Summary Nectar

-
ISBN-13 9789001789398
329 Flashcards & Notes
15 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary 1:

  • Nectar
  • Jan Bijsterbosch
  • 9789001789398
  • 3rd

Summary - Nectar

  • 17.1 Het ecosysteem stad

  • Wat is fotosynthese?
    Planten (en sommige bacteriën) maken energierijk glucose m.b.v. zonlicht uit CO2 en H2O
    6CO2 + 6H2O --> C6H12O6 + 6O2
  • Noem drie voorbeelden van anorganische stoffen
    • CO2
    • H2O
    • Mineralen
  • Wat zijn organische stoffen?
    Stoffen met energierijke C-H-verbindingen
  • Wat is chemosynthese?
    De productie van organische stoffen met CO2 en H2O zonder licht als energiebron. Bacteriën (bijv. zwavel-/nitriet-/nitraatbacteriën, Binas  93 G) gebruiken hiervoor chemische energie die vrijkomt bij de oxidatie van anorganische stoffen (bijv. H2S, NH4+ en NO2-)
    Bijv. 6CO2 + 6H2O + 3H2S --> C6H12O6 +3H2SO4
  • De energie die producenten (foto-autotrofe planten en chemo-autotrofe bacteriën) via foto- en chemosynthese vastleggen, is beschikbaar voor andere organismen in het ecosysteem. Elk organisme gebruikt een deel van de organische stoffen als bouwstof of energiebron. In het laatste geval verlaat een deel van de energie het ecosysteem in de vorm van warmte (Binas 93 A1)
  • Wat zijn foto-autotrofe organismen?
    Organismen (planten) die m.b.v. lichtenergie organische stoffen maken uit anorganische stoffen
  • Wat zijn chemo-autotrofe organismen?
    Organismen (bacteriën) die m.b.v. chemische energie organische stoffen maken uit anorganische stoffen
  • Wat zijn heterotrofe organismen?
    Consumenten,  ze gebruiken organische stoffen van hun voedsel als bouwstof en brandstof. De vrijgekomen energie gebruiken ze voor celprocessen, de rest verlaat het lichaam in de vorm van warmte
  • Wat zijn reducenten?
    Heterotrofe schimmels en bacteriën die leven van gestorven producenten en consumenten en hun organische afvalproducten. Ze staan aan het eind van de voedselketen en zetten organische stoffen om in anorganische
  • Wat is een microklimaat?
    Lokale omstandigheden ((a)biotische factoren) zijn anders dan je op grond van het klimaat zou verwachten
  • 17.2 De stad selecteert

  • Bij de bouw van een stad verdwijnen veel soorten door de aantasting van hun oorspronkelijke habitat. In de stad leeft een grote populatie mensen, dit is het grootste verschil met alle andere ecosystemen. De mensen hebben het ecosysteem vorm gegeven, o.a. door huizen te bouwen. De omstandigheden zijn door de mens zo aangepast dat ze ongunstig geworden kunnen zijn voor verschillende soorten, die hierdoor uit de stad verdwijnen. De tolerantiegrenzen voor een bepaalde abiotische factor zijn dan overschreden.
  • De stad biedt ook kansen: het microklimaat van een stad kan aangenamer zijn dan die in de omgeving en er is volop voedsel. Daarnaast is een stad gevarieerd.
    Door de verscheidenheid aan habitats en niches kan het aantal soorten in de stad erg groot zijn. De biodiversiteit neemt dus eigenlijk altijd toe. Hierbij gaat het niet alleen om soorten, maar ook om de genetische diversiteit van de populaties en om biologische structuren (muizennesten, spinnenwebben)
  • Wat is een gradiëntenecosysteem?
    Een ecosysteem waarvan de abiotische factoren vanaf de ene kant het ecosysteem naar de andere kant geleidelijk veranderen. 

    Voorbeeld:
    De buitenwijken van een stad. De buitenwijken vormen een overgang tussen de stad en zijn omgeving. Zo neemt de bebouwing vanaf het centrum en de temperatuur af.
  • Wat zijn gradiënten?
    Geleidelijke veranderingen
  • Wat is adaptatie?
    Wanneer soorten zich genetisch aanpassen aan de omstandigheden.
    De selectieprocessen rekken de tolerantiegrenzen van de soort op. Het is dus een verandering in bouw/ gedrag van een soort waardoor deze beter aangepast is aan de heersende milieufacotren.
  • Adaptatie in de bouw van soorten kan een tijdje duren. 
    Adaptatie in gedrag, daarentegen, kan sneller gaan: dieren leren van elkaar.
  • Wat is een exoot?
    Een organisme dat oorspronkelijk niet een bepaald gebied voorkomt, maar er zich heeft gevestigd.
  • Wat is 'fitness'?
    Het vermogen om bepaalde allelen door te geven aan de volgende generatie.
    Soorten met een grote fitness zijn genetisch goed aangepast aan de omstandigheden.
  • Wat is het flessenhalseffect?
    De verandering in allelfrequenties na een ramp waarbij het aantal individuen/ allelen sterk is afgenomen. De nieuwe populatie krijgt dan een andere verhouding van de allelfrequenties dan de oorspronkelijke.
  • Wat is het foundereffect?
    De genetische variatie van een populatie is klein, doordat er alleen allelen van de stichters zijn. De nakomelingen lijken genetisch gezien erg op hun ouders
  • Genetic drift is ook nog een ander pobleem van kleine populaties. Dieren kunnen elkaar moeilijk vinden en sommige komen niet aan voortplanting toe. De allelen van deze dieren verdwijnen uit de populatie, waardoor deze genetisch gezien nog meer verarmt.
  • Als een populatie lange tijd geïsoleerd blijft, zonder nieuwe immigratie, dan blijft foundereffect lang bestaan. Zolang de genetische variatie groot genoeg is, is dit geen probleem. Maar door inteelt kunnen (recessieve) erfelijke aandoeningen ontstaan --> maakt de populatie kwetsbaar.
  • Niet genetische-oorzaken voor de teruggang van een populatie:
    • Mensen die dieren verjagen: bv. mensen die hun vensterbanken afschermen voor duiven -> minder nestgelegenheid
    • concurrentie van andere soorten: ontstaat wanneer 2 soorten een overlappende habitat en niche hebben
  • Vanaf het vasteland koloniseren soorten het eiland. Dat gaat in het begin snel, maar de immigratie neemt af naarmate het eiland zich vult met soorten. De kans dat soorten verdwijnen, neemt toe naarmate er meer soorten zijn. Er ontstaat een evenwicht tussen het aantal soorten dat door immigratie het eiland koloniseert en het aantal soorten dat uitsterft (extinctie). Dat is het aantal soorten dat gemiddeld op een eiland aanwezig is.
    Op een klein eiland kunnen minder soorten leven dan op een groot eiland. Tegelijkertijd is de kans op uitsterven op een klein eiland groot --> minder soorten in evenwichtssituatie.
    De migratie naar een nabij gelegen eiland is groot, een veraf gelegen eiland is lastiger te koloniseren.
  • Eilandtheorie
    Een theoretisch model dat beschrijft hoeveel soorten er op een bepaald moment in een min of meer geïsoleerd gebied voorkomen. De eilandtheorie legt een verband tussen de biodiversiteit en factoren als de grootte van een eiland en de afstand die organismen moeten afleggen om er te komen. Vanaf het vasteland koloniseren soorten het eiland.
  • Steden kun je beschouwen als eilanden in omringende gebieden. Hoe snel de kolonisatie van de stad vanuit de omgeving of andere steden plaatsvindt, hangt af van:
    • de afstand die de migrerende organismen moeten afleggen om in de stad te komen.
    • In de regel kunnen grotere organismen eerder de stad bereiken dan de kleinere.
    • Naast de af te leggen afstand is de concurrentie belangrijk voor de snelheid van de kolonisatie. Als organismen fel moeten concurreren om een habitat/niche dan is de kans dat de nieuwe soort in de stad komt niet groot.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary 2:

  • nectar
  • jan bijsterbosch
  • or
  • 3rd

Summary - nectar

  • 1.1 Communicatie

  • Wat is gedrag?
    Alles wat een dier of mens doet of nalaat, is gedrag.
  • Wat is ritueel gedrag?
    Signalen in een vaste volgorde vormen een herkenbaar ritueel.
    Ritueel gedrag is vaak afgeleid van gedrag dat zijn oorspronkelijke betekenis verloren heeft.
    Onze rituele groet is een open, uitgestoken hand. Van oorsprong laten we daarmee zien dat we ongewapend zijn en geen kwade bedoelingen hebben. Best fijn om te merken op zo'n eerste schooldag. Een leraar met een stok in de hand, bevordert je gevoel van veiligheid niet echt.
  • Wat zijn signalen?
    Signalen zijn prikkels die voor soortgenoten informatie bevatten.
  • Wat is een rangorde?
    Een rangorde heb je in een bepaalde groep. Het houdt in dat er verschillende rangen (lagen) zijn, wie het belangrijkste is staat bovenaan in de rangorde van een groep.

    Mensen en dieren gebruiken signalen om de onderlinge rangorde te bepalen en elkaars gedrag te beïnvloeden.
  • Wat is een territorium?
    Een territorium is een gebied waarin een mens of dier heer en meester is.
    Het in bezit nemen en houden gebeurt door territoriumgedrag, vaak ontstaat hierbij een vorm van dreiggedrag om aan indringers duidelijk te maken wie de baas is.
  • 1.2 Prikkels

  • Hoe ontstaat gedrag?
    Gedrag ontstaat door prikkels. Deze prikkels kunnen uit de omgeving komen of uit het dier zelf: uitwendige en inwendige prikkels.
  • Wat is een sleutelprikkel?
    Een sleutelprikkel is een prikkel die altijd een bepaald gedrag als gevolg heeft.
  • Wat is een supernormale prikkel?
    Een supernormale prikkel is een versterkte sleutelprikkel waarop een sterke reactie volgt. Het is dus een overdreven sleutelprikkel.
  • Wat houdt motivatie in (bij bijen)?
    De motivatie bij bijen is hun bereidheid om in actie te komen.
  • Wat is een drempelwaarde?
    Als de drempelwaarde wordt bereikt, vertonen mensen en dieren gedrag. 

    Bijvoorbeeld: Hongerige hommels komen pas echt naar buiten door een tik tegen hun nest. Dat is de druppel die de emmer doet overlopen: de drempelwaarde is bereikt.
  • Wat houdt aangeboren gedrag in?
    Dit houdt in dat je het vanaf je geboorte al kan/kent. Dit noem je ook wel instinct. 

    Bijvoorbeeld: Hommelkoningin handelt in een vast patroon. Haar dochters kunnen niet leren hoe ze een honingpot moeten maken. Toch doen ze allemaal hetzelfde, zonder dat er een vorm van leren aan te pas komt. Dit 'instinct' is aangeboren.
  • 1.3 Functies van gedrag

  • Wat is ambivalent gedrag?
    Ambivalent gedrag, is gedrag dat elementen van twee tegengestelde gedragssystemen (Bijv: vluchten en verdedigen) afwisselt. Om de beurt 'wint' een van beide gedragssystemen het.
  • Wat is overspronggedrag?
    Ambivalent gedrag kan overslaan in heel ander gedrag, dat is overspronggedrag. Bij dieren en mensen kan ambivalent gedrag er toe leiden dat de agressie van het ene gedragssysteem zich richt op iets heel anders.
  • Wat is omgericht gedrag?
    Omgericht gedrag is gedrag waarbij het mens of dier de agressie richt op iets anders dan op de soortgenoot.

    Bijvoorbeeld: Bij een ruzie met je broer sla je de deur van je slaapkamer dicht in plaats van dat je je broer slaat.
  • Wat is klassieke conditionering?
    Bij klassieke conditionering leert een dier twee van elkaar losstaande prikkels te koppelen. 

    Bijvoorbeeld: Pavlov liet een hond wennen aan de combinatie van het horen van een bel en het krijgen van voer. Iedere keer als de hond voer kreeg (en dus begon te kwijlen), ging een bel. Na een tijdje ging de hond bij het horen van de bel al kwijlen, nog voordat hij eten had geroken. Hij bracht beide prikkels met elkaar in verband.

    Mens en dier koppelen daarbij een neutrale prikkel (de bel) aan de prikkel (het eten) die een reflex oproept. Na enige tijd reageert het dier ook op de neutrale prikkel zonder dat de oorspronkelijke prikkel aanwezig is.
  • Wat is operante conditionering?
    Bij operante conditionering leert een dier gewenst gedrag door de koppeling met beloning of een straf.

    Het leggen van het verband tussen een bepaald gedrag en het voordeel dat dit oplevert.

    Bijvoorbeeld: Een puppy train je te leren zitten, goed mee te lopen aan de riem en je schoen niet kapot te bijten door operante conditionering. Dat gaat door vriendelijke woorden, een aai of iets lekkers. Zo leert een puppy dat dit gedrag hem voordeel oplevert.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

wat is de definitie van: 1 producent 2 consument 3 reducent
1 de autotrofe groene planten en autotrofe bacteriën. Zij kunnen organische stoffen uit anorganische stoffen produceren
2 dit zijn de heterotrofe organismen die van producenten of van andere consumenten leven.Consumenten die producenten eten. je hebt verschillende ordes. de eerste orde is altijd een herbivoor, de volgende orde een carnivoor, etc.
3 dit zijn heterotrofe organismen die van de dode resten van andere organismen leven. Ook bij de reducenten kun je verschillende ordes onderscheiden
wat is de definitie van symbiose 1 mutualisme 2 parasitisme 3 commensalisme 4 epifytisme
symbiose = langdurige samenleving tussen 2 organisme 
1 mutualisme = allebei voordeel (bv. bacteriën darmflora)
2 parasitisme = gastheer nadeel, parasiet voordeel (bv. schimmel aan een boomstam)
3 commensalisme = neutraal. gastheer heeft er geen last van (bv. bacteriën in je mond) 
4 epifytisme = organisme/plant op plant. gastheer (dus plant) neutraal. organisme/plant voordeel.
wat is de definitie van accumulatie
ophoping van stoffen (bv. bestrijdingsmiddelen)
wat is de definitie van voedselweb 
geheel van voedselrelaties binnen een levensgemeenschap
wat is de definitie van voedselketen
reeks van soorten waarbij elke soort de voedselbron is voor de volgende
wat is de definitie van predatie 
het doden en als voedsel gebruiken van dieren
wat is de definitie van tolerantiegebied 
gezamenlijke waarden/grenzen van een bepaalde milieufactor waarbij individuen van een soort kunnen overleven
wat is de definitie van habitat 
leefomgeving een organisme
wat is de definitie van niche
de rol van een soort in een bepaald ecosysteem
wat is de definitie van populatie 
een groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied die zich onderling voortplant