Summary Nederlands

-
148 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Nederlands

  • 1 Hoofdstuk 1

  • 1. leerinhoud
    Houdt in wat de leerling moet weten. Zijn kerndoelen en tussendoelen.
  • 3. fundament
    Voor elk domein heb je bepaalde achtergrondkennis nodig. Het fundament is deze achtergrondkennis.
  • Homoniem
    Woorden die hetzelfde klinken maar iets anders beteken. Vb. bank - bank.
  • Literair staat in 'literaire genres' voor: alle teksten die geschikt zijn voor de basisschool.
  • Je kunt jeugdliteratuur indelen op basis van:
    1. Thema
    2. Doelstelling
    3. Vorm
    4. Woord en beeld
  • De criteria op grond waarvan leesboeken voor de jeugd worden beoordeeld zijn afhankelijk van de visie op jeugdliteratuur. Je kunt ze beoordelen op:
    - Literair oordeel (inhoud, schrijfwijze, stijl)
    - Pedagogisch oordeel (je kijkt naar wat het boek doet met het kind en de ontwikkeling)
    - Ideologisch oordeel (sluit het aan bij onze normen en waarden?)
  • Een tekst heeft bepaalde kenmerken. Ze spelen een rol bij lezen, begrijpen en schrijven van een tekst en zijn bepalend voor de moeilijkheidsgraad van de tekst:
    - Inhoud
    - Structuur
    - Taalgebruik
    - Bedoeling
  • Zelfreflectiestrategie
    Het nadenken en bewust worden van het eigen leesgedrag. Je gaat je eigen leesgedrag sturen, controleren en evalueren.
  • 2 Hoofdstuk 2

  • Noem drie redenen waarom taalonderwijs van belang is:
    1. Schriftelijke taalvaardigheid ontwikkeld niet spontaan.
    2. Niet iedereen kan zichzelf bepaald taalniveau aanleren
    3. Bepaalde taalvormen leer je door taalonderwijs.
  • Noem de drie functies van taal:
    1. Communicatieve of sociale functie.
    2. Conceptualiserende of cognitieve functie
    3. Expressieve functie
  • Wat betekent de conceptualiserende functie van taal?
    Taal als hulpmiddel om gedachten te ordenen en greep te krijgen op de werkelijkheid.
  • Vaktaalwoorden
    Begrippen die specifiek zijn voor een bepaald vakgebied zoals aardrijkskunde (vulkanisme) of taalonderwijs (persoonsvorm).
  • Schooltaalwoorden
    Schooltaalwoorden zijn abstractere begrippen die leerlingen moeten kennen om goed onderwijs te kunnen volgen (voorbeelden: oorzaak, gevolg, functie en thema).
  • Signaalwoorden
    Woorden die de lezer informatie geven over relaties in een tekst.
  • Zelfhandhaving (sociale functie van taal)
    Zichzelf verdedigen of bezit beschermen. Bv. Die had ik!
  • Zelfsturing (sociale functie van taal).
    Handeling verwoorden + plannen aankondigen. Bv. dan ga ik eerst naar de bakker en dan naar de supermarkt.
  • Sturing van anderen (sociale functie van taal)
    Gedrag van anderen beïnvloeden. Bijv. Zullen we gaan zwemmen?
  • Structurering van het gesprek (sociale functie van taal)
    Gespreksverloop beïnvloeden met taal. Bv. Mag ik even wat zeggen?
  • Rapporteren (cognitieve functie van taal)
    Je hebt iets meegemaakt of gezien en je verteld erover. > bv. benoemen/etiketteren, beschrijven, vergelijken.
  • Redeneren (cognitieve functie van taal)
    Bewerken van de gebeurtenis door een extra denkstap in te bouwen. Bv. chronologisch ordenen, concluderen of middel-doel relatie leggen.
  • Projecteren
    Proberen te verplaatsen in de gedachten en gevoelens van iemand anders. Bv. Esra heeft geen zin om te spelen. Ze is verdrietig want haar konijn is dood.
  • Welke denkstappen volg je bij het voorbereiden en uitvoeren van mondeling presenteren?
    - Oriëntatie op de inhoud
    - Doel en publiek bepalen
    - Plannen presenteren
    - Reflecteren op doel en inhoud
    > Dit zijn dezelfde stappen als bij het voorbereiden en produceren van een schriftelijke tekst. Deze stappen hoeven niet noodzakelijk op deze volgorde.
  • Geletterdheid is de vaardigheid in?
    Lezen en schrijven

    3 verschillende:
    Ontluikende 0-4 jaar.
    Beginnende Groep 1, 2, 3.
    Gevorderde geletterdheid Groep 4, 5, 6, 7, 8.
  • Geletterheid is ook kunnen omgaan met informatie
    X
  • Taal heeft verschillende functies; je kunt via taal contact onderhouden met anderen (communicatieve functie), grip krijgen op hoe de wereld in elkaar steekt (conceptualiseren de functie) en jezelf uitdrukken (expressieve functie).
    Hiernaast heeft taal een betekenis en kun je het in een systeem plaatsen.
  • Het communicatie model van Schulz
    Bij communicatie is er sprake van een zender, boodschap en een ontvanger. Daarnaast vindt communicatie altijd plaats in een context. In bepaalde situaties geeft de ontvanger feedback. Dat is de reactie van de ontvanger op de boodschap van de zender.
  • Vijf eisen waar schriftelijk communicatie aan moet voldoen:
    - duidelijk - efficiënt - gepast - aantrekkelijk -correct
  • Pragmatiek?
    Hoe komt het dat de ene boodschap effectiever is dan de andere? Onderzoek naar taaluitlatingen in de praktijk gebruikt worden. Wat bedoeld iemand eigenlijk met de vraag ''Ben je niet moe?'' Ga toch slapen of ga naar huis?
  • Hoe meer concepten,
    Hoe meer je dingen kan plaatsen en dus kan begrijpen. DIT IS DE CONCEPTUALISERENDE FUNCTIE VAN TAAL.
  • Taal is een expressie middel
    Taal helpt je gevoelens te uiten.
  • Metalinguistische functie van taal
    Het vermogen over eigenschappen en gebruik van taal te denken.
     VB. Zelfstandignaamwoord etc.
  • Semantiek (Semantisch aspect)
    Taal verwijst ergens naar de werkelijkheid die buiten de taal ligt.
    De leer van de betekenis van woorden.
  • Een woord kun je opsplitsen in een klankvorm en een concept/label.
    De afgesproken klankvorm voor stoel is stoel. In het engels is de klank vorm chair. Voor deze mensen is de klankvorm anders maar het concept hetzelfde namelijk stoel.
  • Concreet en abstracte woorden
    Verschil zit hem in bij concrete woorden kun je je zintuigen gebruiken. Zien, horen proeven ruiken. Bijvoorbeeld een hond.

    Abstract: Kan dit niet. Bijvoorbeeld het woord Haat. Dit kun je niet zien ruiken etc.
  • Detonatie
    De betekenis volgens het woordenboek.
  • Connotatie
    Bijbetekenis. FIETS en Rijwiel zijn hetzelfde, maar beide woorden geven je een ander gevoel.
  • Antecedent =
    Dat gene waarnaar verwezen wordt in de zin. 
    Peter heeft een nieuwe baan, dus hij is erg druk. 
    Als je het eerste deel vd zin niet gehoord hebt weet je niet wie er druk is. Wie is druk? Peter.

    VB:
  • Soms hebben woorden meer dan 1 betekenis.
    Polysemie.
    Homoniem:
    Ik heb geen geld meer in mijn portemonnee, hij heeft het geld niet voor zo'n huis, vroeger had je in bijna elk europees land ander geld.
    3 verschillende betekenissen van het woord geld. 

    Bank (om op te zitten) en Bank (om geld te storten.
  • Synoniem
    Woorden die hetzelfde betekenen maar een andere klank hebben.
    Fiets en rijwiel.
  • Antoniem
    Woorden die elkaars tegengestelde zijn.
    Binnen buiten, lang en kort.
  • Hyperoniem= koepelwoord = meubels
    Hyponiem= onderdeel van een verzameling= tafel en stoel.
    .
  • Fonologie = Klankleer
    denk aan grafisch - grafemen - hoe je het schrijft
    denk aan (tele)foon- fonemen - hoe het klinkt
  •  Fonologie= uitspraak
    Morfologie= opbouw van woorden
    Syntaxis = opbouw van zinnen
    Semantiek = woordbetekenis
    Fragmatiek = wanneer het woord gebruikt
    Orthografie = spelling
    .
  • Fonologie
     In het Nederlands zijn er iets meer dan 40 fonemen. Daarmee kunnen we alle woorden maken. De fonemen onderscheiden we in: - Klinkers - Tweeklanken (of diftongen) - Medeklinkers (of consonanten)
  • Morfologie
    Houd zich bezig met woordleer. De benoeming van woorden en in woordsoorten wordt ook wel taalkundige ontleding genoemd.

    Zelfstandig naamwoord, bijvoegelijk naamwoord etc.
  • Vrije morfemen zijn onderdelen van een woord die zelfstandig in een zin te gebruiken zijn. Voorbeelden hiervan zijn: 'bos' en 'deur'.
    .
  • Gebonden morfemen zijn onderdelen die niet zelfstandig kunnen voorkomen zoals tuinTJE.
    .
  • Afleidingen zijn woorden die bestaan uit een woord met een affix = een aanplaksel.
    Prefix = Wanneer dit aanplaksel voor het woord staat.
    GEwennen, BErijden, BEspreken etc.
    Suffix = Wanneer dit aanplaksel achter het woord staat. 
    lekKAGE, kunstENAAR, kindJE
  • Syntaxis (klinkt als zin) = Zinsleer.
    ZINSONTLEDING = REDEKUNDIG ONTLEDEN.

    Onderwerp
    Persoonsvorm
    Gezegde
    Lijdend voorwerp
    Meewerkend voorwerp
    Voorzetselvoorwerp
    Oorzakelijk voorwerp
    Bijwoordelijk gezegde.
  • Tekstlinguistiek = tekstleer. Soorten teksten.
    Een verzameling van zinnen noemen we een tekst. Voor de opbouw van een tekst gelden regels. Inleiding, kern en alinea's.

    Je maakt onderscheid tussen cohesie en adhesie.
    Cohesie = de syntactische samenhang van teksten.
    Hierbij let je bijvoorbeeld op verwijswoorden

    Coherentie = gaat om de inhoudelijke samenhang. 
    VB: Wat regent het toch weer vandaag!
    Ik ga vandaag niet sporten.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.