Summary Nectar / Biologie 4 vwo / deel Leerboek

-
ISBN-10 9001789374 ISBN-13 9789001789374
3105 Flashcards & Notes
480 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Nectar / Biologie 4 vwo / deel Leerboek ". The author(s) of the book is/are Noordhoff Uitgevers B V. The ISBN of the book is 9789001789374 or 9001789374. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Nectar / Biologie 4 vwo / deel Leerboek

  • 1 Gedrag

  • Bij onderzoek naar gedrag worden de volgende methoden gebruikt:
    • Ethogram: een lijst met eenduidige gedragseenheden. Elke gedragseenheid heeft een afkorting met een beschrijving. Bijv.: sch = de koe scheurt het gras af met zijn tanden.
    • Protocol: een lijst met geobserveerde handelingen met een tijdsaanduiding.
  • Wat is een ethogram?
    Een ethogram is een lijst met eenduidige gedragseenheden. Elke gedragseenheid wordt aangegeven met een afkorting en een omschrijving van die gedragseenheid.
  • Wat is een protocol?
    Wanneer je onderzoek doet naar het gedrag van dieren, maak je een protocol om eenduidig vast te leggen welke handelingen het dier heeft gedaan. Een protocol is een lijst met de geobserveerde gedragseenheden met een tijdsaanduiding.
  • 1.1 Dierenwelzijn

  • In deze paragraaf staat het dierenwelzijn centraal.
  • 1.1.1 Kennis van gedrag

  • Gedrag: alles wat dieren (of mensen) doen of laten. 

    Gedragsonderzoek gaat niet over karaktertrekken of gevoelens van dieren, maar over de reacties in verschillende situaties. Gedrag is een aanpassing aan de leefomstandigheden.
  • Wat is gedrag?
    Gedrag is alles wat dieren of mensen doen of laten. Het gaat hierbij niet om de gevoelens van dieren, maar om de reacties in verschillende situaties.
  • 1.1.2 Ontstaan van gedrag

  • Het paringsgedrag van dieren kent een vast patroon (balts).

    Gedrag ontstaat door inwendige en uitwendige prikkels (motiverende factoren).
    • Inwendige prikkel: prikkels van binnenuit die van invloed zijn op het gedrag, zoals hormonen en honger- en dorstgevoel.
    • Uitwendige prikkel: prikkels van buitenaf die van invloed zijn op het gedrag, zoals bewegingen, geluiden en geuren van andere dieren.
    • Drempelwaarde: de hoogte van motiverende factoren die nodig is om tot bepaald gedrag te leiden.
  • Wat zijn inwendige prikkels?
    Inwendige prikkels zijn prikkels van binnenuit die van invloed zijn op het gedrag. Denk bijvoorbeeld aan hormonen.
  • Wat zijn uitwendige prikkels?
    Uitwendige prikkels zijn prikkels van buitenaf die van invloed zijn op het gedrag. Bijvoorbeeld geluiden, geuren en bewegingen van een soortgenoot.
  • Wat is de drempelwaarde voor een bepaald gedrag?
    De drempelwaarde is de hoogte van de motiverende factoren die nodig is om tot bepaald gedrag te leiden. De drempelwaarde van de motivatie is voor elke gedragseenheid anders.
  • 1.1.3 Opbouw van gedrag

    • Gedragseenheid: een aparte handeling van gedrag.
    • Gedragsketen: een vaste volgorde van gedragseenheden. Gedragseenheden komen vaak in een bepaalde volgorde voor, waarbij de ene gedragseenheid leidt tot de volgende. 
    • Gedragssysteem: een aantal samenhangende gedragsketens. Zo bestaat het gedragssysteem eten bijvoorbeeld bestaan uit de gedragseenheden van kauwen, slikken en afbijten.
    • Gedrag: een aantal gedragssystemen samen vormen het gedrag. Bijvoorbeeld het voorplantingsgedrag bestaat o.a. uit de gedragssystemen paren, werpen, voeden en verzorgen van de jongen.
  • Zet de volgende termen in de juiste volgorde: gedragsketen, gedrag, gedragseenheid, gedragssysteem. Leg uit waarom.
    Van 'klein' naar 'groot': gedragseenheid, gedragsketen, gedragssysteem en gedrag.
    • Een gedragseenheid is een aparte handeling. (Bijv. kauwen)
    • Een gedragsketen is een vaste volorge van gedragseenheden die vaak op elkaar volgen. (Bijv. afbijten, kauwen en slikken)
    • Een gedragssyteem is een aantal samenhangende gedragsketens. (Bijv. eten)
    • Gedrag is opgebouwd uit gedragssystemen. (Bijv. het voedingsgedrag is opgebouwd uit eten, drinken en het zoeken naar voedsel)
  • 1.1.4 Natuurlijk gedrag

  • Functies van gedrag:
    - Het overleven van het individu
    • door eten, drinken, beschutting zoeken
    - Het overleven van de soort
    • door voortplanting

    Natuurlijk gedrag: gedrag dat dieren in hun natuurlijke omgeving ('in het wild') vertonen. Onderzoekers geloven dat het voor het welzijn van dieren in gevangenschap goed is om het natuurlijk gedrag te stimuleren.
  • Wat is natuurlijk gedrag?
    Natuurlijk gedrag is gedrag dat dieren in het wil vertonen.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Evolutietheorie

De bouwstenen van het leven zijn te maken uit gassen in het heelal. Primitieve cellen zijn mogelijk ontstaan uit vetblaasjes. De endosymbiosetheorie stelt dat eukaryote cellen zijn ontstaan door symbiose tussen prokaryoten. Dit is af te leiden uit de verwantschap tussen chloroplasten en fotoautotrofe cyanobacteriën en van mitochondriën met aerobe proteobacteriën.

Door middel van DNA-onderzoek is het mogelijk om soorten in te delen. Een clade bestaat uit een groep organismen met een gemeenschappelijk uniek homoloog kenmerk, inclusief een gemeenschappelijke voorouder waar ze van afstammen. Een cladogram is een evolutionaire stamboom gebaseerd op een indeling van clades. Bij co-evolutie passen soorten zich steeds aan elkaar aan.
Gene flow en founder effect

De migratie van allelen van de ene naar de andere populatie heet gene flow. Het founder effect kan optreden als gene flow naar een gesloten generatie ontbreekt.

 (eilandtheorie)
Hardy-Weinberg

Een populatie heeft een Hardy-Weinberg-evenwicht als alle genotype- en allelfrequenties iedere generatie gelijk blijft. Met de voorwaarden dat de populatie oneindig groot is, er geen natuurlijke selectie door voor- of nadelen is, geen mutaties, geen migratie en elke combinatie van partners is mogelijk en berust op toeval.

Allelfrequeties: p + q = 1

Genotypefrequeties: p2 + 2pq + q2 = 1
Ontstaan nieuwe soorten
Als een populatie door een barrière in tweeën wordt verdeeld is er een kans dat nieuwe soorten ontstaan, iedere groep gaat namelijk nu ieder zijn eigen evolutionaire weg door mutaties en natuurlijke selectie, na meerdere generaties kan het zo zijn dat individuen elkaar niet meer als soortgenoten herkennen. Het zijn aparte soorten geworden: allopathische soortvorming.
Sympatrische soortvorming: door seksuele selectie kunnen soorten ontstaan in niet gescheiden populaties.
Kunstmatige selectie: Het door de mens fokken van dieren en kweken van planten met gewenste eigenschappen.
Natuurlijke selectie
Natuurlijke selectie bestaat uit twee processen:

  1. Struggle for life’ organismen voeren in hun leefomgeving een dagelijkse strijd om te overleven
  2. Survival of the fittest ’De individuen met de eigenschappen die het gunstigst zijn hebben meer overlevingskans, de ‘fittest’ leven het langst in een populatie en krijgen de meeste nakomelingen.
Invloed van het milieu
Tweelingonderzoek levert informatie over de mate waarin een eigenschap door het genotype of milieu tot stand komt. Dit kan door te kijken naar eeneiige en twee-eiige tweelingen die samen of gescheiden zijn opgegroeid.
Elke cel heeft mechanismen die allelen activeren of juist niet: onderzoek hiernaar heet epigenetica.
DNA- en erfelijkheidsonderzoek kunnen ethische problemen opleveren over juist handelen.
Meerdere genen tegelijk

Bij een dihybride kruising kijk je hoe twee allelen van twee genen tegelijk overerven. Komt een eigenschap door meerdere genen tot stand, dan spreek je van polygene overerving. 

Genetische modificatie is de genensamenstelling van organismen kunstmatig aanpassen, gewassen worden vaak genetisch gemodificeerd voor meer opbrengst. Door het inbrengen van soortvreemde genen onstaan transgene organismen.
Speciale allelen
Het X-chromosoom bevat ongeveer 1000 genen, omdat mannen er hier maar een van hebben maakt dit ze kwetsbaar, het recessieve allel is namelijk ook altijd zichtbaar. 
Soms is de invloed van twee allelen even groot (notatie: BrBw) de allelen voor deze eigenschap erven intermediair over. Zijn er meer dan twee allelen van een gen dan is er sprake van multipele allelen. De dominante allelen uit deze groep leiden beide tot een intermediaire eigenschap en zijn co-dominant. Letale allelen zijn dodelijk als ze homozygoot voorkomen, heterozygote varianten zijn wel levensvatbaar.
Stamboomonderzoek
Door een stamboom is te achterhalen op welke manier genen overerven, uit de fenotypen kunnen genotypen vaak worden bepaald. Bij een monohybride kruising wordt er maar op de allelen van één gen gelet. Vaak is één gen recessief en een dominant, In dit geval zijn hetrozygote organismen dragers, de effecten van het recessieve allel is niet zichtbaar in dit fenotype. 
Crossing-over
Behalve door geslachtelijke voortplanting kan er ook gen variatie ontstaan door crossing-over, allelen gaan tijdens meiose van het ene naar het andere chromosoom. Dit maakt de gen-samenstelling van ieder individu uniek.