Summary Nectar : biologie.

-
ISBN-10 900132715X ISBN-13 9789001327156
343 Flashcards & Notes
37 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary 1:

  • Nectar : biologie.
  • Jan Bijsterbosch, Eduard Maier, Peter van Wijk Wim Bax van Dick Verhoef Artbox Interlink Consultants
  • 9789001327156 or 900132715X
  • 2004

Summary - Nectar : biologie.

  • 1 gedraag je (ethologie)

  • gedrag is een aanpassing van verschillende omstandigheden
  • Wat is het doel van gedrag en waardoor ontstaat het?

    Het doel is het vergroten van de overlevingskans en het ontstaat als gevolg van uitwendige en inwendige prikkels.

  • Wat is motivatie?

    De bereidheid een bepaald gedrag te vertonen.

  • Sleutelprikkel: een doorslaggevende prikkel voor een bepaald gedrag. Het moet over de drempelwaarde zijn om het gedrag uit te lokken. Is zo'n prikkel heel overdreven, dan is het een supernormale prikkel. 

  • Menselijke eigenschappen noemen we antropomorf(niet wetenschappelijk). Je kunt objectief onderzoeken, dus zonder oordeel, of je kunt subjectief onderzoeken, dus met vooroordelen(eigen mening). Een onderzoeker van diergedrag is een etholoog. 

  • Motivatie = bereidheid bepaald gedrag te vertonen.

    In/uitwendige prikkels zijn motiverende factoren. Elke prikkel verhoogt/verlaagt de motivatie, zodra de prikkels de drempelwaarde heeft bereikt, is de motivatie groot genoeg om bepaald gedrag te vertonen.

    Gedrag: alles wat dier laat of doet. Sleutelprikkels: één prikkel is al voldoende voor bepaald gedrag (zijn heel eenvoudige, enkele prikkels à inwendig).

    Supernormale prikkel: Overdreven sleutelprikkel à wordt eerder/sterker op gereageerd.

    Menselijke benadering van diergedrag is antropomorf (bijv. denken/houden van/voelen/weten/slim bron 6): mag je niet gebruiken tijdens onderzoek (niet wetenschappelijk). Een onderzoeker naar diergedrag is een etholoog.

    Gedragsketen: ketting van random achtereenvolgende gedragen, niet altijd zelfde rijtje (bijv. wakker worden, staan, aanvallen).

    Gedragseenheden: verschillende handelingen/onderdelen van gedrag/uit gedragsketen (bijv. jagen)

    Gedragssysteem: opgebouwd uit verschillende gedragseenheden à bepaalde volgordes/combinaties (bijv. vechten) Bron: 10 + 11.

    Conflictgedrag:

    1.      Ambivalent gedrag à twijfel à steeds stukje van een ander gedragssysteem laten zien: (tanden laten zien/rustig gaan zitten).

    2.      Overspronggedrag: wanneer een dier een vreemde gedragseenheid vertoont binnen een heersend gedragssysteem (poot likken (hygiëne) terwijl hij agressief is).

    3.       Omgericht gedrag à wél in gedragssysteem maar tegen de verkeerd persoon gericht.

    Ritueel: en serie gedragseenheden die van te voren vaststaat. Wordt alleen door soortgenoten herkend. Speciale vorm hiervan is baltsgedrag.   

    Soms is gedrag aangeboren (voorgeprogrammeerd, moeilijk te veranderen) of aangeleerd (verfijning van het gedrag door imitatie of overleven).

    Verschillende manieren van aanleren bij dieren:

    -        Inprenting (goed onthouden): kan alleen in de gevoelige periode van het dier.

    -        Motorisch leren: gebeurt door te oefenen, pas in bepaalde periode bijv. lopen

    -        Gewenning:  ergens aan wennen (bijv. omgaan met warmte en kou).

    -        Imitatie: andere nadoen.

    -        Klassieke conditionering: vorm van leren waarbij een toevallige prikkel wordt gekoppeld aan een prikkel die aan begin staat van bekende gedragsketen à Pavlov.

    -        Trial and error: Als iets per ongeluk lukt, dan zal in vergelijkbare situatie dat gedrag wederom vertoond worden.

    -        Operante conditionering: leren van een bepaald gedrag door een beloning/straf.

    -        Inzicht:  iets meteen ‘snappen’ en dus juiste gedrag vertonen (moeilijkste).

  • 1.1 geprikkeld gedrag

  • Hoe worden de inwendige en uitwendige prikkels ook wel genoemd ?

    De motiverende factoren

  • Ethologie
    Natuurwetenschappelijke studie van het gedrag = gedragsleer, waarbij de relatie tussen stimulus en respons bij diersoorten wordt onderzocht.
  • Hoe heten inwendige en uitwendige prikkels die een rol spelen bij het tonen van een bepaald gedrag?
    Motiverende factoren
  • Waar uit wordt gedrag opgebouwd?

    Door ´blokjes´met  prikkels die op een drempelwaarde  de motivatie voor het gedrag vertonen

  • Antropomorfisme
    Het toeschrijven van menselijke gevoelens en beweegredenen aan dieren.
  • gedrag is alles wat een dier doet of laat. gedrag is gericht op de vergroting van de overlevingskans (functie) en ontstaat als gevolg van uitwendige en inwendige prikkels (oorzaak). Motivatie is de bereidheid een bepaald gedrag te vertonen.
  • Wat is gedrag ?

    Alles wat men doet of laat

  • Gedrag
    Alle waarneembare activiteiten van een dier of een mens. Gedragingen komen tot stand door de werking van spieren of klieren (effectoren). Gedrag is een reactie (respons) van een dier of een mens op prikkels. Gedrag wordt bepaald door erfelijke factoren en leerprocessen.
  • Waar is gedrag voor bedoelt bij een dier ?

    Vergroting overlevingskans

  • Drempelwaarde
    Minimale sterkte van een prikkel die effect heeft.
  • Wat is een sleutelprikkel ?

    Een doorslaggevende uitwendige prikkel die een bepaald gedrag veroorzaakt

  • Altruïstisch gedrag
    Gedrag waarbij de overlevingskansen van 1 of meer soortgenoten wordt vergroot ten koste van de eigen overlevingskansen.
  • Wat is overdreven prikkel ?

     

    Is een supernormale prikkel

  • Ethogram
    Een objectieve beschrijving van verschillende typen handelingen van een diersoort.
  • Inwendige factoren
    Motiverende factoren bepalen de kans dat een bepaald gedrag wordt uitgevoerd: honger/dorst.
  • Motivatie (drang)
    Gedrag wordt veroorzaakt door inwendige en uitwendige factoren. De bereidheid tot het verrichten van een bepaald gedrag. De motivatie wordt beïnvloed door het hormoonstelsel en het zenuwstelsel en door abiotische factoren als temperatuur.
  • Sleutelprikkel
    Prikkel die een doorslaggevende rol speelt bij het veroorzaken van een bepaald gedrag.
  • Stimulus
    Prikkel waarop een respons kan volgen.
  • Respons
    Reactie van spieren of klieren.
  • Supranormale/supernormale prikkel
    Prikkel die effectiever is bij het veroorzaken van een bepaald gedrag dan de normale sleutelprikkel.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary 2:

  • Nectar : biologie.
  • Jan Bijsterbosch Jan Bijsterbosch van Dick Verhoef Artbox Interlink groep
  • 9789001327866 or 9001327869
  • 2004

Summary - Nectar : biologie.

  • 1 Biologie overal

  • Wat zijn de 6 levenskenmerken?

    - Zijn gebouwd uit 1 of meer cellen;

    - Groeien, celdeling speelt daarbij een rol;

    - Voortplanten, vaak met speciale geslachtscellen;

    - Eigenschappen vastgelegd in erfelijk materiaal in de celkern: het DNA;

    - Vertonen stofwisseling, nemen voortdurend stoffen op, zetten deze om in andere stoffen en geven stoffen af;

    - Kunnen verandering in hun omgeving waarnemen en erop reageren.

  • Wat zijn de 6 levenskenmerken?

    - Zijn gebouwd uit 1 of meer cellen;

    - Groeien, celdeling speelt daarbij een rol;

    - Voortplanten, vaak met speciale geslachtscellen;

    - Eigenschappen vastgelegd in erfelijk materiaal in de celkern: het DNA;

    - Vertonen stofwisseling, nemen voortdurend stoffen op, zetten deze om in andere stoffen en geven stoffen af;

    - Kunnen verandering in hun omgeving waarnemen en erop reageren.

     

    Soorten:

    - Veel overeenkomstige kenmerken;

    - Onderling voortplanten;

    - Vruchtbare nakomelingen.

     

    Populatie: Organismen van een soort in een bepaald gebied.

    Relaties tussen populaties: competitie, symbiose, predatie en voortplantingsrelaties.

    Relaties binnen populaties: competitie, samenwerking en voortplantingsrelaties.

     

    Voorste naam= geslachtsnaam (hoofdletter)

    Achterste naam= soortaanduiding(kleine letter)

     

    De vier rijken: planten, dieren, schimmels en bacterien.

  • 1.1 Moeraseilanden en vetbollen

  • Noem een paar biotische factoren
    dieren, planten, schimmels, bacteriën
  • Wat is een ecosysteem?

    Een ecosysteem in een stad is de relatie tussen organismen die daar leven en de levenloze natuur.

  • Noem een paar abiotische factoren
    temperatuur, licht, neerslag

  • Wat is een ecosysteem?
    Een afgebakend gebied gevormd door plaatselijke abiotische en biotische factoren.
  • Wat is het verschil tussen biotische en abiotische factoren?

    biotische factoren zijn mensen, dieren, planten en bacteriën. Abiotische factoren zijn bijvoorbeeld temperatuur, neerslag en wind. 

  • Noem 2 voorbeelden van een ecosysteem
    stad, park

  • Wat is biodiversiteit?
    Verschillende levensvormen in een ecosysteem.
  • Wat is een ecosysteem?
    Alle biotische en abiotische invloeden in een bepaald gebied
  • Wat is biodiversiteit?
    Alle levensvormen binnen een bepaald gebied
  • 1.2 Geef het beestje een naam

  • Noem 8 levenskenmerken van organismen

    opgebouwd uit 1 of meer cellen, groeien, stofwisseling, voortplanten, erfelijk materiaal in celkern, verandering in omgeving waarnemen en erop reageren

  • Noem de levenskenmerken van organismen

    opgebouwd uit 1 of meer cellen, groeien, stofwisseling, voortplanten, erfelijk materiaal in celkern, verandering in omgeving waarnemen en erop reageren

  • Wat zijn de 6 levenskenmerken van een organisme?

    1: Organismen groeien. 2: Organismen bestaan uit één of meerdere cellen. 3: De eigenschappen van een organisme zijn vastgelegd in erfelijk materiaal, DNA. 4: Organismen kunnen veranderingen in hun omgeving waarnemen en erop reageren. 5: Organismen kunnen zich voortplanten. 6: Organismen vertonen stofwisseling.

  • Wanneer horen organismen tot dezelfde soort?
    als ze veel overeenkomstige kenmerken hebben
  • Wat is een soort?

    Organismen met vergelijkbare kenmerken die vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen.

  • Wanneer horen organismen tot een populatie?
    Als alle organismen van dezelfde soort in een bepaald gebied samen leven
  • Wat is een populatie?

    Een groep soortgenoten in een bepaald gebied.

Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary 3:

  • Nectar : biologie.
  • Jan Bijsterbosch, Eduard Maier, Peter van Wijk Pieter Biezenaar van Pieter Biezenaar Artbox Interlink Groep
  • 9789001327880 or 9001327885
  • 2005

Summary - Nectar : biologie.

  • 1 12 Aanpassen of verdwijnen

  • Wat zijn de vier Rijken?

    planten, dieren, schimmels, bacteriën 

  • Wat is de definitie van een soort?

    als twee individuen gelijke eigenschappen hebben en samen vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen.

  • 1.1 12.1 Soort zoekt soort

  • Recombinatie, crossing-over en mutaties zijn alle drie verantwoordelijk voor...

    Recombinatie

  • wat is een soort?

    een individu van verschillende sekse behoren tot dezelfde soort als ze vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen. 

  • Alle organisme zijn in te delen in een hiërarchisch systeem. Een eenheid in dat systeem heet een taxon. Het hoogste niveau in een systeem is een rijk. Er zijn vier rijken: Planten, dieren, schimmels en bacteriën. Alle soorten in één rijk hebben overeenkomstige celbouw. Zie mindmap.

  • wat is een populatie? 

    als er van 1 soort een groep in een bepaalde leefomgeving leven

  • Individuen behoren tot dezelfde soort als ze dezelfde kenmerken hebben en als ze samen vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen.

  • wat houd het in als je een koudbloedig dier bent?

    deze dieren nemen de temperatuur van de omgeving aan. 

  • Alle individuen van een bepaalde soort in een bepaald gebied heet de populatie of voortplantingsgroep. Individuen uit een populatie kruisen vaker met elkaar dan individuen uit een andere populatie. Groepen individuen met een homozygoot verschil in erfelijke aanleg voor bepaalde allelen heten variëteiten of rassen.

  • wat is seksuele isolatie?

    een organisme die een onherkenbaar uiterlijk heeft en dit invloed heeft op de voorplanting

  • Autotroof betekend zelf voedend
    Heterotroof betekend niet zelf voedend

  • wat is een mutatie?

    een verandering in de genen. 

     

  • Met de biosfeer bedoelen we de ruimte in, op en om de aarde waarin zich leven bevindt.

  • wat is een biotoop?

    alle organismen samen met de leefomgeving 

  • Virussen vallen buiten dit systeem. Zij hebben geen eigen cel maar dringen een gastheercel binnen. Virussen zijn cel parasieten.

  • wat is een habitat? 

    de leefplek, waar de niche zich afspeelt. 

  • wat is een niche?

    de rol van het dier op de leefplek(habitat)

  • wat is je territorium? wat is jou territorium?

    een plek die helemaal van jezelf is, je kamer

  • wat is succesie?

    opvolging van ander leven op dat stuk gebied, begin: pionierstadium tot einde: climaxstadium

  • wat gebeurd/is er in een pionierstadium?

    pioniers zijn de grondleggers in een gebied, de eerste plantjes daar. ze veranderen de situatie voor de opvolgers.

  • wat is het climaxstadium?

    eindstadium

  • 1.2 12.2 Een soort staat niet stil

  • Bij de survival of the fittest hebben we het over individuen die het beter doen en overleven in bepaalde omstandigheden. Deze individuen zullen hun gunstige eigenschappen daarvoor doorgeven aan de volgende generatie. De eenvoudigste vorm van natuurlijke selectie is die door abiotische factoren zoals temperatuur, vochtigheid en zuurgraad. Met adaptatie bedoelen we de aanpassing aan milieu omstandigheden van een soort. Binnen een soort zijn er verschillen in tolerantiegrenzen.

  • Verandering van een soort ontstaat door..

    Milieuverandering, isolatie van een populatie en mutaties.

  • hoe heet het als een soort zich aanpast aan de heersende omgeving?
    adaptatie

  • Binnen een soort heb je erfelijke variaties. Soorten kunnen veranderen in tijd, dit noemen we evolutie. Evolutie ontstaat door natuurlijke selectie.

  • wat zijn abiotische factoren? 
    factoren temperatuur, vochtigheid, zuurgraad. 
  • wat zijn tolerantiegrenzen?
    grenzen in een bepaalde omstandigheden, soorten hebben vaak een tolerantiegebied. dit geeft aan bij welke factor ze goed kunnen overleven
  • wat houdt 'isolatie' in? 
    als een soort wordt gescheiden door iets en ze dus in verschillende leefomstandigheden terechtkomen en andere allelen worden ge-uit. 
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Hoe heten inwendige en uitwendige prikkels die een rol spelen bij het tonen van een bepaald gedrag?
Motiverende factoren
Supranormale/supernormale prikkel
Prikkel die effectiever is bij het veroorzaken van een bepaald gedrag dan de normale sleutelprikkel.
Respons
Reactie van spieren of klieren.
Stimulus
Prikkel waarop een respons kan volgen.
Sleutelprikkel
Prikkel die een doorslaggevende rol speelt bij het veroorzaken van een bepaald gedrag.
Motivatie (drang)
Gedrag wordt veroorzaakt door inwendige en uitwendige factoren. De bereidheid tot het verrichten van een bepaald gedrag. De motivatie wordt beïnvloed door het hormoonstelsel en het zenuwstelsel en door abiotische factoren als temperatuur.
Inwendige factoren
Motiverende factoren bepalen de kans dat een bepaald gedrag wordt uitgevoerd: honger/dorst.
Ethogram
Een objectieve beschrijving van verschillende typen handelingen van een diersoort.
Altruïstisch gedrag
Gedrag waarbij de overlevingskansen van 1 of meer soortgenoten wordt vergroot ten koste van de eigen overlevingskansen.
Drempelwaarde
Minimale sterkte van een prikkel die effect heeft.