Summary Mens- en Dierkunde 2

-
886 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Mens- en Dierkunde 2". The author(s) of the book is/are HAP 20306. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Mens- en Dierkunde 2

  • 1 14: energie en thermo

  • Energie productie
    - platen produceren energie door fotosynthese
    - dieren halen energie uit voedsel
    - platen zetten energie om in macronutriënten en gebruiken organische stoffen als bouwstenen
    - dieren hebben voeding nodig om te overleven
  • Twee processen energiemetabolisme
    - katabolisme -> afbraak van energie
    -anabolisme -> gerelateerd aan opbouw en energie opslag
  • Macronutriënten
    - koolhydraten, vet en eiwit
    - worden afgebroken in katabole pathways (hier worden bouwstenen gebruikt om energie te genereren)
    - warmte die vrijkomt wordt gebruikt om lichaamstemperatuur op peil te houden
  • ATP
    - universele energiedrager
    - legt vrijgekomen energie vast
    - generatie kan zowel aeroob of anaeroob
    - nodig voor arbeid en opslag
  • Glucose
    - belangrijk koolhydraat
    - katabolisme -> oxidatie van glucose -> C6H12O6 + 6O2 → 6CO2 + 6H2O + energy
    - dit proces is nooit 100% efficiënt want er gaat altijd warmte verloren
    - hersenen werken op glucose, dus meest belangrijke energie moleculen.
  • Glycolyse
    - glucose wordt omgezet in 2-pyruvaat
    - hierbij komt 2NADH en 2ATP vrij
    - 2 pyruvaat wordt omgezet in 2 -acetyl-coA
    - hier komt 2NADH en 2CO2 vrij
    - citroenzuurcyclus -> 6NADH, 2FADH2, 4CO2, en 2ATP komt vrij

    - Alle NADH en FADH2 wordt omgezet via oxidatieve fosforylatie in ATP -> hier is zuurstof nodig.

    - in totaal komt er 32 ATP vrij 
    - oxidatieve fosforylering zorgt voor de meeste ATP-productie en vindt plaats in de mitochondria
  • Mitochrondodria
    - In de matrix is H+ concentratie laag
    - in de 'intermembrane space' is deze concentratie hoog
    - dus -> energie nodig om h+ tegen de concentratiegradiënt in te bewegen
    - Door terugstroom van protonen komt energie vrij -> ATP
  • ATP opbrengst
    - maximale opbrengst is 32 ATP
    - per NADH molecuul wordt 2.5 ATP gevormd
    - per FADH2 molecuul wordt 1.5 ATP gevormd
    - hoeveelheid vrijgekomen energie = 686b kcal
     -> energieopslag in 1 ATP is 7KCAL 
     -> effieciëntie van ATP-vorming is dus 34%
    - energie die niet is opgeslagen wordt in ATP komt vrij als warmte
  • Lage beschikbaarheid van zuurstof
    - het lichaam kan glucose verbranden onder anaerobe omstandigheden
    - glucose kan alleen worden omgezet in pyruvaat
    - pyruvaat wordt omgezet in lactaat
    - hier komt 2ATP vrij
    - dus veel minder efficiënt 
    - pyruvaat en NADP hopen op en worden daarom omgezet in lactaat -> hierdoor komt NAD+ weer vrij 
    - als NAD+ niet wordt vrijgemaakt zal de glycolyse stoppen

    - verzuring van spieren wordt veroorzaakt door de ophoping van lactaat
    - cori-cylus -> lactaat kan later in de lever weer worden opgevet in pyruvaat
    - bij anaerobe verbranding wordt maar 2% van de beschikbare energie vastegeld in ATP
  • Glycogenolyse
    Omzetten van glycogeen in glucose
  • Glycogenese
    Omzetten van glucose in glycogeen
  • Proteolyse
    Afbraak van eiwitten tot aminozuren
  • Deaminatie
    Proces waarbij de aminogroep van de aminozuren wordt gehaald
    - hier worden ketonzuren gevormd -> deze kunnen op verschillende manieren worden gebruikt in de cyclus
       -> kunnen worden gebruikt als acetyl-coA, pyruvaat en in de citroenzuurcyclus
  • Lipogenesis
    Vorming van vetten uit glycerol en vetzuren
  • Lipolyse
    Afbraak van triglyceriden tot glycerol en vetzuren.
    ->glycerol kan weer gebuikt worden in de glycolyse
  • Beta-oxidatie
    - de omzetting van vetzuren tot acetyl-coA
    - de hoeveelheid hangt af van de lengte van de ketens
  • Ketzonvorming (ketogenesis)
    - vorming van ketonzuren uit acetyl-CoA
    - deze ketonzuren kunnen worden gebruikt als energiebron voor de hersenen
  • Gluconeogenese
    - het lichaam maakt glucose aan -> bij lage concentratie
    - vindt plaats in de lever
    - kost energie
    -
  • BMR (basale metabolisme)
    - basisprocessen die nodig zijn om in leven te blijven
    - 60-75% van de energie in het lichaam wordt hieraan besteed
    - energie-inname is discontinu
    - energie verbruik is wel continu
  • Absorptieve fase
    - vindt plaats na het eten
    - nutrienten uit het maagdarmkanaal worden geabsorbeerd
    - energie-aanvoer is hoger dan het energieverbruik
  • Post-absorptieve fase
    - de opgeslagen energie wordt in het lichaam gebruikt
    - glucose wordt opgenomen in het bloed
    - > organen zullen met glucose-transporten glucose opnemen in de cellen

    - wanneer er teveel glucose is -> dit zal worden omgezet in vet en glycogeen en opgeslagen worden voor later gebruik
  • Aminozuren
    - worden door speciale transporters opgenomen 
    - worden gebruikt om energie te vormen
    - als het nodig is kunnen ze ook als energiebron gebruikt worden
    - meestal is niet wenselijk door het gebruikt van eiwitten
  • Vetten
    - worden door lipoproteinen in het bloed afgebroken tot vrije vetzuren en monoglycerol
    - vetten worden opgenomen door middel van diffusie.
    - vetzuren kunnen worden omgezet in acetyl-coA
    - vetzuren en glycerol kunnen worden samen gevoegd tot trigylcerides
  • Hormonen
    - deze reguleren het energiemetabolisme 
    (samen met de balans tussen anabolisme en katabolisme) 
    - insuline + sex steroids -> zorgen voor opslaan van energie en zijn anabole hormonen
    - glucagon, epinephrine en glucocorticoïden stimuleren het vrijmaken van energie en zijn katabole hormonen
  • Insuline
    - wordt geproduceerd in de bètacellen van de eilandjes van langerhans in de pancreas
    - is het enige hormoon dat de bloedsuikerspiegel actief kan verlagen (hoort bij absorptieve fase)
  • Glucagon
    - tegenhanger van insuline
    - wordt geproduceert in de alpha-cellen van de eilandjes van langerhans
    - productie is kenmerkend voor de post-absorptieve fase
  • Bloedglucoseconcentratie
    - hoofdzakelijk gereguleerd door insuline en glucagon
    - hypoglycemie -> zeer lage bloedglucose
       -> dit is erg gevaarlijk omdat de hersenen glucose nodig hebben als branstof
  • Stressrespons
    - wordt geactiveerd door het sympatisch zenuwstelsel
    - komt adrenaline vrij
    - dit zorgt voor een katabool respons
    - hierdoor wordt energie vrijgemaakt

    - cortisol heeft ongeveer dezelfde effecten
  • Groeihormoon
    - katabole als anabole effecten
    - kinderen -> groei
    - volwassenen -> behoud van bot en vetvrije massa
                                 -> vetzuren worden afgebroken
  • Schilklierhormoon
    - T3 en  T4
    - stimuleren het BMR, glycogenolyse, gluconeogenese, lipolyse en eiwitafbraak
    - dus zowel anabole als katabole effecten
    - hypothyroidism -> als de schildklier te weinig werkt
    - hyperthyroidism -> schildklier werkt teveel
  • Thermoregulatie
    - regulatie van de lichaamstemperatuur
    - poikilotherm -> kunnen hun lichaamtemperatuur zelf niet regelen en moeten zich conformeren aan de omgeving
    - homeotherm -> reguleren hun lichaamstemperatuur op een ander niveau dan de omgevingstemperatuur

    - warmte -> wordt geproduceerd door metabolisme en spiercontractie
  • Radiatie
    - overdracht van warmte door straling
  • Verdamping
    - omzetting van vloeistoffen naar gas
    - dit zorgt voor verkoeling
  • Convectie
    - warmteoverdracht tussen lucht- en waterstromen
    -
  • Conductie
    - warmteoverdracht tussen lichaam en omgeving door contact
  • Thermogenese
    - non-shivering -> door mitochrondriële ontkoppeling  
    - isolatie, gedrag en zweten zorgen voor de regulatie van de lichaamstemperatuur
    - torpor -> energiebesparing door het verlagen van de lichaamstemperatuur

    - zweten -> eccriene klieren (aanwezig vanaf de geboorte) of apocriene klieren (aanwezig vanaf puberteit)
  • Eccriene klieren
    - aanwezig in voorhoofd, handpalmen en voetzolen
    - eindigen in de poriën in de huid
  • Apocriene klieren
    - aanwezig in de oksels en anale-genitale zone
    - monden uit in haarfollikels
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Welke van onderstaande beweringen niet juist is: 
- speelgedrag draagt bij aan inprenting
Welke van de volgende uitspraken is onjuist voor Echinodermata (stekelhuidigen): 
- ze hebben twee kiembladen
Welke van de volgende stammen hebben leden met een volledig verteringsstelse (i.e. met twee openingen): 
- nematoda
Welke van de volgende paren is zeker niet gebaseerd op homologie: 
Schub van beenvis en schub van reptiel
Welke van de volgende kenmerken gelden voor zowel anneliden als arthropoden:
Eenrichtings verteringstelsel
Welke van de volgende beweringen is/zijn juist: A. De spieren in de lichaamswand van gewervelde dieren worden van het coeloom gescheiden door het peritoneum. B. Het mesenterium verbindt het entoderm met het mesoderm. 
- alleen A is juist
Welke van de onderstaande beweringen is juist over diergedrag:
dieren veranderen hun gedragspatronen tijdens de groei
Welke uitspraak over de chorda van Amphioxus is onjuist: 
De chorda is een samendrukbare niet elastische staaf
Welke uitspraak is juist. Voor schouder- en bekkengordel van vogels geldt: 
dat de schoudergordelelementen, scapula, coracoid en clavicula, homoloog zijn met de bekken elementen pubis, ishium en sacrum
Welke structuur hoort niet in onderstaand rijtje thuis: 
Sleutelbeen