Summary microbiologie DTII

-
495 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "microbiologie DTII". The author(s) of the book is/are . This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - microbiologie DTII

  • 1 HC6 (H3)

  • waaruit bestaat metabolisme?
    • anabolisme: maken biomassa
    • katabolisme: breken biomassa af (doen bacterien, maar wij ook, om energie uit biomassa te halen
  • wat is de kracht van micro organismen?
    dat ze alle biochemische verbindingen kunnen gebruiken om energie uit te halen
  • als je het hebt over organismen die chemische Verbindungen gebruiken, kan je ze onderverdelen in:
    • chemoorganotroof: organische chemicalien
    • chemolithotroof: anorganische chemicalien 
    • fototrofen: licht
    • heterotrofen
    • autotrofen
  • wat is vrije energie?
    energie die vrijkomt die geschikt is om arbeid te verrichten (om ATP te maken)
  • wat doen katalysatoren?
    verlagen de Eact, maar hebben geen effect op het verloop van de reactie. ze zijn vaak groter dan het substraat dat ze omzetten
  • wat doet de actieve site van een enzym?
    die zorgt dat een reactie plaatsvindt
  • wat is een katalysator?
    een substantie die:
    • activatie energie van een reactie verlaagt
    • reactiesnelheid laat toenemen
    • de energetics of equilibrium van een reactie niet verandert
  • omschrijf het verloop van de reactie van enzym-substraat
    1. substraat wordt gebonden aan de actieve plek van een enzym
    2. enzym-substraat complex wordt gevormd
    3. strain is placed on bond
    4. producten worden vrijgelaten
    5. enzym is klaar om een nieuwe katalytische cyclus in te gaan
  • wat zijn co-enzymen?
    deze binden losjes aan de enzymen die de eigenlijke reacties doen, maar die fungeren als elektronen receptor. bij een redox reactie wordt een substraat geoxideerd (dus staat een elektron af) en een ander deel van de reactie neemt het vrijgekomen elektron op (want elektronen kunnen niet vrij voorkomen). 
  • veel enzymen bevatten kleine nonprotein moleculen die deelnemen in de katalyse, die geen substraten zijn:
    • prothetische groepen = binden strak aan enzymen en binden covalent en permanent (bijv. heemgroep in cytochromen)
    • co-enzymen = binden los aan enzymen en zijn vaak derivaten van vitaminen (bijv. NAD+ en NADH)
  • elektronen donoren en elektronen acceptoren:
    • energie van redox reacties wordt gebruikt in de synthese van energierijke componenten (oa. ATP)
    • redox reacties gebeuren in paren (half reacties)
    • elektronen donor: wordt geoxideerd
    • elektronen acceptor: wordt gereduceerd
  • redox tower:
    • gereduceerde substantie is de top, deze doneert elektronen
    • geoxideerde substantie is de bodem, accepteert elektronen
    • hoe meer elektronen 'droppen', hoe groter de hoeveelheid energie die wordt vrijgelaten
  • intermediates (carriers):
    redox reacties houden meestal reacties hiertussen in. 
  • beschrijf het proces van de elektronen carrier:
    1. enzym 1 reageert met e- donor en geoxideerde vorm van co-enzym, NAD+
    2. enzym-substraat complex
    3. NADH en reactieproduct gevormd
    4. enzym 2 reageert met e- acceptor en gereduceerde vorm van co-enzym, NADH
    5. NAD+ wordt vrijgelaten
    6. dan kan enzym I weer reageren met e- donor en geoxideerde vorm van co-enzym NAD+ 
  • waarin wordt chemische energie opgeslagen die wordt vrijgelaten in redox reacties?
    in bepaalde gefosforyleerde componenten (ATP, fosfoenolpyruvaat, glucose 6-fosfaat). ook in co-enzym A
  • beschrijf de citroenzuurcyclus
    glucose - omgezet in lichaam tot pyruvaat - citroenzuurcyclus - veel elektronen - mitochondrien in - ATP gemaakt
  • waarvoor fungeren NAD of NADH?
    als tussentijdse elektronen acceptor. zo worden elektronen getranssporteerd 
  • welke twee reactie series zijn gelinkt aan energie conservering in chemoorganotrofen?
    fermentatie en respiratie. ze verschillen in het mechanisme van ATP synthese
  • wat is fermentatie?
    als er geen elektronen accepteren zijn (lever veel minder energie op). geen ademhalingsketen of elektron transport. wordt gelijk vanuit het substraat ATP gemaakt. 

    het susbtraat dat gefermenteerd wordt, moet zowel elektronen donor als accepteer zijn. dat kan door middel van co-enzymen NADH en NAD+. een voorbeeld is glycolyse. uit 1 molecuul glucose 2 ATP moleculen. als bijproducten ontstaan lactaat en ethanol. 
  • wat is substraat-level fosforylering?
    ATP wordt direct gesynthetiseerd van een energierijke intermediate. zowel fermentatie als respiratie hebben als doel ATP maken. 
  • wat is fosforylering?
    allemaal reacties en in de laatste stap uit ADP - ATP gemaakt
  • wat is respiratie?
    oxidatieve fosforylering. celwand van de bacterie wordt gebruikt. ademhalingsketen zorgt dat H+ naar buiten wordt gepompt, waardoor een gradiënt ontstaat, en wanneer die H+ naar binnen willen, wordt die stroom gebruikt om ATP te maken. de proton motive force, door middel van ATP synthase. 
  • fermentaties worden ingedeeld in de producten die worden gevormd:
    • ethanol
    • melkzuur
    • propionic zuur
    • gemixte zuren
    • butyric zuur
    • butanol
  • wat betekent het als er geen elektronen acceptor aanwezig is?
    dat er geen zuurstof is. fermentatie is dus per definitie anaeroob
  • waar zit de ademhalingsketen?
    in het binnenmembraan van bacterien, vergelijkbaar met de ademhalingsketen in mitochondrien
  • waaruit bestaat ATP synthase?
    • 1 van de onderdelen bestaat eruit dat als er 3H+ naar binnen stroomt, de arm van die ATP synthase een slag maakt
    • dan maakt 'ie van ADP - ATP. de kracht van dit molecuul is niet alleen dat hij H+ aan de buitenkant kan gebruiken om ATP te maken, maar er zijn ook een aantal andere processen afhankelijk zijn hiervan
    • bijvoorbeeld een symporter: voor een bacterie is het ook belangrijk om die proton motive force in gang te houden, zodat er een substraat mee kan komen
    • wanneer er veel ATP aanwezig is aan de binnenkant, dan draait het eiwit de andere kant op
    • dan kan die ATP afbreken om H+ naar buiten te pompen. dat is ook een manier van bacterien om gunstig met energie om te gaan,namelijk ze gebruiken waar ze het voor nodig hebben
  • wat kan saccharomyces cerevisiae?
    zowel fermentatie als respiratie uitvoeren. hij voert het meest gunstige uit. dit is respiratie in de meeste gevallen. 
  • waarom heb je een elektronen acceptor nodig?
    omdat als je die niet hebt, de ademhalingsketen niet werkt en dan kunnen de NADH de elektronen hier niet aan overdragen. want die NADH moeten weer NAD+ worden. als de NADH verzadigd zijn, dan kunnen de elektronen niet meer kwijt en dat is de reden wanneer er geen elektronen acceptor is, er alleen maar glycose gebruikt kan worden. dan krijg je maar 2 ATP ipv 36 ATP. 
  • wat gebeurt er als zuurstof wordt gebruikt als elektronen acceptor?
    dan worden er 6H+naar buiten gepompt. bij een anaerobe keten worden er maar 4 H+ naar buiten gepompt. dus de ATP synthase bij zuurstof heeft meer H+ om ATP van te maken.
  • waar is het elektronen transport systeem gelokaliseerd?
    in het cytoplasmatisch membraan, zodat elektronen worden gescheiden van protonen. elektronen dragers worden gearrangeerd in het membraan in volgorde van hun reductie potentiaal. de final carrier in de keten doneert de elektronen en protonen aan de terminale elektronen acceptor. tijdens elektronen overdracht komen er een aantal protonen vrij aan de buitenkant van het membraan - protonen zijn afkomstig van NADH en de dissociatie van water
  • waar resulteert het elektronen transport systeem in ?
    de generatie van een pH gradiënt en een elektrochemisch potentiaal door het membraan (de proton motive force). 
    - de binnenkant wordt elektrisch negatief en basisch
    - de buitenkant wordt elektrisch positief en zuur
  • wat is ATP synthase?
    een complex dat de proton motive force converteert in ATP: twee componenten:
    F1 = multi-eiwit extramembraan complex: faces cytoplasma
    F0 = proton-conducting intramembraan kanaal
    reversible: dissipates proton motive force
  • wat is de citroenzuurcyclus (CAC)?
    pathway waardoor pyruvaat compleet geoxideerd wordt tot CO2. de eerste stappen van glucose tot pyruvaat zijn hetzelfde als glycose, per glucose molecuul komen er 6 CO2 moleculen vrij en worden NADH en FADH gegenereerd. speelt een belangrijke rol in katabolisme EN biosynthese 
  • beschrijf het proces van de citroenzuurcyclus:
    oxaleacetate kan worden gemaakt van C2 compounds door de toevoeging van CO2. de CAC begint wanneer twee-koolstof compound acetyl-CoA condenseert met vier-koolstof compound oxaloacetaat om zes-koolstof compound citaat te vormen. door een serie van oxidaties en transformaties wordt dit zes-koolstof compound uiteindelijk terug geconverteerd naar vier-koolstof compound acolloacetaat, die dan een andere cyclus begint met de toevoeging van het volgende molecuul acetyl-CoA. 
    twee redox reacties treden op, maar er komt geen CO2 vrij van succinaat tot oxaloacetaat.
  • wat is de som van glycolyse + citroenzuurcyclus?
    38 ATP per glucose molecuul
  • wat is anaerobe respiratie?
    het gebruik van elektronen acceptoren die anders zijn dan zuurstof. afhankelijk van elektronen transport, generatie van de proton motive force en de activiteit van ATPase.
  • wat zijn bacterien die mensen kunnen koloniseren over het algemeen?
    chemo-organotroof
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

pathologie schistosoma spp:
  • cercarient: dermatitis
  • eieren: portale hypertensie, lever fibrose en cirrose 
eigenschappen schistosoma spp:
komt binnen via de darmen en eruit via de mond
  • helminth: trematode
  • indirecte levenscyclus
  • eind en tussengastheren (eind: mens, tussen: zoetwaterslak)
prevalentie giardia lamblia:
  • kosmopolitisch
  • warmere landen / kinderen / gebrekkige hygiene / kinderdagverblijven / inrichtingen
  • NL: endemisch bij kinderen, reizigersziekte
pathologie giardia lamblia:
  • melabsorpite in de darmen
  • symptomen: diarree, kramen, flatulentie, misselijkheid, milde koorts, gewichtsverlies, verminderde eetlust
eigenschappen giardia lamblia:
gaat ook via de faec-orale route
  • protozoa: flagellaat
  • directe levenscyclus
  • tussengastheer: mens
  • transmissieroutes: feco-oraal, besmet water of voedsel, cyste overleeft zelfs in chloorwater
eigenschappen ascaris lumbricoides:
gaat ook via de faec-orale route, faeces komt in de grond en daar eet je weer producten van, dus zo kan je besmet worden. 
  • helminth: nematode
  • directe levenscyclus
  • eindgastheer: mens
  • 200.000 eieren per dag
pathologie entamoeba spp.:
  • E. dispar is asymptotisch
  • E. histolytica: spectrum
  • proteinases zorgen voor membraan laesies en cellulaire cytolyse
eigenschappen entamoeba spp.:
E. histolytic of E. Dispar. is een importziekte, via de faeces het lichaam in 
  • protozoa: rhizopode
  • directe levenscyclus
  • gastheer: mens
  • trofozoiet of trofozoiet met RBC's
aangeboren toxoplasmose:
1 op de 1000 zwangerschappen. afhankelijk van de periode waarin infectie plaatsvindt: abortus, orgaansystemen aangepast, symptomen pas later duidelijk - vaak chorioretinitis. 
hydrocephalus (enorm hoofd, klein lichaam, enorme buik). 
eigenschappen taxoplasma gonii (T. gondii)
gaat van dieren op de mens en kan via het bloed overgegeven worden aan de baby
  • protozoa: sporozoan
  • indirecte levenscyclus
  • gastheren (eind, tussen, toevallig)
  • eind: kat
  • tussen: muis, schapen, varkens
  • toevallig: mens
  • transmissieroutes: oocyten in kattenpoep of eten van met cysten besmet vlees (en ongepasteuriseerde melkproducten)
  • gezonde individuen asymptotisch 
  • bij verlaagde immuniteit primaire of reactivatie infectie: encefalitis, choriotinitis, myocarditis, hepatitis, shock, coma, dood