Summary Na klar!.

-
ISBN-10 9034572064 ISBN-13 9789034572066
306 Flashcards & Notes
22 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary 1:

  • Na klar!.
  • Paul van der Bie Roquefort
  • 9789034572066 or 9034572064
  • 3e ed.

Summary - Na klar!.

  • 2.1 lernbox

  • Zij laten hun gevoelens niet zien.
    Sie zeigen ihre Gefühle nicht.
  • Het is belangrijk, ontspannen te blijven.
    Es ist wichtig, entspannt zu bleiben.
  • Ik kan met alle mensen praten.
    Ich kann mit allen Leute reden.
  • December is de laatste maand van het jaar.
    Dezember ist der letzte Monat des Jahres.
  • Ik weet, dat die mensen mij aardig vinden.
    Ich weiß, dass die Leute mich mögen.
  • Zij laat haar oude leven achter zich.
    Sie lässt ihr altes Leben hinter sich.
  • Zijn er veel tips voor de leerling?
    Gibt es viele Tipps für die Schüler?
  • Hoeveel kost dat precies?
    Wie viel kostet das genau?
  • we gaan in het huis, want het word te koud.
    Wir gehen ins Haus, denn es wird zu kalt.
  • Ik geloofde het in het begin niet.
    Ich glaubte es anfangs nicht.
  • laten zien
    zeigen
  • belangrijk
    wichtig
  • praten
    reden
  • de maand
    der Monat
  • aardig vinden
    mögen
  • achter
    hinter
  • zijn er
    gibt es
  • precies
    genau
  • want
    denn
  • in het begin
    anfangs
  • 2.2 lernbox

  • Wanneer schrijf ik Das? (onzijdig)
    Alle woorden die eindigen op -chen, -lein + en de meeste woorden die in het nederlands  het lidwoord HET krijgen.
  • Wanneer schrijf ik Die? (vrouwelijk)
    Alle personen en dieren van het vrouwelijk geslacht+ woorden die eindigen op -heit, -keit, -schaft, -ion, -ung + de meeste woorden die eindigen op een -e
  • Wanneer schrijf ik Der? (mannelijk)
    Alle personen en dieren van het mannelijk geslacht + dagen van de week + maanden
  • Hij heeft alleen goede punten op het rapport.
    Er hat nur gute Noten auf dem Zeugnis.
  • Waarom heb je me dat niet van tevoren gezegd.
    Warum hast du mir das vorher nicht gesagt.
  • Zwitserland is een land met veel bergen.
    Die Schweiz ist ein Land mit vielen Bergen.
  • Werkelijk? Zo erg kan het niet zijn.
    Wirklich? So schlimm kann es nicht sein.
  • De kamer is minstens 5 meter lang.
    Das Zimmer ist mindestens 5 Meter lang.
  • Hij maakt zijn reizen meestal in de zomer.
    Er macht seine Reisen meistens im Sommer.
  • Ik tref hem soms op straat.
    Ich treffe ihn manchmal auf der straße.
  • Die opgave is niet zo gemakkelijk.
    Die Aufgabe ist nicht so einfach.
  • Er zitten gemiddeld 25 kinderen in een klas
    Es gibt durchschnittlich 25 Schüler in der Klasse
  • We krijgen weinig huiswerk.
    Wir bekommen wenig Hausaufgaben.
  • het rapport
    das Zeugnis
  • van tevoren
    vorher
  • Zwitserland
    die Schweiz
  • erg
    schlimm
  • minstens
    mindestens
  • meestal
    meistens
  • soms
    manchmal
  • gemakkelijk
    einfach
  • gemiddeld
    durchschnittlich
  • krijgen
    bekommen
  • Hij krijgt helemaal niets.
    Er bekommt gar nichts.
  • Ik red het niet.
    Ich schaffe es nicht.
  • Niemand weet hoe het met mij gaat.
    Keiner weiß, wie es mir geht.
  • Nee, dat meen je niet!
    Nein, das ist doch nicht dein Ernst!
  • Ik ben daar nog nooit geweest.
    Ich bin da nog nicht gewesen.
  • Niemand begrijpt mij.
    Niemand versteht mich.
  • Dat is helemaal geen probleem.
    Das ist überhaupt kein Problem.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary 2:

  • Na klar!.
  • Paul van der Bie, Elisabeth Lehrner te Lindert, Stef Pinxt, Danique Trommelen
  • or
  • 2013

Summary - Na klar!.

  • 1.1 Viel Vernügen

  • Durchhalten
    volhouden
  • Fröhlich
    vrolijk
  • Gelingen
    lukken
  • Die Insel
    het eiland
  • lösen
    oplossen
  • Niemals
    nooit
  • Der Urlaub
    de vakantie
  • Das Vernügen
    het plezier
  • Witzig
    grappig
  • Zeichnen
    Tekenen
  • 1.2 Gesehen

  • Erklären
    uitleggen
  • Der Moderator
    de pressentator
  • Nutzen
    gebruiken
  • Der Schauspieler
    de acteur
  • Ständig
    voortdurend
  • Statt
    in plaats van
  • Trotz
    ondanks
  • Versprechen
    beloven
  • Vielleicht
    misschien
  • Wichtig
    belangrijk
  • 1.3 Prominent

  • januari
    der Januar
  • februari
    der Februar
  • maart
    der März
  • april
    der April
  • mei
    der Mai
  • juni
    der Juni
  • juli
    der Juli
  • augustus
    der August
  • september
    der September
  • oktober
    der Oktober
  • november
    der November
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

zij, u woont
sie,Sie wohnen
jullie wonen
ihr wohnt
wij wonen
wir wohnen
hij, zij, het woont
er, sie, es wohnt
jij woont
du wohnst
ik woon
ich wohne
zij, u speelt
sie, Sie spielen
jullie spelen
ihr spielt
wij spelen
wir spielen
hij,zij, het speelt
er, sie, es spielt