Summary Mycologie

-
481 Flashcards & Notes
2 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Mycologie". The author(s) of the book is/are Kyle Groman. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Mycologie

  • 1 Inleiding

  • Open vraag: Hoeveel pathogene klasse schimmels zijn er? Noem ze allemaal:
    3. Deuteromycota, ascomycota en zygomycota.
  • Open vraag:Bij welke afdeling horen de rhizophus en mucor?
    Bij de zygomycota.
  • Bij welke afdeling en welke klasse horen de penicillium, truffel, alternaria en aspergilus?
    Afdeling: ascomycota.
    Klasse: Filamenteuze ascomycota.
  • Welke ascomycota kan zorgen voor SOA's?
    A. Penicillum.
    B. Herpes simplex.
    C. Candida albiglans.
    D. Aspergillus
    C.
  • Open vraag: Bij welke afdeling en klasse hoort de candida albicans?
    Ascomycota en saccheremycetalis.
  • Bij welke afdeling horen de dermatofyten?
    A. Zygomycota.
    B. Ascomycota.
    C. Deuteromycota.
    D. Gisten.
    C.
  • Hoe worden deuteromycota ook wel genoemd?
    A. Pathogene schimmels.
    B. Funghi imperfecti.
    C. Mycelia sterilia.
    D. Geen van al het bovenstaande.
    B.
  • Open vraag: Waarom worden deuteromycota ook wel funghi imperfectie genoemd?
    Omdat het niet bekend is of deze schimmels seksueel of aseksueel voortplanten.
  • Open vraag: Waar worden de conidia gevormd bij de coelomycetes?
    In de pycnidia.
  • Open vraag: Waar worden de conidia gevormd bij de hyphomycetes?
    Niet gevormd in speciale structuren.
  • Waar worden de conidia gevormd bij de mycelia sterilia?
    Er worden geen conidia gevormd.
  • Schimmels zijn:
    A. Chemoheterotroof.
    B. Chemo autotroof.
    C. Heterotroof.
    D. Chemotroof.
    A.
  • Open vraag: Welke 3 suikers bevat de celwand van schimmels?
    Glycan, mannan en chitine.
  • Hoe verloopt de voedselopname van schimmels?
    A. Via absorbtie: interne afbraak door enzymen, opname afbraak product.
    B. Via resorbtie: externe afbraak door enzymen, opname afbraak product.
    C. Via adsorbtie:  externe afbraak door enzymen, opname afbraak product.
    D. Via absorbtie: externe afbraak door enzymen, opname afbraak product.
    D.
  • Open vraag: Hoe leven schimmels?
    Saprofitisch, symbiotisch, commensaal, parasitair en mutualistisch.
  • Waar zorgen micorrhizae voor bij planten wortels?
    A. Oppervlaktevergroting meer voedselopname.
    B. Oppervlakteverkleining.
    C. Vergemakkelijking voedsel en vochtopname.
    D. Oppervlaktevergroting meer vochtopname.
    D.
  • Welk enzym produceren schimmels en wat breekt dit enzym af?
    A. Maltase --> maltose.
    B. Cellase --> Cellulose.
    C. Cellulose --> Cellulase.
    D. Glucase --> Glucose.
    B.
  • Bij welke groep mensen komt een opportunistische schimmelinfectie voor?
    A. Bij immuungecomprimeerde en traumas.
    B. Affiniteit gastheer.
    C. Kan overal voorkomen.
    D. Er zijn geen opportunistische schimmelinfecties.
    B.
  • Waar is specifieke pathogeniciteit op gebaseerd?
    A. Immuungecomprimeerdheid van de gastheer.
    B. Trauma die de gastheer heeft meegemaakt.
    C. Affiniteit gastheer.
    D. Immuniteit gastheer.
    C.
  • Open vraag: Hoe worden schimmelinfecties ook wel genoemd?
    Mycosen.
  • Open vraag: Welke 4 onderverdelingen zijn er van mycosen?
    Cutane mycosen, subcutane mycosen, systemische mycosen en opportune mycosen.
  • Open vraag: Wat zijn de voornaamste pathogenen van cutane mycosen? Noem er 2:
    Gisten en dermatofyten.
  • Waar loop je subcutane mycosen meestel op?
    A. In douches als je geen schoenen aanhebt.
    B. In de tropen.
    C. Door inademing.
    D. Kan overal.
    B.
  • Wat wordt aangetast door subcutane mycosen?
    A. De aangrenzende botten en de dermis.
    B. De aangrenzende botten, nagels en haren.
    C. Onderliggende weefsels.
    D. A en C zijn goed.
    D.
  • Wat is geen subcutane mycose?
    A. Mycetoma.
    B. Aspergillus.
    C. Sporotrichosis.
    D. Chromoblastomycose.
    B.
  • Open vraag: Subcutane infecties zijn langzaam/snel verspreidende lokale/overal aanwezige infecties.
    Langzaam, lokale.
  • Welke vorm van mycetoma vormt geen sporen?
    A. Modurella spp.
    B. Acreomantum spp.
    C. Geen enkele vormt sporen.
    D. Het zijn allemaal sporenvormers. 
    A.
  • Open vraag: Welke 2 schimmels zorgen in Nederland vooral voor systemische infecties?
    Aspergillus en candida.
  • Waardoor komen systemische infecties tot stand?
    A. Door het geforceerd binnendringen van een schimmel.
    B. Door het inademen van schimmels.
    C. Door het inademen van sporen.
    D. Door het geinfecteerd raken door een schimmel.
    C.
  • Open vraag: vanuit welk orgaan verspreiden systemische infecties door het lichaam?
    Vanuit de longen.
  • Open vraag: Noem 3 voorbeelden van schimmels die systemische infecties veroorzaken.
    Aspergillus, candida en cryptococcus.
  • Noem een voorbeeld van een subcutane schimmel. Meerdere antwoorden kunnen goed zijn.
    A.Candida.
    B. Aspergillus.
    C.Cladosporum.
    D. Alternaria.
    C en D.
  • Bij het determineren van genera/species worden gisten behandeld in de bacteriologie, waarom?
    A. Omdat gisten genetisch op bacterien lijken.
    B. Omdat de biochemische bepaling van gisten meestal plaatsvindt op een routine lab.
    C. Omdat gisten net als bacterien kunnen groeien.
    D. Geen van al het bovenstaande.
    B.
  • Open vraag: Beschrijf een mycelium.
    Groei van schimmelkolonie door wirwar aan hyfen. (belangrijke woorden: Schimmelkolonie en hyfen).
  • Open vraag: Over welk gedeelte van de schimmel gaat het bij de horizontale groei en hoe wordt dit genoemd?
    Vegetatieve gedeelte, thallus.
  • Open vraag: Over welk gedeelte van de schimmel gaat het bij verticale groei (wat vindt hier plaats?)
    Over het reproductieve gedeelte, sporulatie.
  • Open vraag: Als we het hebben over de anamorfe fase van de schimmel, waar hebben we het over: vanuit de mycelium geslachtelijke of ongeslachtelijke sporen?
    Vanuit mycelium ongeslachtelijke sporen.
  • Open vraag: Als we het hebben over de teleomorfe fase van de schimmel, waar hebben we het over: vanuit de mycelium geslachtelijke of ongeslachtelijke sporen? 
    Vanuit de mycelium geslachtelijke voortplanting.
  • Noem 2 voorbeelden van geslachtelijke sporen.
    A. Ascosporen.
    B. Conidiosporen.
    C. Sporangisporen.
    D. Basidiosporen.
    A en D.
  • Noem 2 voorbeelden van ongeslachtelijke sporen. Noem er nog 2 bij.
    A. Ascosporen.
    B. Conidiosporen.
    C. Sporangisporen.
    D. Basidiosporen.
    B en C, arthrosporen en chlamydosporen.
  • Open vraag: Wat zijn de eigenschappen bij de thallus van gisten?
    Eencellig en bolvormig.
  • Wat zijn de eigenschappen bij de thallus van schimmels?
    Draden
  • Wat is een paddenstoel?
    A. Vruchtlichaam met sporen.
    B. Vruchtlichaam zonder sporen.
    C. Een ascomycus zonder sporen.
    D. Geen van al het bovenstaande.
    A.
  • Hoe leven zygomycyten voornamelijk?
    A. Parasitair.
    B. Pathogeen.
    C. Saprofitisch.
    D. Symbiotisch.
    C.
  • Open vraag: Zygomycoten hebben een harige/knopvormige snelle/langzame groei.
    Harige, snelle.
  • Zygomycyten groeien ook bij lagere temperaturen. Is deze bewering juist.
    Ja.
  • Waar worden bij de rhizophus en de mucor de aseksuele sporen gevormd?
    A. Op de stolon.
    B. In sporangium op de rhizophus.
    C. In haploide cellen.
    D. In sporangium op sporangiofoor.
    D.
  • Hoe worden de seksuele sporen van de rhizophus en mucor gevormd?
    A. Doordat diploide kern een haploide kern wordt.
    B. Door fusie van haploide cellen van 2 verschillende hyfen.
    C. Doordat + en = kernen versmelten.
    D. Door meiose.
    B.
  • Kan een zygomyceet ook voor ernstige infecties zorgen?
    Ja.
  • Waardoor overleeft candida zo goed?
    A. Doordat ze een verdikte celwand hebben binnen de hyfen.
    B. Doordat ze een verdikte celwand hebben buiten de hyfen.
    C. Doordat candida in meerdere omstandigheden kan overleven.
    D. Doordat candida sporen goed kunnen overleven.
    A.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Open vraag: Op welke lichaamsdelen is Trichosporon beigelii commensaal? 3 voorbeelden.
Lichaams en schaamhaar, hoofhaar, huid vooral bij de bilnaad.
Open vraag: Wat is het verschil in symptomen tussen Phaeoanellomyces werneckii en Exophilia jaensemei? En wat is de overeenkomst?
Verschil: P.werneckii veroorzaakt zwarte handen en E.jaensemei veroorzaakt zwart gezicht.
Overeenkomst: Zijn beiden zwarte gisten.
Waar huist trichosporon beigelii?A. In de slijmvliezen.B. In de haarschacht.C. Op de hele huid.D. In de mond.
B. 
Wat is er speciaal aan Trichosporon beigelii?A. Karakteristieke knopvorming 'colarette'.B. Heeft hyfen en pseudohyfen.C. Is een gist met hyfen.D. Heeft geen karakteristieke eigenschappen.
C.
Wat is er speciaal aan Malasseza furfur?A. Karakteristieke knopvorming 'colarette'.B. Heeft hyfen en pseudohyfen.C. Is een gist met pseudohyfen.D. Heeft geen karakteristieke eigenschappen.
A.
Open vraag: Wat is tinea versicolor (symptomen). (1)
Lichte of donkere verkleuring van de huid.
Wat voor kweek is er vereist voor M.furfur?A. Een kweek op een sabaroud plaat.B. Kweek op speciale vloeibare media.C. Een speciale kweek met olijfolie.D. Deze schimmel kan niet gekweekt worden.
C.
Waardoor wordt tinea versicolor veroorzaakt?A. Cryptococcus neoformans.B. Malasseza furfur.C. Trichsporon beigelii.D. Phaeoanellomyces werneckii.
B. 
Open vraag: Geef een voorbeeld van gevolgen waardoor infecties die worden veroorzaakt door andere candida species.(3) Infectie als gevolg van:
verworven resistentie, niet verworven resistentie, infectie direct opportuun. 
I Als gevolg van toename stikstof daling van de pH waardoor de groei van de cryptococcus vermeerdert.II Phaeoannellomyces en Exophiliala jeansemei zijn zwarte gisten.Welke van de beweringen is juist: Zo niet waarom niet?A. I is juist II is onjuist.B. II is juist I is onjuist.C. Beiden zijn juist.D. Beiden zijn onjuist.
B. I fout omdat door de toename van stikstof juist de pH stijgt waardoor de groei van de cryptococcus vermeerdert.