Summary Mens en recht

-
ISBN-10 9001815537 ISBN-13 9789001815530
706 Flashcards & Notes
132 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Mens en recht". The author(s) of the book is/are Noordhoff Uitgevers B V. The ISBN of the book is 9789001815530 or 9001815537. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Mens en recht

  • 2 Leesvragen week 2

  • Welke vier regelingen heeft het vorige Ministerie voor Jeugd en Gezin ingevoerd in de Jeugdzorg?

    * Kindgebonden budget: ouders krijgen per kind een tegemoetkoming in de kosten voor het levensonderhoud van hun kinderen afhankelijk van het gezinsinkomen en het vermogen van de ouders.
    * Bestrijding van kindermishandeling: het voorkoming van kindermishandeling, het vroeg signaleren, maar ook het ingrijpen staat centraal. Beroepskrachten zijn per 1 juli 2013 verplicht om de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling te gebruiken om op een verantwoorde manier af te wegen of een melding noodzakelijk is. Er bestaat een meldrecht voor hulp- en zorgverleners, geen meldplicht. 
    * Het Digitaal dossier jeugdgezondheiszorg (DD JGZ): kinderen van 0 - 19 jaar hebben verplicht een digitaaldosier, dat de papieren dossiers vervangt en vertrouwelijk is. Alleen artsen, verpleegkundigen en assistenten van de jeugdgezondheidsdienst mogen dit dossier gebruiken. 

    * verwijsindex risicojongeren (VIR): de verwijsindex is een digitaal systeem, waarin een hulpverlener aangeeft wanneer hij bekend is met een risicosignaal van een jongere in de leeftijd tot 23 jaar. Wanneer een andere hulpverlener hetzelfde doet, krijgen beide professionals een signaal. Zij hebben dan overleg over de beste aanpak en kunnen activiteiten op elkaar afstemmen. 

    1. Noem een voorbeeld van een gemeentelijke voorziening van Jeugdzorg en een provinciale voorziening van Jeugdzorg?

    Gemeentelijke voorziening: wordt door de bureaus jeugdzorg uitgevoerd; bestaat uit jeugdhulpverlening en jeugdbescherming. Het gemeentelijke jeugdbeleid biedt preventieve en lichtere vorm van opgroei- en opvoedingsondersteuning in de Centra voor Jeugd en Gezin van een gemeente. Ouders krijgen hier ondersteuning, begeleiding, informatie en advies. Het is van belang om de problematiek zo vroeg mogelijk te signaleren. Van jeugdhulpverlening is sprake als ouders en in veel mindere mate de jeugdige zelf, op vrijwillige basis contact zoeken met een BJz, omdat er een problematische opvoedingssituatie is ontstaan. In een opvoedingssituatie waarin de ontwikkeling van een kind ernstig wordt bedreigd en waarbij vrijwillige hulpverlening niet mogelijk lijkt, kan de overheid ingrijpen, tegen de wil en het gezag van de ouders in. De hulpverlening heeft een gedwongen karakter. Men spreekt hier ook wel van gedwongen hulpverlening in tegenstelling tot de vrijwillige hulpverlening. Er is dan sprake van jeugdbescherming. 


    Alle CJG moeten gemakkelijk toegankelijk zijn voor jeugdigen en ouders, en opvoed- en opgroeiondersteuning en begeleiding bieden. De gemeente heeft de vrijheid gehad in de keuze van de betrokken organisaties en het realiseren van samenwerkingsverbanden en voert nog steeds de regie en de coördinatie. De centra hebben dezelfde basistaken, maar zijn per gemeente anders ingericht en verschillend van samenstelling. Er is een aanvang gemakt met en integrale aanpak in het gezins- en jeugdbeleid van de gemeente, dat door de toekomstige ontwikkelingen wordt uitgebreid tot de gehele jeugdzorg. 

    1. Wat moet er in het indicatiebesluit worden vastgesteld ?

    Ad 2. aanspraak op jeugdzorg.
    De jeugdige en zijn ouders hebben recht op zorg, als het BJz hiervoor een indicatie heeft gesteld (art.3 Wjz). Deze geïndiceerde zorg dient aan de volgende voorwaarden te voldoen:
    * de hulpverlening moet zo dicht mogelijk bij huis plaatsvinden
    * de hulpverlening moet zo kort en zo licht mogelijk zijn als verantwoord.
    * de hulp moet binnen 9 weken worden geboden. Binnen 9 dagen moet de jeugdzorg een eerste reactie geven aan de jeugdige en/of ouders. De jeugdzorgaanbieders hebben verschillende zorgmodules ontwikkeld om de juiste zorg te kunnen bieden. Is er sprake van een ernstige dreiging, dat moet het BJz eerst de Raad voor de Kinderbescherming inschakelen om te onderzoeken oef er een justitiële kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is. Zonder inidicatiestelling is een crisisplaatsing in een jeugdzorginstelling van max. vier weken mogelijk. IN deze periode wordt bepaald welke hulpverlening noodzakelijk is. Hierna is wel een indicatie nodig. 

    1. Wat is de DELTA-methode?

     

    De vraag naar jeugdzorg is gegroeid en de zorgorganisaties hebben hun capaciteit uitgebreid. Extra financiële middelen maakten het mogelijk dat de ambulante hulpverleningsvormen in de jeugdzorg sterk zijn gegroeid. Voor de werkwijze van de gezinsvoogden binnen de jeugdbescherming is het Deltaplan gezinsvoogdij ontwikkeld, een methodiek (deltamethodiek) die gezinsvoogden ondersteunt en begeleidt bij het nemen van (vaak zeer moeilijke) beslissingen in de jeugdbescherming. Bovendien is het aantal cliënten van gezinsvoogden verminderd, zodat meer tijd kan worden besteed aan gezinnen. de gezinsvoogd voldoende tijd heeft als casemanager te fungeren en er beter zorg op maat kan worden geboden. 

    1. Voor welke vormen van jeugdzorg moet een indicatiebesluit worden gegeven?

    BJz is het centrale punt in de jeugdzorg voor alle ragen over opvoedings- en opgroeiproblemen met jeugdigen in de leeftijd tot 18 jaar. indien een jeugdige aangemeld is voordat hij 18 jaar is, kan zorg worden erleend tot hij 23 jaar is. Het bureau fungeert als centrale toegang tot de jeugdzorg. Het BJz beoordeelt of geïndiceerde jeugdzorg nodig is en bepaalt welke zorg dat moet zijn, maar verleent in principe geen hulp. Het BJz beslist of de Raad voor de kinderbescherming wordt ingeschakeld. 

    Via de centrale toegang van BJz wordt bekeken of de jeugdige en/of ouders geïndiceerde zorg nodig heeft of hebben. of dat een andere lichtere vorm van jeugdhulp mogelijk is. 

    1. Welke rechter mag de OTS uitspreken en wie moet hem uitvoeren?

     

    De kinderrechter, is een speciale rechter, die beslissingen neemt in jeugdzaken. De kidnerrechter hoort de ouders en de jeugdigen van 12 jaar en ouder, en beslist over het toepassen van een aantal justitiële kinderbeschermingsmaatregelen: (voorlopige) ondertoezichtsstelling (art. 1: 25 bw) en (verlenging tot) machtiging tot uithuisplaatsing. 

  • Wat moet er in het indicatiebesluit worden vastgesteld ?

    Het indicatiebesluit wordt afgegeven als het BJz verder zorg voor een jeugdige noodzakelijk acht (art. 6 Wjz). Het indiciatiebesluit beschrijft het probleem van de cliënt, de vragen die de cliënt heeft en de doelen die met de zorg bereikt moet en worden. Bij beoordeling van de verdere zorg staan de ernst van het probleem en de draagkracht van de omgeving van de hulpvrager centraal. Eerst zal worden bekeken of de omgeving voldoende ondersteuning kan bieden om de problemen op te lossen, of wordt de mogelijkheid onderzocht om het CJG in te schakelen. Als dat mogelijk is, bestaat er geen aanspraak op de zorg en de jeugdigen en de ouders. 

    In het indicatiebesluit vermeldt het BJz welke jeugdzorgaanbieder de juiste zorg moet gaan bieden en de maximale duur van de jeugdzorg. Afhankelijk van de problematiek staat in het indicatiebesluit beschreven in welke zorgsector de jeugdige hulp kan krijgen: de jeugdzorg, de LVG-jeugd, de jeugd geestelijke gezondheidszorg (jeugd-ggz) of zorgverlengin gdoor justitiële inrichtingen. In het indicatiebesluit moet ook worden aangegeven welke vorm van jeugdzorg de cliënt aanspraak kan maken. Voor de jeugdzorg is vastgesteld dat dit kan zijn: 
    * jeugdhulp: dit zijn vromen van ambulante hulp. De hulp vindt zoveel mogelijk plaats in het gezin van de jeugidge, maar kan ook op de locatie van de hulpaanbieder plaats vinden.
    * verblijf:dit zijn vormen van (semi)-residentiële hulp. de jeugdige verblijft een deel van de tijd, of permanent, op een locatie van de zorgaanbieder. Hieronder valt ook een plaatsing in een pleeggezin en een plaatsing in een instelling voor gesloten jeugdzorg via een speciale machtiging van de kinderrechter.
    * observatiediagnostiek: dit is een vorm van hulp die ruimte biedt voor nader onderzoek. De exacte problematiek is nog niet duidelijk. 

    1. Wie mogen een indicatiebesluit aanvragen?

    Een aanvraag van  een jeugdige en/of de ouders moet aan een indicatiebesluit ten grondslag liggen. Jeugdigen en ouders moeten instemmen met de probleemstelling en het zogaanbod in het indicatiebesluit. Meestal is dit het geval, omdat het zorgaanbod in samenspraak met de ouders en/of jeugdige tot stand is gekomen. Instemmen betekent en handtekening zetten onder het indicatie-besluit. Bij jeugdigen onder de 12 jaar stemmen de ouders/opvoeders in met het indicatiebesluit. Bij 12- tot 15-jarigen is de toestemming van ouders, maar ook van de minderjarige vereist. Aan de toestemming van de ouders kan worden voorbij gegaan indien de jeugdige de zorg weloverwogen blijft wensen. Aan de toestemming van deze jeugdige kan voorbij worden gegaan indien de zorg noodzakelijk is. 16- en 17 jarigen moeten zelf een toestemming geven. 8 op de 10 die in de jeugd-ggz worden behandelend hebben een indicatiebesluit van het BJz. De rest wordt aangemedl via de huiisarts, ggz-psycholoog en jeugd-ggz. 

    1. Wie mogen een Ondertoezichtstelling (OTS) aanvragen

    Een ondertoezichtstelling is een vorm van gedwongen hulp aan de jeugdige, maar ook aan de ouders, die tijdelijk noodzakelijk is om de ouders na verloop van tijd weer zelfstandig de opvoeding an hun kind op zich te laten nemen. De jeugdige wordt dan onder toezicht van BJz gesteld. 

    Bjz schakelt de Raad in als het vermoed dat er sprake is van een ernstige bedreiging van de geestelijk en/of lichamelijke ontwikkeling, en jeugdzorg in de vrijwillige sfeer heeft gefaald of niet meer haalbaar is. Di is de grondslag oor de ots. 
    In artikel 1:254 lid 4 BW staat aangegeven dat de kinderrechter een kind ots kan stellen op verzoek van een ouder, een pleeghouder, de Raad en het openbaar ministerie (OM). Een jeugdige kan zelf geen verzoek indienen, maar kan zich wel wenden tot de Raad. In de praktijk worden bijna alle verzoeken ingediend door de Raad. In alle gevallen verricht de Raad onderzoek en adviseert de kinderrechter. 

    1. Hoe luidt de wettelijke grondslag van de maatregel OTS?

     

    Bjz schakelt de Raad in als het vermoed dat er sprake is van een ernstige bedreiging van de geestelijk en/of lichamelijke ontwikkeling, en jeugdzorg in de vrijwillige sfeer heeft gefaald of niet meer haalbaar is. Di is de grondslag voor de ots. Artikel 1: 254 lid 1 BW

    1. Wat houdt de stelling in dat een OTS een beperking oplevert van het ouderlijke gezag?

     

    De ots, is zoals gezegd, een vorm van gedwongen hulp aan de jeugdige, maar ook aan de ouders, die tijdelijk noodzakelijk is om na verloop van tijd weer zelfstandig de opvoeding over hun kind op zich te kunnen nemen. De ots kan een of meerdere kinderen uit het gezin treffen. De ouders behouden door de ots hun gezagspositie t.a.v. hun kind, maar het gezag is wel beperkt. Bij een ots is de inzet van de veiligheid en bescherming van het kind. De gezinsvoogd is verantwoordelijk voor het bieden van hulp en steun om de gezinssituatie te behouden en de verzorgings- en opvoedingsmogelijkheden van de ouders te vergroten. De beperking van het gezag betekent dat de gezinsvoogd de opvoeding met de ouders bespreekt en aanwijzingen geeft over de vorm van hulpverlening binnen het gezin. 

    1. Welke rechter mag de OTS uitspreken en wie moet hem uitvoeren?

    De raad dienst een verzoekschrift in bij de kinderrechter als er gemotiveerd aangegeven kan worden dat er sprake is van een ernstige dreigende situatie voor de lichamelijk en geestelijk ontwikkeling van de jeugdige binnen de gezinssituatie. De kinderrechter hoort vervolgens de ouders, en ook de jeugdige als die ouders is dan 12 jaar.Op basis van deze gespreken en op basis van het advies in de Raadsrapportage neemt de kinderrechter twee beslissingen. 
    1. Hij bepaalt dat de hiervoor genoemde grondslag voo de ots aanwezig is en stelt de jeugdige onder toezicht.
    2. Hij wijst een Jz of een LWi (zoals leger des heils of de william schrikkergroep) aan die toezicht houdt op de jeugdige en ervoor zorgt dat de jeugdige en de ouders de steun en hulp krijgen die zij nodig hebben. Binnen het BJz of de LWi werken gezinsvoogden die deze taak op zich nemen en de gezinsband tussen ouders en jeugdigen trachten te bevorderen. Gezinsvoogden zijn ook verantwoordelijk voor de veiligheid van de jeugdige in het gezin. 

  • Wat bepaalt de wet over de duur van de OTS en wat kan de rechter hierin bepalen?

     

    De kinderrechter spreekt de ots voor de termijn van één jaar uit. De ots kan telkens met maximaal een jaar worden verlengd op verzoek van de gezinsvoogd en de Raad. Het verzoek tot verlenging moet worden gemotiveerd. 

    1. Op welke wijze en op welke plaatsen kan een gezinsvoogd, een uithuisplaatsing bewerkstelligen

    Een uithuisplaatsing kan op 2 manieren gebeuren:
    1. de gezinsvoogd plaatst het kind in overleg met de ouders uit huis.
    2. de gezisvoogd of de Raad verzoekt de kinderrecht een machtiging tot uithuisplaatsing te geven, als de ouders weigeren aan een uithuisplaatsing mee te werken. 

     

    In een verzoek tot een machtiging moet de gezinsvoogd of de Raad de vorm van jeugdzorg en de plaats vermelden. Aan een machtiging tot uithuisplaatsing ligt een indicatiebesluit van het BJz ten grondslag. Het verzoek tot een machtiging is gericht op effectuering van het indicatiebesluit. 

    De gezinsvoogd kan het in sommige problematische thuissituaties noodzakelijk vinden dat de jeugdige (tijdelijk) uit huis gaat, om weer rust in het gezin te creëren en de jeugdige voldoende te beschermen. De ouders moeten deze aanwijzing volgen. Gebeurt dit niet, dan kan de gezinsvoogd verdergaande stappen ondernemen, zoals bijv. de jeugdige tegen de zin van de ouders uit huisplaatsen. 

    1. Hoe lang mag volgens de wet een uithuisplaatsing duren?

    De kinderrechter kan de duur van de machtiging voor maximaal 1 jaar vaststellen (art 1: 262 lid 1 BW). De gezinsvoogd en de Raad kunnen gemotiveerd, de kinderrechter om een verlenging van maximaal 1 jaar verzoeken. Is een verlenging niet nodig, dan moet de gezinsvoogd dit gemotiveerd aangeven aan de Raad. De machtiging tot uithuisplaatsing kan op verzoek van de instelling of de ouders, pleegouders en de jegudige van 12 jaar en ouder worden gewijzigd of beëindigd. 

    1. Hoe lang duurt de voorlopige OTS en waarom is die in de wet opgenomen?

    Het BJz schakelt de Raad in als het vermoedt dat er sprake is van een ernstige bedreiging van de geestelijke en/of lichamelijk ontwikkeling, en jeugdzorg in de vrijwillige sfeer heeft gefaald of niet meer haalbaar is. In artikel 1:254 lid 4 BW staat aangegeven dat de kinderrechter een kind onder toezicht kan stellen op verzoek van een ouder, een pleegouder, de Raad en het OM. De kinderrechter spreekt de ots voor de termijn van 1 jaar uit. (art. 1:256 bw). De ots kan telkens met max 1 jaar worden verlengd op verzoek van de gezinsvoogd en de Raad. Het verzoek tot verlenging moet worden gemotiveerd. 

    1. Wat is de wettelijke grondslag van de ontheffing?

    Een ontheffing uit het ouderlijk gezag kan slechts plaatsvinden als er sprake is van een onvermogen of onmacht tot opvoeden door persoonlijke problematiek bij die ouder (art: 1: 266 BW). de ouder kan er feitelijk niets aan dat hij/zij de kinderen niet kan opvoeden/verzorgen. De ontheffing kan één of beide ouders betreffen. Is er sprake van 1 ouder die uit het gezag ontheven is, dan heeft de andere ouder het gezag over de kinderen. Indien beide ouders het gezag kwijtraken, wordt door de rechter een voogd benoemd, die het gezag over de kinderen krijgt. De rechtbank kan de ontheffing uitspreken op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (art 1: 267 W). e rechtbank neemt de beslissing, omdat het hier gaat om het ontnemen van het gezag van de ouders. De kinderrechter  beslist over de ots, omdat het gezag wordt beperkt. 

    1. Wie mag de ontheffing aanvragen en welke rechter mag de ontheffing uitspreken?

     

    De raad voor de Kinderbescherming mag de ontheffing aanvragen.

    De Rechtbank neemt de beslissing, omdat het hier gaat om het ontnemen van het gezag van de ouders. De kinderrechter beslist over de ots, omdat het gezag wordt beperkt. 

    1. Wat gebeurt er met het gezag als door de ontheffing het gezag van ouders over hun kind verdwijnt?

    Indien beide ouders het gezag kwijtraken, wordt door d rechter een voogd benoemd, die het gezag over de kinderen krijgt. 

    1. In welke gevallen kan de ontheffing gedwongen worden opgelegd?

    Gedwongen ontheffing:
    Kan de instemming van de ouder niet worden verkregen, dan kan een ontheffing gedwongen plaatsvinden. Een gedwongen ontheffing kan plaatsvinden (art. 1:268 lid 2 BW)>
    * als de geestvermogens van een ouder zodanig zijn gestoord dat deze ouder niet in staat is zijn wil te bepalen of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen;
    8 als een maatregelen van ots al een halfjaar loopt en onvoldoende bescherming beidt tegen de bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen van een jeugdige; 
    8 als na een uithuisplaatsing van 1.5 jaar in het kader van een ots een gegronde vrees blijft bestaan dat de ongeschiktheid en de onmacht van de ouder om zijn plicht als opvoeder en verzorger te vervullen blijven voortduren. 

    1. Wat is de wettelijke grondslag van de ontzetting?

    Is er sprake van ontzetting uit het gezag, dan wordt vastgesteld dat de ouder onwaardig is het gezag over een jeugdige uit te oefenen. De voorwaarden voor een ontzetting houden verwijt in jegens de ouders en ontzetting wordt vaak als straf gezien op het verwijtbare gedrag van de ouders (aft. 1 269 BW). 
    Het belang van het kind staat voorop en de ontzetting kan 1 of beide ouders betreffen. 
    De gronden van ontzetting zijn:
    * misbruik van ouderlijk gezag (doen) of grove verwaarlozing van de verzorging en opvoeding van een of meer kinderen nalaten. 
    * Slechts levensgedrag: afkeuringwaardig levensgedrag, dat een zeer slechte invloed heeft op het kind. 
    * een onherroepelijke veroordeling wegens zedenmisdrijven met minderjarigen, misbruik van gezag en misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid tegen het leven gericht, zoals mishandeling en ontvoering. Er moet een vrijheidsstraf van meer dan 2 jaar zijn opgelegd. 
    * veronachtzamen, frustreren of belemmeren van de hulp die BJz aanbiedt, waardoor bijv. een uithuisplaatsing niet te effectureren is. 
    8 bestaan van gegronde vrees voor verwaarlozing van de belangen van het kind, doordat de ouders ht kind terugeist of terugneemt van anderen die het verzorgen en opvoeden. 

    1. Kent de wet ook een voorlopige ontzetting?

    Indien er sprake is van een acute crisissituatie in een gezin, moet op zeer korte termijn dan wel direct worden ingegerepen. Dit kan natuurlijk ook voorkomen tijdens de voorbereiding van een kinderbeschermingsmaatregel. De wetgever kan ingrijpen als de behoefte aan bescherming van een jeugdige zo dringend is dat direct een voorziening moet worden getroffen. Deze voorziening wordt tijdelijk dor de rechter getroffen in afwachting van een definitieve beslissing. Boek 1 BW noemt twee manieren om te kunnen ingrijpen:
    1. De kinderrechter kan een jeugdige voorlopig onder toezicht stellen (art. 1:255 BW). dit kan alleen als de bedreiging zo ernstig is dat dringen en onverwijld optreden noodzakelijk is. In geval van nood kan gelijktijdig met een voorlopige ots om een ots worden verzocht. 
    2. Als er een onderzoek tot ontheffing of ontzetting loopt als een jeugdige direct aan de invloed van de ouders moet worden onttrokken kan de rechtbank de ouder(s) voor de duur van het onderzoek schorsen in de uitoefening van hun gezag oer de jeugdige. De ouders hebben dan geen gezag meer over de jongere. Dit in tegenstelling tot de vots waarbij het gezag van de ouders is beperkt. 

    1. Wie mogen de ontzetting aanvragen en welke rechter mag de ontzetting opleggen?

    De gezinsvoogd van BJz. De kinderrechter, die beslist over de vots, geeft tegelijkertijd ook een machtiging tot uithuisplaatsing.  

    1. Hoe lang mag de voorlopige voogdijtoewijzing duren?

     

    De tijdelijke maatregel vervalt als de Raad binnen 6 na de rechtelijke uitspraak over de schorsing in de uitoefening van het gezag nog geen verzoek tot ontheffing of ontzetting bij de rechtbank heeft ingediend. De voorlopige voogdij geldt tot de beslissing van de rechter tot de ontheffing of de ontzetting. 

    1. Wat is het essentiële verschil tussen OTS enerzijds en de Ontheffing en Ontzetting anderzijds?

    OTS is vaak van tijdelijke aard en de ontheffing en ontzetting is vaak als gevolg van geen verbetering van de situatie tijdens de ots en kan tot gevolg hebben dat de ouders definitief uit hun  voogdij en gezagsrol worden gezet. 

Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

bestuurlijke lus
Mogelijkheid voor het bestuursorgaan om tijdens de procedure een gebrek in het bestreden besluit te (laten) herstellen, mits andere belanghebbenden hierdoor niet onevenredig worden benadeeld.
Beschikking
Besluit van een bestuursorgaan waarin een een (rechts) persoon een recht wordt verleend of geweigerd of waarin een plicht wordt opgelegd.
Belanghebbende
Degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Arrondissement
Gebied dat bij een bepaalde rechtbank hoort.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Geschreven en ongeschreven regels die de overheid dwingen om zich bij het gebruik van haar bevoegdheden tegenover een burger behoorlijk te gedragen.
Absolute competentie
Bevoegdheid van de rechter om te oordelen over privaatrechtelijke, strafrechtelijke of bestuursrechtelijke geschillen.
Wetsartikel
Genummerde bepaling in de wet.
Wet
Regeling afkomstig van de regering en de Staten-Generaal.
Verordening, provinciaal of gemeentelijk
Regeling afkomstig van de Provinciale Staten of van de gemeenteraad.
Verdrag
Afspraak tussen twee of meer staten die op schrift is gesteld en die geldt in de staten die partij zijn bij het verdrag.