Summary Nederlands

-
232 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Nederlands

  • 1 Nederlands

  • Aanvankelijk lezen
    De fase in het leesonderwijs waarin de kinderen de letters aanleren en eenvoudige woorden hardop kunnen lezen. Voor de meeste kinderen speelt het aanvankelijk lezen zich af in groep 3.
  • Achtervoegsel
    Een gebonden morfeem dat achteraan in een woord voorkomt.

    Bijvoorbeeld -ig of -en
  • Actieve woordenschat
    De woorden die je gebruikt om met anderen te communiceren, ook wel actieve woordenschat genoemd
  • Afleiding
    Een woord waarvan niet alle delen als zelfstandig woord kunnen voorkomen. Bij een afleiding wordt een gebonden morfeem (een voorvoegsel of achtervoegsel) toegevoegd aan een woord, zodat er een nieuw woord ontstaat. 

    Bijvoorbeeld nattig
  • Akoestische identiteit
    De klank van een woord, zoals die ligt opgeslagen in het woordgeheugen.
  • Alfabetisch schriftsysteem
    Schriftsysteem waarbij taal wordt weergegeven door de afzonderlijke spraakklanken van een woord te noteren.
  • Amuseren
    Spreekdoel / tekstdoel waarbij de spreker / schrijver het doel heeft om de toehoorder te vermaken, te boeien of te ontroeren.
  • Analogiestrategie
    Spellingstrategie waarbij een woord geschreven wordt door het te vergelijken met een ander woord.
  • Analyseren
    Taalbeschouwingsstrategie waarbij een woord, een in of een tekst uit elkaar gehaald wordt in onderdelen, in losse elementen
  • Analyseren van een woord
    Woordleerstrategie waarbij je achter de betekenis van een woord komt door het te analyseren in bekende woorden of door te letten op bekende voorvoegsels of achtervoegsels
  • Antoniemen
    Woorden met een tegengestelde betekenis
  • Argumentatieve tekst
    Tekstsoort waarin de schrijver de lezer probeert te overtuigen van zijn standpunt
  • Articulatorische identiteit
    De uitspraak van een woord, zoals die ligt opgeslagen in een woordgeheugen
  • Auditieve analyse
    De vaardigheid om in een woord afzonderlijke fonemen te onderscheiden. Ook het herkennen van afzonderlijke woorden in een zin en klankstukken in een woord rekenen we tot de auditieve analyse
  • Auditieve discriminatie
    De vaardigheid om overeenkomsten en verschillen tussen klanken of woorden te kunnen vaststellen
  • Auditieve objectivatie
    De vaardigheid om te reflecteren op de klankvorm van een woord en niet op de betekenis
  • Auditieve synthese
    De vaardigheid om losse klanken samen te voegen tot een woord
  • Auditieve vaardigheden
    Vaardigheden die betrekken hebben op het horen. Ze spelen een rol bij het aanvankelijk lezen en spellen. We kennen de volgende auditieve vaardigheden: 
    - auditieve objectivatie
    - auditieve discriminatie
    - auditieve analyse
    - auditieve synthese
    - temporeel ordenen
    - klankpositie bepalen
  • Beginnende geletterdheid
    De ontwikkeling van de geletterdheid in de groepen 1 tot en met 3 van de basisschool
  • Begrijpend lezen
    Domein van het taalonderwijs waarbij het gaat om het begrijpen van de tekst en het achterhalen van de bedoeling
  • Begrijpend luisteren
    Een luisterstrategie waarbij je globaal de spreker probeert te volgen. Je volgt de lijn van een betoog en let minder op de details. 

    Meestal wordt de term gebruikt in de kleutergroepen als tegenhanger voor begrijpend lezen
  • Beoordelen van teksten op hun waarde
    Strategie voor begrijpend lezen waarbij de lezer antwoord geeft op vragen als: 
    - wat vind ik van deze tekst?
    - wat heb ik aan deze tekst?
  • Beoordelingscriteria jeugdliteratuur
    De criteria op grond waarvan boeken voor kinderen worden beoordeeld. Belangrijke criteria zijn: 
    - literaire criteria
    - pedagogische criteria
    - ideologische criteria
  • Bepalen doel, publiek en tekstsoort
    Stelvaardigheid waarbij een schrijver van tevoren nagaat wat hij met zijn tekst wil bereiken, voor wie de tekst bestemd is en daar een passende tekstsoort bij kiest
  • Bepalen leesdoel
    Strategie voor begrijpend lezen waarbij de lezer zich van tevoren afvraagt met welke bedoeling hij een tekst gaat lezen
  • Beschouwende tekst
    Tekstsoort die gaat over wat iemand vindt van iets uit de werkelijkheid. De mening van de schrijver is van belang
  • Betoogstructuur
    Een tekststructuur waarin een mening of standpunt wordt ondersteund met argumenten
  • Bottum-upmodel
    Theorie over het verloop van het leesproces die ervan uitgaat dat een lezer begint met het waarnemen op het meest elementaire niveaus, dat van de letters, en vervolgens de hogere niveaus waarneemt van de woorden en de zinnen in een tekst
  • Brabbelen
    Fase in de prelinguale periode waarin de baby klankgroepen produceert zoals dadada, bababa, mamama en waarbij de klanken worden aangepast aan de moedertaal
  • Categoriseren
    Principe voor woordenschatverwerving dat kinderen gebruiken voor het leren van woorden. Bij categoriseren combineer je betekenissen met elkaar en breng je woorden onder bij overkoepelende begrippen
  • Classificeren
    Taalbeschouwingsstrategie waarbij taalverschijnselen worden ingedeeld in een bepaalde (grammaticale) klasse
  • Coderen
    Aspect van de stelvaardigheid formuleren, waarbij het gaat om het correct toepassen van taalregels
  • Cognitie
    Principe van informatieverwerking waarbij het gaat om de manier waarop onze hersenen nieuwe informatie koppelen aan bestaande kennis. Het speelt een rol bij begrijpend lezen
  • Cognitieve Academische Taalvaardigheid (CAT)
    Het abstracte taalgebruik, zowel in geschreven als in gesproken vorm die je nodig hebt om op school nieuwe informatie te leren
  • Cognitieve functie / conceptualiserende functie
    De functie van de taal waarbij het gaat om het gebruik van de taal als een hulpmiddel om gedachten te ordenen en greep te krijgen op de werkelijkheid. Er zijn drie cognitieve / conceptualiserende functies: 
    - rapporteren
    - redeneren
    - projecteren
  • Communicatieve / sociale functie
    De functie van taal waarbij het gaat om het gebruik van de taal als communicatiemiddel. Ook wel sociale functie genoemd. Er zijn vier communicatieve of sociale functies van de taal: 
    - zelfhandhaving
    - zelfsturing
    - sturing van anderen
    - structurering van het gesprek
  • Creatieve constructie theorie / mentalisme
    Theorie over het ontstaan van taal, waarbij men ervan uitgaat dat kinderen taal niet simpelweg imiteren, maar zelf over een aangeboren taalvermogen beschikken waarmee ze op een creatieve manier zinnen kunnen bouwen.Ook wel mentalisme genoemd
  • Dagelijkse Algemene Taalvaardigheid (DAT)
    Het taalgebruik voor de dagelijkse omgang in tegenstelling tot de CAT
  • Denkend schrijven
    Een schrijfstrategie waarbij de schrijver de opdracht analyseert en vertaalt in één of meer problemen. Hij denkt na over de doelstelling en het publiek en gat na wat hij al weet van het onderwerp. Tijdens het schrijven brengt hij steeds veranderingen, wijzigingen, aanvullingen en verbeteringen in de tekst aan. De verbeteringen hebben betrekking op alle aspecten van een tekst: 
    - inhoud
    - structuur
    - taalgebruik
    - spelling
  • Dialect
    Een variant van een taal die in een bepaalde regio gesproken wordt
  • Diepe woordkennis
    Woordenschatuitbreiding waarbij de betekenis van de woorden die kinderen al kennen steeds verder wordt uitgediept
  • Differentiatiefase
    De periode in de taalontwikkeling die loopt van 2.5 jaar tot 5 jaar waarin de taalontwikkeling op alle niveaus van de taal veel gedifferentieerder wordt. Kinderen leren veel nieuwe woordsoorten en de woordenschat breidt zich sterk uit.
  • Directe spellingsstrategie
    Spellingstrategie waarbij het schrijven van woorden geautomatiseerd verloopt, zonder dat regels of vergelijkingen hoeven worden toegepast
  • Directe woordherkenning / lezen met behulp van visuele woordvorm
    Strategie voor technisch lezen, waarbij de lezer een woord herkent aan bepaalde specifieke kenmerken, zoals de volgorde van bepaalde letters
  • Directieve tekst
    Tekstsoort waarin een bepaalde handeling of procedure wordt weergegeven
  • Dyslexie
    De Gezondheidsraad spreekt van dyslexie als 'de automatisering van de woordidentificatie (lezen) en/of schriftbeeldvorming (spellen) zich niet, dan wel zeer onvolledig of moeizaam ontwikkelt'
  • Eénwoordzin
    De fase in de vroeglinguale periode, waarin een kind ontdekt dat woorden verwijzen naar de werkelijkheid. Een kind spreekt in zinnen van één woord
  • Elementaire leeshandeling
    Strategie voor technisch lezen, waarbij de lezer de afzonderlijke grafemen verklankt en vervolgens samenvoegt tot een woord. De elementaire leeshandeling bestaat uit drie stappen: 
    - het van links naar rechts koppelen van fonemen aan grafemen
    - auditieve synthese
    - betekenis geven
  • Elementaire spellinghandeling
    Spellingstrategie waarbij een woord wordt opgesplitst in fonemen en voor elk foneem het juiste grafeem wordt geschreven. De elementaire leeshandeling bestaat uit de volgende stappen:
    - auditieve analyse
    - onthouden van de volgorde van fonemen
    - koppeling van foneem aan grafeem
  • Etymologisch principe
    Principe van de Nederlandse spelling. Het houdt in dat de herkomst bepalend is voor de schrijfwijze van een woord of spraakklank. Het geldt voor veel leenwoorden en bij woorden ei/ij en au/ou.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Zinsontleden
Onderdeel van de syntaxis waarbij van elk zinsdeel de functie in de zin wordt aangegeven. 
Voorbeelden: onderwerp - meewerkend voorwerp
Zinsmelodie
Voordrachtsaspect van het technisch lezen waarbij de lezer op een goede manier het verloop in toonhoogte in een zin laat horen
Zelfsturing
Een sociale of communicatieve taalfunctie waarbij de spreker met woorden zijn handelen ordent of plannen aankondigt
Zelfhandhaving
Een sociale of communicatieve taalfunctie waarbij de spreker zichzelf beschermt of verdedigt
Zelf stellen en beantwoorden van vragen
Strategie voor begrijpend lezen waarbij de lezer op grond van zijn voorkennis of leesdoel gerichte vragen stelt bij de te lezen tekst en tijdens het lezen zoekt naar antwoorden op de vragen
Woordleerstrategie
Werkwijze die bewust worden ingezet om de betekenis van woorden te achterhalen. We kennen de volgende woordleerstrategieën: 
- analyseren van een woord
- gebruik maken van de (verbale en non-verbale) context
- gebruikmaken van een bron in de eerste of de tweede taal
- letten op overeenkomsten tussen eerste en tweede taal
Woordenschat
Het domein van het taalonderwijs waarbij het gaat om het aanleren van de betekenis van nieuwe woorden, uitdrukkingen, zegswijzen en spreekwoorden. ook worden er strategieën aangeleerd om achter de betekenis van onbekende woorden te komen
Woordbenoemen
Onderdeel van de syntaxis waarbij van de afzonderlijke woorden in een zin nagegaan wordt tot welke woordsoort ze behoren. In de grammatica onderscheidt men traditioneel tien woordsoorten. 
Voorbeelden: zelfstandig naamwoord / telwoord
Woordbeeldstrategie
Spellingstrategie waarbij een woord wordt geschreven vanuit het woordgeheugen. Ook wel visuele strategie genoemd. Wordt het gebruikt voor woorden waarvan de spelling niet te beredeneren is
Vroeglinguale periode
De periode in de taalontwikkeling die loopt van 1 tot 2,5 jaar en bestaat uit de fasen van de eenwoordzin, de tweewoordzin en de meerwoordszin