
    * Zwangerschap (hormonen zorgen ervoor dat de wand van de aderen in de benen slapper wordt)
    * Slechte bloeddoorstroming vanuit de benen naar het hart -> stuwing waardoor de druk in de aderen omhoog gaat. De aderen worden vervolgens wijder en de kleppen in de aderen sluiten dan niet goed meer.
    * Slechtwerkende kleppen in de aderen, zodat het bloed niet meer goed naar boven kan stromen
    * Aanspannen van de kuitspieren leidt tot samendrukken van de aderen in de kuiten -> doordat er in deze aderen klepjes zitten kan het bloed niet naar beneden en wordt het omhoog, in de richting van het hart geperst + bloed wordt vanuit de benen een beetje naar boven gezogen bij een diepe inademing
  • Spataderen geven bij de meeste mensen geen klachten. Wat kunnen eventueel klachten bij spataderen zijn?
    * Jeuk
    * Zwaar, vermoeid gevoel in de benen
    * Pijn in de benen
    * Huidafwijkingen
    * Vocht vasthouden (doordat de terugstroom van het bloed vanuit de benen naar het hart steeds minder wordt) -> gezwollen benen
    * Door de stuwing kan de huid van de onderbenen rood en schilferig worden (eczeem) of verkleuren -> soms kan er op den duur een wond ontstaan die slecht geneest (open been)
    * Spatader kan gaan ontsteken
  • Wat zijn spataderen?
    Spataderen (Varices) zijn kronkelende bloedvaten die blauwpaars door de huid schijnen. Het kunnen kleine bloedvaatjes zijn, maar ook grotere, opgezwollen vaten die als knobbels zichtbaar zijn. Ze zitten meestal in de benen.
  • Wat zijn de oorzaken voor het onstaan van een hartstilstand?
    * Hartinfarct
    * Zuurstofgebrek van het hart (verstikking, verdrinking, shock)
    * Overdosering van narcotica
    * Electrisch geweld (schok, blikseminslag)
    * Hevige emoties of schrik
  • Wat is een hartstilstand?
    Een stilstand van het hart. Wanneer het hart langer dan 3-4 minuten stilstaat, dan dreigt er een onherstelbare beschadiging van de hersenen ivm gebrek aan zuurstof.
  • Wat is boezemfibrilleren?
    We spreken van boezemfibrilleren wanneer de sinusknoop het samentrekken van de boezems verloren heeft. Deze trekken hierdoor zich niet meer in hun geheel samen -> er zijn slechts wat grillige samentrekkingen verspreid over de boezems. Bij de boezem-kamerknoop komen dan ook nog slechts op volkomen onregelmatige wijze prikkels aan, die bovendien in sterkte verschillen. De zwakste prikkels worden niet doorgelaten naar de kamers. De wat sterkere wel. Doordat deze sterkere prikkels ook in kracht verschillen, ontstaat er een zwakke samentrekking van de kamers bij de zwakkere prikkels en bij de wat sterkere prikkels een krachtige samentrekking. Er ontstaat een pols die onregelmatig is + waarvan de slagen onderling in sterkte verschillen.
    N.B. de boezems trekken zich nooit in zijn geheel samen -> hierdoor legen ze zichzelf nooit in zijn geheel. Daarom ontstaat vaak in de boezems trombusvorming. De kans op het losschieten van zo'n trombus is groot (losgelaten trombus heet 'embolus'). Daarom krijgen deze patienten vaak antistollingsmiddelen toegediend.
  • Wat is een hartblok?
    We spreken van een hartblok wanneer er sprake is van een geleidingsstoornis in de Bundel van His, waardoor de prikkel hier moeilijk of in het geheel niet meer doorgaat. We onderscheiden:
    1: Totaal Hartblok = de geleiding is helemaal opgeheven
    2: Partieel Hartblok = de geleiding is gedeeltelijk opgeheven (bv. uit elke 2 of 3 uit de boezems komende prikkels wordt er slechts 1 doorgelaten. Kan ook weer leiden tot een totaal hartblok)
    N.B. Nadat de kamers geen prikkels meer krijgen en dus stilstaan (patient bewusteloos + geen pols), zullen ze na een halve minuut tot 2 minuten op ten gevolge van in de kamers zelf ontstane prikkels hun eigen ritme gaan slaan (ca. 40 slagen per minuut + patient komt weer bij)
  • Welke soorten hartritmestoornissen zijn er?
    * Hartblok
    * Boezemfibrilleren
    * Hartstilstand
  • Wat zijn symptomen van longembolie?
    * Snel en oppervlakkig ademhalen
    * Benauwdheid (dyspnoe)
    * Pijn op de borst, vastzittend aan de ademhaling
    * Plots ontstane hoestprikkel
    * Verhoogde hartslag
    * Bloed ophoesten
    * Doodsangst
    * Tekenen van diepe veneuze trombose
  • Hoe kun je longembolie behandelen?
    Een behandeling gericht op het verhinderen van het samenklonteren van bloed.
    N.B. Dit gebeurt via medicijnen -> hiermee wordt voorkomen dat het bloedpropje groter wordt. Het bloedpropje zelf zal door het lichaam moeten worden afgebroken. Dit proces is vaak langdurig. Daarom moeten patiënten ook na de opname met de medicijnen doorgaan. In speciale gevallen wordt trombolyse verricht (= het oplossen van het stolsel)
  • De cel wisselt continu stoffen uit met zijn directe omgeving. Op welke manieren kunnen de stoffen de celmembraan passeren?
    * Passief transport
    * Actief transport
  • Wat is passief transport?
    Passief transport kost geen energie + is gebaseerd op diffusie en osmose. Het streven is om de concentratie overal gelijk te krijgen.
  • Wat is diffusie?
    De beweging van deeltjes van een plaats waar ze in hoge concentratie voorkomen naar een plaats waar de concentratie lager is.
  • Wat is osmose?
    Diffusie van water via een half doorlaatbaar membraan, waar het water wel, maar grote moleculen niet doorheen kunnen -> doordat de grotere moleculen niet door het membraan kunnen, verplaatst het water zich van de lagere concentratie naar de hogere concentratie.

    Met ander woorden: de oplossing met de hoogste concentratie zuigt water aan.
  • Wanneer gaat diffusie sneller?
    * wanneer de temperatuur hoger is
    * het concentratieverschil groter is
    * de diffusieafstand kleiner is
    * de stroperigheid (viscositeit) van het oplosmiddel kleiner is
  • Wat is actief transport?
    Bij actief transport gaan deeltjes van een ruimte met een lage concentratie opgeloste stoffen naar een ruimte met een hoge concentratie opgeloste stoffen.
    N.B. de deeltjes bewegen dus tegen de concentratiegradiënt in -> dit kost energie en verloopt via enzymatische pomp of via blaasjestransport.
  • Wat is een enzymatische pomp?
    De te transporteren deeltjes worden met behulp van een transportenzym door de celmembraan gesluisd. Het deeltje werkt zich als het ware door het enzym heen van de ene naar de andere kan van de celmembraan.
    De enzymatische pomp vervoert geladen deeltjes (ionen) en grotere moleculen (eiwitten en suikers)
  • Wat is blaasjestransport?
    De celmembraan stulpt zich om de te transporteren stof heen en vormt een blaasje. Er ontstaat een blaasje in het cytoplasma waarvan de ingesloten inhoud niet in contact komt met het intracellulaire milieu.
  • Welke terminologiën gebruiken we bij blaasjestransport?
    * Endocytose: van buiten naar binnen
    * Fagocytose: de opgenomen deeltjes vormen een vaste vloeistof
    * Pinocytose: de opgenomen deeltjes vormen een vloeistof
    * Exocytose: van binnen naar buiten
  • Wat is een celmembraan?
    Omhulsel van de cel, die de cel vorm en enige bescherming biedt.
  • Welke 2 stoffen zijn, net zoals bij vuur, betrokken bij het verbrandingsproces in het lichaam?
    Zuurstof (O2) is nodig voor het verbrandingsproces en bij het verbranden produceert het lichaam kooldioxide (CO2). De ademhalingsorganen en de circulatie zorgen zowel voor de toevoer van zuurstof als voor de afvoer van kooldioxide.
  • Welke functies vervult het respiratoire systeem?
    * Verzadigen van bloed met zuurstof (satureren met O2)
    * Verwijderen van kooldioxide uit bloed (afblazen CO2)
    * Maken van geluiden bij spreken of zingen
  • De volledige verbranding van voedingsstoffen levert veel energie. Waar is deze energie voor nodig?
    Deze is nodig om de lichaamstemperatuur te handhaven + (spier-) arbeid te verrichten.
  • Hoe werkt  het proces van de toevoer van zuurstof en de afvoer van kooldioxide?
    Via de ademhaling bereikt zuurstof via de luchtwegen de longblaasjes (alveoli). Vanuit daar diffundeert* het naar bloed in de haarvaten rondom de longblaasjes. Dan wordt zuurstof gebonden aan hemoglobine** en getransporteerd naar de weefsels. Daar vindt verbranding plaats waarbij kooldioxide vrijkomt. Deze CO2 wordt weer afgegeven aan het bloed en gaat zo naar de longen. De kooldioxide diffundeert daar naar de alveoli en wordt via de luchtwegen uitgeademd.

    *deeltjes mengen zich + verplaatsen zich van een gebied met een hoge concentratie naar een gebied met een lagere concentratie
    **een eiwit dat in het bloed voorkomt. Een rode bloedcel is voor 1/3 gevuld met hemoglobine. Het geeft het bloed zijn rode kleur. Hemoglobine is verantwoordelijk voor het transport van zuurstof en kooldioxide door het bloed.
  • Q: Osmose is een voorbeeld van
    A) Actief transport
    B) Passief transport
    Passief transport
  • Q: Serum is bloedplasma (bloed zonder de bloedcellen + bloedplaatjes) zonder:
    A) Albumine
    B) Fibrinogeen
    Fibrinogeen (= stollingseiwit)
  • Q: Bloedplaatjes (trombocyten) hebben een functie bij de:
    A) Stolling
    B) Transport
    Stolling
  • Q: Leukemie is:
    A) Kanker van de witte bloedcellen
    B) Verminderde functie van de witte bloedcellen
    Kanker van de witte bloedcellen (leukocyten)
  • Q: Een belangrijke oorzaak van bloedarmoede (anemie) is een gebrek aan:
    A) Vitamine K
    B) IJzergebrek
    IJzergebrek

    N.B. Met bloedarmoede heb je te weinig rode bloedcellen of werken de rode bloedcellen niet goed. In de rode bloedcellen zit Hemoglobine (Hb) dat verantwoordelijk is voor het transport van de zuurstof vanuit de longen naar de rest van het lichaam. Doordat je minder zuurstof vervoert, onstaan er allerlei klachten. De belangrijkste bouwstof voor Hemoglobine is ijzer.
  • Q: In de kleine bloedsomloop:
    A) wordt het bloed voorzien van zuurstof
    B) wordt het lichaam voorzien van zuurstof
    A: het bloed wordt voorzien van zuurstof.

    N.B. Via de grote bloedsomloop wordt het lichaam voorzien van zuurstof
  • Q: Het bloed verlaat het hart via:
    A) Boezems
    B) Kamers
    B) Kamers
  • Q: Wat is de natuurlijke pacemaker van het hart?
    A) Boezemknoop (sinusknoop)
    B) Boezem-kamerknoop (AV-knoop)
    A) Boezemknoop (sinusknoop)
  • Q: Een distributieve shock komt door:
    A) heel veel bloedverlies
    B) vaatverwijding in het hele lichaam
    B) vaatverwijding in het hele lichaam
  • Q: Hoge bloeddruk kan oorzaak en gevolg zijn van atherosclerose.
    A) Waar
    B) Niet waar
    A) Waar
  • Q: Wat is de meest voorkomende oorzaak van longontstekingen (pneumonie)?
    Infectie (meestal bacterie. Soms virus of gist)

    N.B. Micro-organismen leven op de lichaamsoppervlakken en de mond/keel. Ze proberen steeds verder in de luchtwegen door te dringen, maar worden tegengehouden door de lokale afweermechanismen en de immuniteit. Wanneer dit aangetast wordt door bijvoorbeeld verminderde weerstand, minder goed hoesten of wanneer de trilhaartjes verlamd zijn, dan kunnen de micro-organismen bij de longen komen en kan er longontsteking ontstaan.
  • Q: Noem een risicofactor voor het krijgen van een longontsteking
    * Roken en kou: verlammen tijdelijk de trilhaartjes. Micro-organismen worden dan minder snel uit de luchtwegen verwijderd.
    * Wanneer je niet goed kunt hoesten (door pijn of doordat de prikkel om te hoesten verzwakt is)
    * Verminderde weerstand -> witte bloedlichaampjes (leukocyten) werken minder goed, waardoor de micro-organismen wel bij de longen kunnen komen.
    * Taai slijm -> moeilijk op te hoesten
    * Astma/COPD -> de luchtwegen zijn vernauwd, waardoor de afvoer van slijm en micro-organismen bemoeilijkt wordt
    * Verminderde doorbloeding van de longen door bijvoorbeeld een longembolie (een stuk stolsel dat (een tak van) de longslagader afsluit) -> deel van de longen is dan minder doorbloed en geeft minder weerstand te tegen infecties
  • Q: Wat zijn de verschijnselen bij een longontsteking?
    * Koorts
    * Hoesten
    * Gevoel van ademtekort (dyspnoe)
    * Pijn bij het ademen
    * Etterig slijm
    * Hoesten
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Medische basiskennis Class notes

  • 1395788400 Medische basiskennis blok 3

  • Wat zijn de functies van het skelet.
    Vorm, stabiliteit, stevigheid en steun.
    Het skelet vormt een stabiel en stevig raamwerk waaraan alle andere delen van het lichaam zijn opgehangen.
    Het vormt een stevig omhulsel dat vitale en kwetsbare organen beschermt (hersenen, ruggenmerg, hart en longen)
    Beweging
    Gevarieerde bewegingen zijn mogelijk door de grote onderlinge beweeglijkheid van de botten.
    Weefselvorming
    In bepaalde delen van de botten worden bloedcellen aangemaakt.
    Opslag
    Van mineralen zoals calcium


  • Hoe vindt botvorming plaats.
    Door voortdurende ombouw: de afbraak gebeurt door osteoclasten, de opbouw door osteoblasten, waardoor botten in de loop der jaren volledig opnieuw opgebouwd worden.
  • Beschrijf de onderdelen van een gewricht.
    De bolle kop van het ene bot past in een holle kom van het andere bot, beide bedekt door hyalien kraakbeen met een synovia (gewrichtssmeer). De botten worden bij elkaar gehouden door het capsula articulare (gewrichtskapsel), waarin ligamenten (gewrichtsbanden) lopen, bestaande uit bundels collagene weefsels, die voor meer stevigheid zorgen en voorkomen dat een gewricht in de verkeerde richting beweegt.
  • Beschrijf de opbouw van de wervelkolom
    antwoord:
    De wervelkolom bestaat uit 33 vertebrae (wervels), 7 cervicale (hals)wervels (C1 t/m C7), 12 thoracale (borst)wervels (Th1 t/m/ Th12), 5 lumbale (lenden)wervels (L1 t/m/ L5), 5 sacrale (heiligbeen)wervels (S1 t/m S5) die vergroeid zijn tot sacrum (heiligbeen), staartbeen (os coccygis).
    Tussen de wervels zit de discus intervertebralis (tussenwervelschijf) die uit kraakbeen bestaat met een gelachtige kern, de nucleus pulposus. Deze tussenwervelschijf zorgt voor drukvastheid en vervormbaarheid van de wervelkolom.
  • Beschrijf de functies van het spierstelsel.
    antwoord:

    Beweging; spieren laten delen van het lichaam bewegen;

    Lichaamshouding: bewerkstelligen en handhaven die;

    Stevigheid: aan lichaamswanden, bijvoorbeeld rond de buikholte;

    Warmteproductie: actief spierweefsel genereert veel warmte.
  • Wat betekent motorische eenheid en beschrijf deze.
    antwoord:
    Een motorische voorhoorncel in het ruggenmerg heeft een aantal motorische zenuwvezels (neurieten), die elk met meerdere vertakkingen naar een eigen spiervezel gaan en deze kunnen activeren. Voorhoorncel, neurieten en bijhorende spiervezels vormen samen een motorische eenheid
  • Wat zijn synergisten en antagonisten?
    antwoord:

    Synergisten zijn spieren die bij contractie hetzelfde effect op een gewricht hebben, bijvoorbeeld de verschillende buigspieren van de knie.

    Antagonisten zijn spieren die bij contractie een tegengesteld effect op het gewricht hebben, bijvoorbeeld de strek- en buigspieren van de knie.

    Er is vrijwel altijd sprake van spierantagonisme, waarbij zowel de synergisten als de antagonisten contraheren, om zo verfijnde bewegingen mogelijk te maken.
  • Wat zijn flexoren en extensoren.
    Antwoord:
    Flexoren zijn spieren die voor buiging van een gewricht zorgen, extensoren zorgen voor strekking.
  • Wat zijn adductoren en abductoren.
    Antwoord:
    Adductoren zijn spieren die een beweging van een ledemaat veroorzaken naar de romp toe, (waardoor je bijv. een krant onder je arm tegen je lichaam kunt houden); abductoren zorgen voor beweging van de romp zijwaarts naar buiten. 
  • Hoe wordt de buikwand gevormd en wat is de functie.
    Antwoord:

    Door 4 buikwandspieren in elkaar gedeeltelijk overlappen. De m. rectus abdominis (rechte buikspier) buigt de wervelkolom naar voren.

    De verschillende buikspieren werken synergistisch bij het aanzetten van de buikpers, dragen bij tot stevigheid van de buikwand en beschermen de buikorganen.
    (4 buikspieren: rechte buikspier (rectus abdominus), 2 schuine buikspieren (binnenste obliquus internus abdominus en buitenste obliquus externes abdominus) dwarse buikspier (transversus abdominus)
  • Welke belangrijke spieren bewegen het bovenbeen t.o.v. de romp.
    antwoord:

    M. gluteus maximus (grote bilspier) strekt het heupgewricht en zorgt voor achterwaarts zwaaien van het bovenbeen.

    M. ileopsoas is de antagonist van de m. gluteus maximus, buigt dus het heupgewricht en laat het bovenbeen voorwaarts zwaaien.
  • Wat is een slijmbeurs en wat is de functie ervan.
    Antwoord:
    Een klein zakje gevuld met slijm, dat als stootkussen/glijbaan onder een pees of tussen bot en gewrichtsband dienst doet.
  • Vanaf welke leeftijd veranderen de weefsel van het bewegingsapparaat door veroudering en wat zijn die veranderingen per weefsel.
    antwoord:
    Vanaf ongeveer 30 jaar

    Botten worden brozer

    kraakbeen in gewricht dunner en minder veerkrachtig

    bindweefsel in pezen en gewrichtskapsel stijver door verlies elastische vezels

    spieratrofie door afname spiervezels; verlies aan snelle spiervezels.
  • Wat zijn de symptomen van een gewrichtsontsteking.
    Antwoord:
    Warmte, roodheid, pijn, zwelling en functiebeperking van het aangedane lichaamsdeel.
  • Wat betekent en hoe ontstaat spierhypertrofie en spieratrofie.
    Antwoord:
    Spierhypertrofie is een toename van de grootte van de spier door een volumevergroting van de afzonderlijke spiercellen (dus zonder toename van het aantal spiercellen!) als gevolg van krachttraining, waardoor de spier gaat groeien. Spieratrofie is het dunner en minder krachtig worden van spieren door langdurige bedrust, inactiviteit (bijv, door gipsverband) of een neurologische aandoening bijv. polyneuropathie.
  • Wat is osteoporose en wat veroorzaakt de verergering bij vrouwen in de menopauze.
    Antwoord:
    Osteoporose is een meestal leeftijdsgebonden afname van de botdichtheid, door een toegenomen afbraak door osteoclasten en een verminderde opbouw door osteoblasten, wat leidt tot afname van botsterkte en een verhoogd risico op botbreuken.  Bij vrouwen in de menopauze wordt dit proces versterkt door een tekort aan oestrogeen.
  • Welk type vrouw heeft het meeste last van osteoporose.
    Antwoord:
    Blank, mager en lichtgebouwd.
  • Noem 5 risicofactoren voor osteoporose.
    Antwoord:
    Familiair voorkomen, blanke ras, gebruik corticosteroïden, vroege menopauze, roken en alcohol.
  • Noem de 3 meest voorkomende botfracturen bij osteoporose.
    Wervel, heup en pols (colles)
  • Welk praktisch advies kun je geven aan een vrouw met osteoporose na de menopauze.
    Antwoord:
    Inname van voldoende calcium, vit. D, voldoende lichaamsbeweging met lopen of springen. Evt. een DEXA laten maken om als uitgangspunt en later als evaluatie te dienen.
  • Noem de 3 belangrijkste preventie maatregelen bij osteoporose.
    Antwoord:
    Voldoende calciuminname, voldoende bewegen, voldoende Vit. D.
  • Waardoor leidt intensive sportbeoefening door vrouwen voor de menopauze juist tot verlaging van de botmassa.
    Antwoord:
    Door intensief sporten wordt de productie van oestrogeen door de ovaria onderdrukt.
  • Welk risico lopen mensen met ernstige bekken of heupfracturen en welke symptomen duiden hierop.
    Antwoord:
    Er is een risico op longembolie. Hoesten, pijn op de borst en plotse kortademigheid duiden hierop.
    (trombus door immobilisatie en vertraging van de bloedstroom door verwonding)
  • Welke 3 genezingsfases met hun belangrijkste kenmerken kun noemen na een botfractuur.
    Antwoord:

    Ontstekingsfase: duurt weken, met zwelling, verhoogde celactiviteit, pijn, verhoogde bloedtoevoer;

    Herstelfase: duurt weken tot maanden, met callusvorming die geleidelijk verkalkt na 3 – 6 weken; (callus=zacht botweefsel)

    remodelleringsfase duurt vele maanden, callus wordt vervangen door sterker bot en het teveel aan botweefsel wordt geresorbeerd.
  • Wat wordt verstaan onder een pathologische fractuur. Geef voorbeelden.
    Antwoord:
    Fractuur door ziekte, bijv. door een onderliggende kanker, osteoporose.
  • Wat is een voordeel van een MRI-scan t.o.v. een röntgenfoto.
    Antwoord:
    Bij MRI-scan worden ook de weke delen goed zichtbaar, bij een Röntgenfoto voornamelijk de botten.
  • Wat is een compressiefractuur, waardoor en waar treedt dit het meest op?
    Een inzakkingfractuur door de druk van de zwaartekracht, meestal dor osteoporose in de lumbale wervels.
  • Wat is een collumfractuur en waarom is deze zo problematisch.
    Heupfractuur waarbij de kop wordt gescheiden van de rest van het dijbeen; de bloedtoevoer naar de kop wordt hierdoor onderbroken waardoor de kop afsterft en inzakt. Het heupgewricht kan dan niet meer functioneren.
  • Wat onderscheidt maligne van benige tumoren.
    Maligne betekent kwaadaardig en kenmerkt zich door invasieve groei in allerlei weefsels en door metastasering; benige betekent goedaardig: een tumor blijft binnen de grenzen het weefsel of een orgaan en verspreid zich niet.
  • Welke 3 symptomen kenmerken artrose
    Pijn, stijfheid en functieverlies.
  • Waarom zijn rontgenfoto's niet zo zinvol bij de diagnose stelling van artrose.
    Omdat rontgenfoto's geen kraakbeeveranderingen laten zien en omdat de ernst van de veranderingen niet correleert met de symptomen.
  • Wat is reumatoide artritis
    Reumatoide artritis (reuma) is een ontsteking in het synovium (slijmvlies) van gewrichten, waarbij vaak ook de peesscheden en slijmbeurzen zijn betrokken.
  • Welke gewrichten worden het meest door reumatoide artritis aangetast.
    De kleine gewrichten van handen en voeten.
  • Welke organen kunnen ook ontstoken raken bij reumatoide artritis.
    Longvliezen, pericard, slijmvliezen van de ogen.
  • Wat is de vermoedelijke oorzaak van reumatoide artritis.
    Auto-immuunreactie.

  • Noem de werking en tenminste 3 belangrijke bijwerkingen van corticosteroiden.
    Corticosteroiden onderdrukken ontstekingsreacties zoals zwelling en pijn; ook het immuunsysteem wordt onderdrukt.; soms is dit de bedoeling (na transplantatie b.v.) maar vaker is het een bijwerking; andere bijwerkingen zijn hypertentie, diabetes mellitus, maagzweer, staar en atrofische huid.
  • Wat gebeurt er in het lichaam bij een auto-immuunziekte.
    Door het lichaam worden antilichamen of afweercellen geproduceerd die het lichaamseigen weefsel aanvallen. Hierdoor ontstaat schade aan organen en bindweefsel.
  • Wat is L.E.? Noem belangrijke kenmerken.
    Lupus Erythematodes is een chronische auto-immuun bindweefsel ziekte die zich o.a. uit in huidaandoeningen. Typerend zijn de rode vlindervormige uitslag op wangen en neusrug, overgevoeligheid voor zonlicht, soms met pleuritis, pericarditis, gewrichtsontsteking, mondzweren, functiestoornis nieren, en bloedafwijkingen zoals een laag aantal leukocyten, erytrocyten of trombocyten.
  • Wat is het fenomeen van Raynaud en bij welke aandoeningen en medicatie kan dit optreden.
    Vingers wroden plots bleek en koud, gevoelloos en tintelend; komt voor als reactie op kou of emotie; bij LE, sclerodermei en reumatiode artritis, en als reactie op btablokkers en anti migraine middelen.
  • Wat is een contractuur en waardoor kan deze ontstaan.
    Dwangstand van een gewricht, b.v. na CVA, door sclerodermie, na langdurige immobilisatie van een ledemaat.
  • Waardoor ontstaat jicht en wat zijn de symptomen van een jichtaanval.
    Jicht ontstaat door te hoge urinezuurconcentraties in het bloed waardoor uraatkristallen neerslaan in de perifere gewrichten. De acute aanvallen gaan gepaard met hevige pijn en roodheid van het aangetaste gewricht )meestal in de grote teen) met koorts en algehele malaise.
  • Wat zijn de latere gevolgen van jicht.
    Destructie van gewrichten, tophi (knobbeltjes met uraatkristalen) in gewrichten, nieren en huid; nierstenen
  • Welke voedingsmiddelen kunnen jicht verergeren.
    Dierlijke eiwitten (vlees, vis en schaaldieren), paddenstoelen, asperges en alcohol.
  • Wat is het carpale tunnelsyndroom, wat zijn de symptomen en oorzaken.
    Het carpale tunnelsyndroom (CTS) is een aandoening in de pols waarbij de middelste zenuw (nervus medianus) bekneld is. Symptomen zijn gevoeloosheid, tintelingen en pijn in de eerste drie vingers, soms pijn in arm en schouder. Dit ontstaat door overbelasting en overstrekking van de pols.
  • Iemand verstuikt zijn enkel, je ziet geen zwelling of hematoom, hij kan er wel op staan en er voorzichtig mee lopen. Wat is de vermoedelijke schade.
    Geen of hoogstens een geringe verrekking van de banden.
  • Wat is de vermoedelijke schade bij zwelling, hematoom en er niet mee kunnen lopen.
    Een verrekking en verscheuring van de gewrichtsband met verscheuring van een bloedvat of zelfs een fractuur van een bot.
  • Noem oorzaken van spierkramp bij ouderen en maatregelen om deze te voorkomen.
    Onvoldoende doorbloeding naar de beenspieren en een te laag kaliumgehalte door uitdroging of diuretica. Adviezen: geen lichaamsbeweging direct na het eten, spieren oprekken voor het slapen gaan, voldoende drinken van kaliumhoudende dranken (vruchtensappen), geen cafeïne en niet roken. 
  • Wat zijn de symptomen van fibromyalgie en waardoor wordt het verergerd
    Pijn en stijfheid, erger door stress, vermoeidheid, slecht slapen. Erger door lichamelijke inspanning, chronische blootstelling aan vocht en kou.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat is actief transport?
Cel moet moeite doen (energie vrijmaken voor transport). Dit kost energie. Voorbeelden: blaasjestransport en enzympomp.
Wat zijn de 3 functies van bloed?
* Transportfunctie (zuurstof, glucose, mineralen en aminozuren)
* Constant inwendig milieu (afvalproducten zoals CO2 en ammoniak/ureum afvoeren -> weefselvloeistof verversen en het milieu voor de cellen aangenaam houden)
 * Beschermende functie (bescherming tegen ziekteverwekkers en andere lichaamsvreemde stoffen -> via bv. witte bloedcellen)
Wat is diepe veneuze trombose?
Stolling in de aders
Wat zijn de verschijnselen bij een verhoogde bloedsneiging?
* spontane bloedingen op meerdere plaatsen: speldeknopbloedingen, overvloedige menstruatie (meorrhagie), maagbloedingen en lang doorbloeden kunnen wijzen op stollingsproblemen.

Een stoornis in de primaire hemostase (problemen met het samenklonteren van de bloedplaatsjes: speldeknopbloedingen, slijmvliesbloedingen en overmatig bloedverlies meteen bij een verwonding.

Een tekort aan stollingsfactoren (coagulatiestoornis): gewrichtsbloedingen, spierbloedingen en bloedingen uren na een trauma of operatie.
Wat zijn oorzaken van een verhoogde bloedsneiging?
* Bl bloedvatafwijkingen
* Trombopenie (tekort aan bloedplaatjes)
* Aanmaakstoornissen bloedplaatjes
* Verlies/verbruik van bloedplaatjes
* Onvoldoende functie van de bloedplaatjes
* Tekorten van stollingsfactoren
Wat is een verhoogde bloedsneiging?
Als een patient een verhoogde kans op bloedingen heeft.

Wanneer er bloedingen op meerdere plaatsen tegelijk optreden, dan moeten stollingsstoornissen overwogen worden.

Ook bloedingen op plaatsen zonder trauma kunnen wijzen op een verhoogde bloedsneiging.

Problemen met het samenklonteren van de bloedplaatjes (trombocytenaggregatie) zijn vaak te herkennen aan speldeknopbloedingen.
Welke 3 soorten lymfocyten zijn er?
* B-lymfocyten
* T-lymfocyten
* Natural Killercellen (NK-cellen)

B en T-lymfocyten zijn een belangrijk onderdeel van ons immuunsysteem en de NK-cellen zijn actief in de lymfe en het bloed en zorgen voor een snelle reactie op bijvoorbeeld kankercellen of cellen die met een virus geïnfecteerd zijn.
Wat is osmose?
Een verplaatsing van water of vocht in de richting van de meest opgeloste deeltjes door de wand van een cel of een bloedvat. In principe wordt er net zolang water aangezogen tot de concentratie (deeltjes t.o.v water) gelijk is. Er is dan sprake van een osmotisch evenwicht.
Waaruit bestaat bloed?
Bloed bestaat uit:
- 55-60% bloedplasma
- 40-45 % uit bloedcellen
Wat is de behandeling bij trombose en embolie?
* De bloedstroom moet op gang gehouden worden door bewegen en het voorkomen van bloeddrukdaling
* Beschading van de vaatwand moet zo mogelijk worden voorkomen bij bij operaties en infusen.
* Rokende pilgebruiksters moet van meer dan 40 jaar wordt aangeraden de anticonceptiepil en/of het roken te staken
* Antistollingsmedicatie
* Bij een trombosebeen vermindert hoogleggen de zwelling.
* Een been met arteriële afsluiting juist afleggen om wat extra bloed te krijgen
* fybrinolytica om een bestaand stolsel af te breken. Ze veroorzaken echter vaak bloedingen en worden daarom (vooral) op de IC een CCU toegediend.