Summary MODA

-
375 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - MODA

  • 1 Introduction

  • Hoe kom je op een onderzoeksvraag?
    1. Start met een specifieke vraag over een fenomeen dat jou interesseert en onderzoek dan die vraag, tijdens het lezen van eerder onderzoek pas je het nog aan.
    2. Je kan een algemeen onderwerp kiezen dat jou nieuwsgierig maakt en met een interessante vraag komen naarmate je meer leest over het onderwerp en wat al gedaan is door eerder onderzoek.
  • Wat zijn eigenschappen van goede onderzoeksvragen?
    • Duidelijk en niet ambigue
    • Laten het doel van je project zien (op onderzoek uit gaan, beschrijven, verklaren)
    • Beantwoordbaar, dus specifiek genoeg
    • Met andere onderzoeksvragen in het model verbonden
    • Inhoudelijk relevant
    • Hoe simpeler, hoe beter
  • Wat is mis met deze onderzoeksvraag: Wat voor soort leiderschapsstijl is het beste in een crisis context?
    Nog steeds niet specifiek genoeg, want je hebt heel veel verschillende stijlen.
    VS.
    Is autocratische/directieve leiderschap beter dan participatieve leiderschap in een crisis context?
  • Wat kunnen verschillende doelen zijn van onderzoek, welke vragen stel je?
    1. Wat is er gebeurd? → Ervaren oudere werknemers meer angst voor de training?
    2. Waarom is dit gebeurd? Hoe kunnen we dit patroon van resultaten verklaren? → Waarom ervaren oudere werknemers meer angst voor de training? (Kan om het stereotype te bevestigen? = mediatie)
    3. Wat veroorzaakt dit? Heel makkelijk, je doet een experiment want je kan iets veranderen en je kan zien hoe datgene wat je verandert invloed heeft op iets anders → Zorgt de angst voor negatieve evaluaties er bij oudere voor dat zij meer angst voor de training ervaren?
  • Wat zijn eigenschappen van fixed design?
    • Je verandert niet je design terwijl je je data verzamelt. Je volgt de stappen, zet een hypothese op en een design.
    • Theorie gedreven → conceptueel framework
    • Vereisen een aanzienlijke hoeveelheid van pre-specificatie: welke variabelen, manipulaties, procedures
    • Controle over de theorie en de stappen
    • Gefocust op de uitkomsten
    • Gefocust op kwantitatieve data
    • Pilot studies, vaak wanneer je een nieuw scenario bedenkt: werken de ideeën, is jouw onderzoek uitvoerbaar?
  • Waar ben je op gefocust bij fixed design? En wat voor vragen stel je dus?
    Gefocust op de uitkomsten
    • Beschrijvende vragen (wat? hoeveel? in welke mate? wie?)
    • Verklarende vragen (hoe? waarom? oorzakelijk?)
  • Wat is een flexibel design?
    • Je blijft de theorie aanpassen, theorie wordt gedreven door de data
    • Vereisen veel minder pre-specificatie (minder vooraf bepaald)
    • Theorie ontwikkeling: ideeën, onderzoek, concepten ontwikkelen en ontvouwen zich terwijl het onderzoeksproject voortduurt
    • Vaak resulaten in kwalitatieve data (woorden, observaties, etc.)
    • Gefocust op het proces
  • Waarop ben je gefocust bij een flexibel design en wat voor vragen stel je dus?
    Gefocust op het proces.
    • Onderzoekende vragen (hoe? wat?) Wat daagt mensen eigenlijk uit?
    • Verkennend onderzoek: Eerste onderzoek naar een hypothetisch of theoretisch idee. Dit is waar een onderzoeker een idee heeft of iets heeft waargenomen en probeert er meer over te begrijpen. Legt de eerste basis voor toekomstig onderzoek.
  • Kijkend naar de onderzoeksdoelen, voor welke onderzoeksmethoden kan je gaan?
    Uitkomsten → fixed
    • Beschrijvende studies → Niet experimenteel het is een bepaalde situatie, dus je moet het veld in om het te onderzoeken, fixed
    • Verklarende studies → Experimenteel, fixed of niet experimenteel
    Processen
    • Verkennende studies → Flexibel, maar ook met een veldstudie niet experimenteel, en zelfs experimenteel
    • Verklarende studies → Experimenteel, fixed of niet experimenteel
  • Welke onderzoeken horen bij fixed en welke bij flexibel design?
    Fixed
    • Echte experimenten
    • Quasi-experimenten
    • Niet-experimenteel design
    Flexible
    • Case study
    • Etnografisch onderzoek
    • ‘Grounded theory’ onderzoek
  • Wat is de moderator?
    • Een kwalitatieve of kwantitatieve variabele die de richting (+/-) beïnvloedt of de kracht van de relatie tussen de onafhankelijke en afhankelijke variabele. Of de relatie verandert.
    • Dus de moderator is de derde variabele die de relatie tussen de twee andere variabelen beïnvloedt → interactie effect.
    • De moderator specificeert onder welke condities bepaalde effecten plaatsvinden.
  • Wat is de mediator?
    • Een mediator variabele representeert het mechanisme waardoor de onafhankelijke variabele invloed heeft op de afhankelijke variabele. Waarom vraag.
    • Partiële mediatie wanneer de relatie tussen de onafhankelijke en afhankelijke variabele nog wel significant is, wanneer die relatie niet meer significant is, is het een volledige mediatie.
    • De mediator specificeert hoe en waarom een effect bestaat.
    • De mediator variabele verklaart de relatie tussen de onafhankelijke en afhankelijke variabele. Het is een mogelijke variabele die de relatie kan verklaren.
  • Welke vragen stel je om te kiezen voor een design?
    1. Manipuleer je de onafhankelijke variabele? Wordt aan de ene groep iets gegeven, wat aan de andere groep niet gegeven wordt? Nee > niet experimenteel.
    2. Ja? Random toewijzing van de groepen? Nee > quasi experimenteel.
    3. Ja > Experimenteel
  • Wanneer is een onderzoek quasi experimenteel?
    Quasi-experimenteel: je gaat 2 klassen van basisschool met elkaar vergelijken, nadeel is dat de verschillen die er al tussen de klassen zijn ook invloed kunnen hebben op je resultaten.
  • Wat zijn echte experimenten en wat is het doel ervan?
    • Echte experimenten:
      • Participanten worden random toegewezen aan de condities
      • Experimentele vs. controlegroep
    • Doel: gelijkwaardige onderzoeksgroepen, bij de verschillen tussen condities kan ervan uitgegaan worden dat dit komt door de experimentele procedure
  • Wat zijn de limitaties van experimenteel onderzoek?
    • Wat zijn de verschillen tussen mannen en vrouwen in salaris, ik heb gevonden dat vrouwen minder dan mannen, antwoord is dan wat het zegt over de situatie in Nederland
    • Onafhankelijke variabelen kunnen niet altijd gemanipuleerd worden
    • Onderzoek is niet altijd ethisch
    • Random toewijzing leidt niet altijd tot gelijkwaardige groepen
      • Alhoewel: hoe groter de onderzoeksgroep, hoe groter de kans op gelijkwaardigheid
    • Soms is een ander design meer gepast voor de onderzoeksvraag
      • Wanneer er meer inzicht nodig is in het proces
      • Wanneer de vraag onderzoekend is
  • Wat is statistische validiteit en wat zijn voorbeelden?
    Komt de relatie tussen variabelen voor door meer dan alleen toeval?
    • Lage statistische power.
    • Vissen.
    • Onbetrouwbare meetinstrumenten.
    • Inadequate standaardisatie van experimentele interventie.
    • Toevallige verschillen in experimentele situaties.
    • Toevallige verschillen tussen groepen.
  • Wat is lage statistische power en welk welke validiteit hoort het? En wat zijn mogelijke oplossingen?
    Bij statistische validiteit. Het is logisch om te testen voor significantie, maar dan wordt er alleen gekeken naar type 1 fouten (onterecht de nul-hypothese afwijzen).
    • Type 2-error: accepteren van de nul-hypothese wanneer het false is
    • Power: de kans dat je de treatment effect observeert wanneer het voorkomt,
    • Tet streven in .80 (20% kans op type 2 error)
    • Oplossingen:
      • N vergroten
      • Manipulatie versterken
  • Wat is de validiteitsbedreiging vissen, bij welke validiteit hoort het en wat is er positief en negatief aan?
    Niet vooraf gespecificeerde hypothesen over relaties opgeven, maar alleen zoeken naar significante correlaties tussen variabelen. In zo'n matrix zal er altijd een belangrijke relatie zijn vanwege toeval. Vissen is een vorm van inspelen op het toeval. Papers hebben geen hypotheses, maar gaan wel 20 analyses doen, en dan zeggen ze 'hé extraversie is geassocieerd met de afhankelijke variabele'. Als je zegt iets te vinden, is dat niet goed, maar als je exploratory doet, dan moet je het ook zo melden en is het goed.
    • Positief: indicatie voor verder onderzoek
    • Negatief: niet statistisch valide tot het onderzoek is gerepliceerd
    • Oplossing: Bonferroni methode.
  • Wat is de Bonferroni methode?
    Is een oplossing voor het visprobleem, bepaal wat het significantieniveau per test zou moeten zijn zodat het gelijktijdige significantieniveau niet boven 5% zou zijn.
  • Wat is de bedreiging onbetrouwbare instrumenten, bij welke validiteit hoort het en wat zijn mogelijke oplossingen?
    Hoort bij statistische validiteit. 
    • De mate waarin replicatie van de meting dezelfde resultaten weergeeft.
    • Onbetrouwbare meting: scores op een tweede meting zijn niet voorspelbaar op basis van de scores op de eerste meting.
    • Oplossingen:
      • Langere testen/ meer beoordelaars
      • Geaggregeerde entiteiten (bijv. groepen i.p.v. individuen)
      • Correcties voor onbetrouwbaarheid
  • Wat is de bedreiging inadequate standaardisatie van experimentele interventie, bij welke validiteit hoort het en wat is een oplossing?
    Hoort bij statistische validiteit. Dit is een bedreiging wanneer de behandeling of instructies niet hetzelfde zijn voor alle deelnemers. De resultaten zullen meer variantie (noice) hebben en de kans verlagen een verschil te detecteren.
    • Oplossing: probeer alles te standaardiseren (instructies geven op papier of computer in plaats van verbaal van experimentator)
  • Wat is de bedreiging inadequate standaardisatie van experimentele interventie en bij welke validiteit hoort het?
    Hoort bij statistische validiteit. De achtergrondcondities van alle mensen en groepen moeten zo gelijk mogelijk zijn across condities.
  • Wat is de bedreiging toevallige verschillen tussen groepen, bij welke validiteit hoort het en wat is een oplossing?
    Hoge variabiliteit vanwege de diversiteit van de deelnemers. Kan te maken hebben met DV.
    • Introduceert ruis> Sommige variabiliteit in variabelen kan gerelateerd zijn aan het fenomeen waar je naar kijkt, maar ten minste een deel ervan zal waarschijnlijk individuele verschillen zijn die niet relevant zijn voor de relatie die wordt waargenomen.
    • Bijv. IQ, persoonlijkheid, leeftijd
    Oplossing:
    • Selecteer een meer homogene groep
    • Includeer verschil als covariabele
  • Wat is constructvaliditeit en wat zijn bedreigingen ervan?
    Kunnen de operationalisaties van de constructen op een andere manier geïnterpreteerd worden? → labeling probleem, is het level accuraat?
    • Construct onderrepresentatie
    • Overtollige construct irrelevanties
    • Mono-method bias
    • Gedemotiveerde controlegroep
    • Angst voor evaluatie
    • Verwachtingen van onderzoeker
    • Hypothese gokken
  • Wat is overtollige construct irrelevanties?
    Je meet iets extra wat niets te maken heeft met je construct, gebeurt vaak bij manipulaties. Je manipuleert narcisme van een sollicitant, 1 narcistisch profiel, niet narcistisch profiel. Het narcistische profiel is veel langer dan de andere, dus het kan ook zijn dat je de lengte van het artikel meet dus de cognitieve moeite die nodig is. Dit verschilt systematisch tussen de verschillende groepen.
  • Wat is construct onderrepresentatie?
    De operationalisatie van het construct heeft niet alle dimensies van het construct.
  • Hoe beoordeel je constructvaliditeit?
    • Convergente validiteit: verschillen operationalisaties van hetzelfde construct zouden samen moeten hangen.
    • Discriminante validiteit: operationalisaties van verschillende constructen zouden niet samen moeten hangen.
  • Wat is interne validiteit en wat zijn bedreigingen ervan?
    Interne validiteit: Kan de geobserveerde relatie geïnterpreteerd worden als een oorzaak-effect relatie?
    • Geschiedenis
    • Volwassen wording
    • Test effecten
    • Instrumenten
    • Regressie naar gemiddelde
    • Selectie
    • Mortality / Attrition
    • Interacties met selectie
    • Onzekerheid over oorzakelijke invloeden
  • Wat is geschiedenis als validiteitsbedreiging en bij welke validiteit hoort het?
    Interne validiteit. 
    • Iets wat tegelijk met de behandeling gebeurt kan de uitkomsten beïnvloeden.
    • Dingen die veranderd zijn in de omgeving van participanten, anderen dan die direct te maken hebben met het onderzoek.
  • Wat is maturation als validiteitsbedreiging en bij welke validiteit hoort het?
    Interne validiteit. Participanten kunnen veranderen tijdens het onderzoek of tussen verschillende metingen van de afhankelijke variabele door het passeren van de tijd.
    • Permanente verandering, biologische groei
    • Tijdelijke verandering, vermoeidheid 
  • Wat zijn test effecten als validiteitsbedreiging en bij welke validiteit hoort het?
    Interne validiteit. Een effect die veroorzaakt wordt door een reactie die meerder keren gemeten is. Dus de pre-test beïnvloedt (of primes) de post-test resultaten.
    •  IQ-test twee keer gedaan, scores nemen enigszins toe.
  • Wat is instrumentatie als validiteitsbedreiging en bij welke validiteit hoort het?
    Interne validiteit. Een effect dat veroorzaakt wordt door verandering van het meetinstrument tussen pre- en post-test.
    • Observer kan ook een meetinstrument zijn. Bijv. de experimentator wordt accurater in het observeren van dominant gedrag
    • Vloer- en plafondeffecten. Het nauwkeurigheidsniveau is laag (discrimineert niet goed) voor waarden die laag of hoog zijn op het meetapparaat.
  • Wat is regressie naar het gemiddelde als validiteitsbedreiging en bij welke validiteit hoort het?
    Interne validiteit. Een effect wordt veroorzaakt omdat participanten in de experimentele groep in een experimentele groep geplaatst zijn door hoge of lage scores op de pre-test. (Statistisch fenomeen).  De kans dat iemand op (of dicht bij) zijn gemiddelde vaardigheidsniveau presteert is groter dan de kans dat iemand uitzonderlijk goed of slecht presteert. Na een zeer goede prestatie is de kans dan ook groter dat de volgende prestatie minder zal zijn. Evenzo, na een zeer slechte prestatie is de kans vrij groot dat de volgende prestatie beter is
    • Vanwege de onbetrouwbaarheid van de pre-test (waarschijnlijk niet 100% betrouwbaar), zullen de scores op de posttest achteruitgaan naar het gemiddelde van de groep. 
  • Wat is selectie naar het gemiddelde als validiteitsbedreiging en bij welke validiteit hoort het?
    Interne validiteit. Participanten brengen unieke karakteristieken, sommige geleerd en andere niet mee in het onderzoek. 
    • Als het toewijzen van onderwerpen aan vergelijkingsgroepen resulteert in een ongelijke verdeling van deze vakgerelateerde variabelen, is er mogelijk een bedreiging voor de interne validiteit. 
  • Wat is interactie tussen selectie en groepscompositie als validiteitsbedreiging en bij welke validiteit hoort het?
    Interne validiteit.
    • Maturation, komt alleen in 1 groep voor, omdat de ene groep jonger is en dus sneller leert.
    • Geschiedenis of gebeurtenissen buiten het experiment. Een gebeurtenis die alleen in 1 groep plaats vindt. Als een onderzoek in verschillende landen plaats vindt en 1 van de landen wordt wereldkampioen.
    • Regressie naar het gemiddelde. 
  • Wat is externe validiteit en welke eigenschappen moeten bevindingen hebben om een bedreiging te kunnen vormen?
    Kunnen de conclusies van het onderzoek gegeneraliseerd worden naar andere populaties, mensen, situaties of tijden?
    Bedreigingen kunnen bestaan, als de bevindingen een specifiek karakter hebben:
    • Alleen toepasbaar voor de specifieke groep die onderzocht is
    • Alleen toepasbaar voor de specifieke context van het onderzoek
    • Zijn beïnvloedt door specifieke, unieke historische invloeden
    • De gemeten constructen zijn specifiek voor de groep die onderzocht is
  • Wat zijn sampling issues bij externe validiteit?
    • Gemakssteekproef: Gewoonlijk gebruiken onderzoekers gemaksbemonstering (voorbeeld dat toegankelijk is voor onderzoeker in plaats van representatief voor de doelpopulatie)
    • Sneeuwballen bemonsteren: de deelnemers verwijzen andere deelnemers. Kan leiden tot een steekproefbias en dus een niet-representatieve steekproef
  • Wat zijn modellen om externe validiteit te verhogen?
    1. Random sampling van representatieven
    2. Sampling voor heterogeniteit en maximale verschillen overwegen
    3. Generaliseren naar modale instantie
    4. Replicatie
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat geven deze variabelen weer?
De bèta-waardes van de mediatie.
Wat zijn de stappen die je moet nemen bij een mediatie?

Regressie 1: IV > DV
Regressie 2: IV > mediator
Regressie 3: mediator> DV wanneer IV ook wordt ingevoerd. De relatie tussen IV en DV moet substantieel verminderd of niet-significant worden.
Individuals who are socially excluded will experience more stress than those who are socially accepted.
Ondersteund omdat er een hoofdeffect is van de aandoening op stress F (1, 145) = 18.53, p <.001, gedeeltelijke h2 = .11 waarbij deelnemers in sociale uitsluitingstoestand zich beduidend meer gestrest voelen (M = 2.87) dan degenen in sociale acceptatie conditie (M = 1.79).
Verandert geslacht het effect van conditie op het gevoel ergens bij te horen?
Het belangrijkste effect wordt bepaald door een significante interactie tussen geslacht en conditie F (1, 145) = 7.29, p = .008, partial h2 = .05. Dit geeft aan dat het geslacht het effect van de aandoening op het gevoel ergens bij te horen, verandert.
Welke analyse gebruik je voor H2?The relationship between social exclusion and sense of belonging will be moderated by gender, such that following social exclusion females will experience lower sense of belonging than males. 
Factorial ANOVA including condition and gender.
Individuals who are socially excluded will experience lower sense of belonging than those who are socially accepted.
U voert een 2 x 2 ANOVA uit. Hypothese 1 wordt ondersteund omdat er een significant hoofdeffect is van de aandoening op gevoel van erbij horen (F (1, 145) = 94.62, p <.001, gedeeltelijk h2 = .40) met deelnemers die sociaal uitgesloten waren en een lager gevoel van erbij horen rapporteerden (M = 3,04) dan degenen die sociaal geaccepteerd waren (M = 4.91).
Kun je concluderen dat de manipulatie succesvol was? Rapporteer de bevindingen, inclusief de effectgrootte, en maak een opmerking of dit een klein, middelgroot of groot effect is. Was er een verschil in waargenomen inclusie afhankelijk van of de deelnemers mannelijk of vrouwelijk waren? Werd de manipulatie anders ervaren, afhankelijk van of de deelnemers mannelijk of vrouwelijk waren?
  • Resultaten van een 2 (conditie: sociale uitsluiting versus sociale acceptatie) door 2 (geslacht: mannelijk versus vrouwelijk) ANOVA toonden een significant hoofdeffect van de conditie op percepties van uitsluiting, F (1,145) = 158,00, p <.001, gedeeltelijke h2 = .52, dit is een grote effectgrootte. 
  • Deelnemers die sociale uitsluiting hebben ervaren meldden zich meer buitengesloten te voelen (M = 5.85, SD = 0.71) dan degenen die sociale acceptatie ervaren (M = 3.32, SD = 1.53). 
  • Er was geen effect van geslacht of interactie van geslacht met een aandoening op percepties van uitsluiting (ps> .195). 
  • Met andere woorden, er was gemiddeld geen significant verschil tussen mannen en vrouwen in de mate waarin zij zich buitengesloten voelden, en het geslacht had ook geen invloed op hoe deelnemers op de manipulatie reageerden (geen significant interactie-effect).  
Je wil controleren of de manipulatie van sociale uitsluiting succesvol was. Aangezien je echter twee IV's hebt, wilt je er ook zeker van zijn dat de manipulatie niet verschillend werd geïnterpreteerd, afhankelijk van de waarde van de andere IV. Met andere woorden, je moet ook controle hebben over het geslacht en de interactie tussen geslacht en toestand.Welke analyse voer je uit?
Factorial ANOVA including condition and gender
Je bepaalt dat je wil controleren voor werkervaring, welke test voer je uit en wat kan je uit de resultaten opmaken?
Het effect van de aandoening blijft significant, zelfs na controle voor werkervaring, en in feite is werkervaring geen significante voorspeller van evaluaties door geïnterviewden (kijkend naar de resultaten is de effectgrootte, eta kwadraat, ook veel kleiner voor werkervaring).
  • F (2,162) = 102,61, p <.001, gedeeltelijke h2 = .56 
Worden de hypotheses ondersteund?Dominant non-verbal cues improve evaluations of interviewees.Submissive non-verbal cues worsen evaluations of interviewees 
  • Hypothese 1a werd ondersteund omdat de dominante kandidaat een significant betere evaluatie (M = 4,41) ontving dan de neutrale kandidaat (M = 3,48), t (98,9) = 10,74, p <0,001.
  • Hypothese 1b werd echter niet ondersteund omdat er geen significant verschil werd gevonden tussen de evaluaties van de onderdanige (M = 3,33) en de neutrale kandidaat, t (95,1) = 1,61, p = 0,110. Het uiten van dominant non-verbaal gedrag tijdens interviews verbetert dus de evaluaties van geïnterviewden, maar onderdanig gedrag verslechtert dergelijke evaluaties niet.