Summary Neuropsychologische behandeling

-
ISBN-10 9085064341 ISBN-13 9789085064343
185 Flashcards & Notes
8 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Neuropsychologische behandeling". The author(s) of the book is/are Rudolf Ponds ( ). The ISBN of the book is 9789085064343 or 9085064341. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Neuropsychologische behandeling

  • 1 Algemene Inleiding

  • Het is nu nog niet mogelijk alle behandelingen om te zetten in 'evidence-based clinical practice' en dus zal vooreerst moeten worden volstaan met veel behandelingen die 'best clinical practice' zijn. 
  • Noem vragen die een neuropsycholoog gesteld kan worden door pt. of andere disciplines
    1. Zelfstandig wonen
    2. Schoolopleiding voortzetten
    3. Kan iemand aan het werk
    4. Invloed op sociale relaties en gezinsleven
    5. Is er behandeling mogelijk?
    6. Wanneer behandeling niet mogelijk is, op welke wijze ondervindt pt. zo min mogelijk hinder van gevolg cognitieve stoornissen?
  • Zorgmiddelen zijn schaars, waardoor keuzes gemaakt moeten worden in het behandelaanbod. Daarbij wordt steeds nadrukkelijker gekeken naar kosteneffectiviteit: hoe verhoudt zich de opbrengst van de behandeling (minder klachten, beter functioneren) tot de gemaakte kosten en inspanningen?
  • Wat is een probleem ten aanzien van de effectiviteit van interventies voor bijvoorbeeld visueel neglect of verbale geheugenstoornissen?
    Er wordt een trainingseffect gevonden voor deze interventies, echter blijft onduidelijk of de pt. hier in het dagelijks functioneren profijt van heeft.
  • Gevolgen van hersenletsel kunnen zijn:
    oCognitieve stoornissen
    oGedragsveranderingen
    oEmotionele veranderingen
    oOntstaan van neuropsychiatrische stoornissen
  • Noem nadelen van de huidige effectstudies naar interventies
    1. Betreft vaak pt. met cerebrovasculaire aandoening (CVA) en traumatisch hersenletsel
    2. Follow-up metingen zijn vaak wel verricht, maar de duur te kort, houdt het trainingseffect stand over langere tijd?
    3. Diversiteit behandelingen is groot
    4. Grote variatie in wijze van evalueren van behandelingen
    5. Studies kunnen moeilijk met elkaar vergeleken worden. 
    6. Er zijn te weinig replicatie studies op het moment: veel nieuwe behandelingen en technieken maar robuustheid effect wordt nauwelijks onderzocht
  • De auteurs stellen dat de gevolgen van hersenletsel verder reiken dan alleen cognitieve stoornissen. Wat bedoelen zij hiermee en hoe is een neuropsycholoog hierbij betrokken?
    Er is naast cognitieve stoornissen vrijwel altijd sprake van gedrags- en emotionele veranderingen (ontremd gedrag, apathisch). Psychiatrische stoornissen als: depressie, angststoornis of obsessief-compulsief stoornis. Wanneer deze op de voorgrond staan wordt gesproken over een persoonlijkheidsverandering. Deze stoornissen kunnen de revalidatie belemmeren. NP kijkt bij diagnostisch onderzoek nadrukkelijk naar het hele scala aan mogelijke gevolgen hersenletsel: cognitieve, gedrags- en emotionele problemen worden in kaart gebracht.
  • Wat kan geconcludeerd worden uit de behandelprotocollen die beschikbaar zijn op dit moment?
    1. Met name protocollen ontwikkeld voor pt CVA
    2. Behandelingen zijn sterk locatiegebonden
    3. Behandelingen waren niet op effectiviteit onderzocht
  • 2 Neuropsychologische behandelmodellen: Tussen theorie en praktijk

  • Al in 1990 formuleerden Wood en Fussey een viertal criteria, waarmee de kwaliteit van neuropsychologische behandeling zou kunnen worden beoordeeld

    1. Een theoretisch of conceptueel model waarbinnen klinische werkwijzen en mechanismen van gestoord functioneren met elkaar verbonden zijn 
    2. Idee van interpretatie voor wat cognitieve stoornissen in de dagelijkse vaardigheden belangrijk zijn voor de persoonlijke en sociaal-maatschappelijke onafhankelijk van de patiënt 
    3. Set van procedures om aan te grijpen op specifieke cognitieve beperkingen op verschillende niveaus van functioneren 
    4. Methoden om verbetering/herstel te evalueren, niet enkel klinisch herstel, maar ook sociale en functionele veranderingen. 
  • Wat is Wilson (2008) zijn theorie waarom in hoeverre er één samenhangend behandelmodel moet komen?
    Hij benadrukt dat de neuropsychologie zich niet moet beperken tot één theoretisch kader: pt. ervaren beperkingen op verschillende vlakken en daarvoor is één behandelmodel veelal niet voldoende.
  • Binnen het kader van ICF wordt op 3 verschillende niveaus naar het menselijke functioneren gekeken:
    1. Stoornissen – perspectief van het menselijk organisme (functies van het organisme en anatomische eigenschappen) 
    2. Beperkingen – perspectief van het menselijk handelen (activiteiten) 
    3. Participatieproblemen – Perspectief van mens als deelnemer aan het maatschappelijk leven (participatie) 
  • Noem het viertal criteria van Wood en Fussey (1990) waarmee de kwaliteit van neuropsychologische behandeling zou kunnen worden beoordeeld
    1. Bestaand theoretisch of conceptueel model waarbinnen klinische werkwijzen en mechanismen van gestoord functioneren met elkaar verbonden zijn
    2. Een idee over de wijze waarop cognitieve stoornissen na hersenletsel geïnterpreteerd kunnen worden in termen van dagelijkse vaardigheden die belangrijk zijn voor de persoonlijke en sociaal-maatschappelijke onafhankelijkheid van pt.
    3. Beschikken over set procedures om aan te grijpen op specifieke cognitieve beperkingen en verschillende niveaus van functioneren
    4. Beschikken over methoden om verbetering/herstel te evalueren, klinisch/sociaal/functionele veranderingen.
  • Kanttekeningen aan het gebruik van de ICF
    • Neurologische stoornissen zijn slechts conceptuele constructen waarmee klinische observaties worden verklaard: geen tastbare en fysieke verschijnselen, maar een afleiding van symptomen en gedrag. Toch mentale functies genoemd
    • Om een behandeling vorm te geven, meer info nodig dan in het model past (nogal kunstmatige opdeling, want is niet altijd éénduidig.)
    • Aantal gebruikte termen niet duidelijk
    • Geen ruimte voor kwaliteit van leven en de tijd sinds het letsel
    • Geen onderscheid tussen eigen kijk vs het oordeel van anderen  
  • Welke factoren moet de NP rekening mee houden wanneer hij/zij de vertaalslag probeert te maken van onderzoeksresultaten naar onderliggende stoornissen en de gevolgen hiervan?
    Meerdere factoren spelen een rol waaronder:
    1. Ernst van de cognitieve stoornissen
    2. Externe factoren
    3. premorbide functioneren
    4. De eisen die omgeving van pt. stelt om goed te functioneren
  • Cognitieve revalidatie

    Behandeling gericht op de directe gevolgen van hersenletsel in de zin van cognitieve stoornissen. Onderdeel van neuropsychologische revalidatie.
    Specifiek op het cognitief functioneren gerichte interventies binnen neuropsychologische revalidatie.  
    Wilson: ‘Een proces waarbij mensen met hersenletsel samenwerken met professionals in de gezondheidszorg om cognitieve stoornissen ten gevolge van hersenletsel tegen te gaan om te verlichten. ‘  
    Verbetering van cognitief functioneren heeft vaak ook invloed op het emotionele en gedragsmatige niveau. 
    Behandeling:  Omgevingsstructurering:  Bijvoorbeeld door kleurgebruik, agendagebruik, alarmen,…
    Psycho-educatie
  • Wat is de International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF) en waarvoor wordt het gebruikt?
    Het ICF is een kader dat wordt gebruikt voor het systematische wijze ordenen van informatie per individuele pt over aspecten van het menselijk functioneren die gerelateerd kunnen zijn aan gezondheidsproblemen.
  • Neuropsychologische revalidatie
    Hersenletsels hebben vaak ook emotionele, sociale en gedragsproblemen, als gevolg waardoor de cognitieve problematiek er moeilijk los van te zien is. Bredere behandeling van patiënten met hersenletsel (en/of hun systeem) gericht op cognitieve maar ook op emotionele, sociale en of gedragsmatige problemen ten gevolge van het hersenletsel en met als doel hiermee zo goed mogelijk leren omgaan.
  • Noem de drie niveaus waaruit het kader genaamd ICF bestaat
    1. Perspectief van menselijk organisme (functies & anatomische)
    2. Perspectief menselijk handelen (activiteiten)
    3. Perspectief van mens als deelnemer aan maatschappelijk leven (participatie)
  • Vakgebied klinische neuropsychologie
    Alle werkzaamheden van de neuropsycholoog op het gebied van de zorg voor patiënten met hersenletsel. O.a. diagnostiek, wetenschappelijk onderzoek, behandeling.  Patiëntengroepen waarop gericht wordt: zijn mensen met aangeboren of niet-aangeboren hersenletsel (hieronder vallen ook psychiatrische beelden waarvan steeds meer duidelijk wordt dat hierbij afwijkingen in hersenen een rol spelen. B.v. Schizofrenie en ADHD). 
  • Wat stelt Wade (2005) als nadeel te ervaren in de bruikbaarheid van het ICF? Noem drie belangrijke opmerkingen bij het gebruik ervan
    1. Neurologische stoornissen zijn geen tastbare of fysieke verschijnselen, het zijn slechts conceptuele constructen. De stoornissen worden afgeleid van symptomen en gedrag. In het ICF staat desondanks mentale functies (aandacht, geheugen) op gelijke hoogte met bijv. elektrolytenbalans. Terwijl deze functies ook betrekking hebben op het menselijk organisme als geheel dus ook op de hersenen.

    2. Om een behandeling vorm te geven, is vaak meer nodig dan in het model past. Daarnaast zijn geobserveerde stoornissen niet altijd onder te brengen in het ICF. Ook zijn aan aantal termen niet eenduidig.

    3. Er is in het ICF geen ruimte om zaken weer te geven als iemands kwaliteit van leven en tijd sinds letsel. Ook wordt geen onderscheid gemaakt in iemands kijk op zijn functioneren en het oordeel van anderen
  • Neuropsychologische revalidatie
    neuropsychologische interventies op het gebied van behandeling. Behandeling van patiënten met hersenletsel (en/of hun systeem) gericht op cognitieve, maar ook op emotionele, sociale en/of gedragsmatige problemen ten gevolge van het hersenletsel met als doel het zo goed mogelijk leren omgaan met deze problemen. In termen van het ICF:  meestal op het niveau van activiteiten en participatie.  Zowel individu als omgeving speelt hierin een rol. 
  • Wat benadrukt Wade (2005) wanneer hij spreekt over eenduidige verbanden tussen stoornissen, beperkingen en participatieproblemen? Noem er 2
    1. Dat deze verbanden niet eenduidig zijn, een stoornis die voor de ene persoon leidt tot forse beperkingen hoeft voor een ander nauwelijks gevolgen te hebben. 

    2. Beperkingen en participatieproblemen worden in het ICF vastgesteld op basis van de standaard 'een persoon zonder vergelijkbare aandoening'. Voor het vormgeven van behandeling voor pt is het onvoldoende om zijn functioneren op diverse domeinen en beïnvloedende factoren te benoemen in vergelijking tot een algemeen gemiddelde. Er dient juist centraal te staan wat voor deze persoon belangrijk is (relevante activiteiten en sociale rollen). Beter vergelijkingsmateriaal is het premorbide functioneren van pt. (vergelijken met zichzelf).
  • Gainotti (1993) globale driedeling gehanteerd om emotionele en psychosociale gevolgen van hersenletsel te beschrijven
    1. Neurologisch – primaire stoornissen in emotie en gedrag Behandeling:  medicatie of gedragsmodificatietechnieken, bijvoorbeeld SORKC-model: Hierbij wordt gedrag (R) beschreven als een reactie op prikkels of stimuli van buiten (S). Deze prikkels worden waargenomen en geëvalueerd door middel van cognitieve processen zoals waarnemen en evaluatie (O). Veranderingen in gedrag zijn afhankelijk van de reacties op dit gedrag ofwel de consequenties (C), waarbij belonende en bestraffende bekrachtigers worden onderscheiden (K).  Daarnaast kunnen het structureren van het dagritme en de omgeving en het reduceren van mentale overbelasting dit soort problemen soms wat verminderen. Ook psycho-educatie is van belang.  
    2. Psychologisch(e en psychodynamische oorzaken) – manier waarop iemand zich verhoudt tot zijn beperkingen. Dit zou ook ‘verwerking’ of ‘aanpassing’ genoemd kunnen worden.  Behandeling:   Educatie speelt een belangrijke rol. Normalisering van gevoelens van verdriet en onmacht en het bieden van een luisterend oor zijn vaak waardevol, evenals deelnemen aan groepsgewijze voorlichting of lotgenotencontact.  Technieken uit de CGT zijn behulpzaam voor het bijstellen van verwachtingen, eisen en ideeën. 
    3. Psychosociaal - o.a. begeleiding bij terugkeer naar werk of opleiding / zoeken naar passende dagbesteding.  Behandeling:  maatschappelijk werk ter ondersteuning, socialevaardigheidstraining, psycho-educatie, arbeidsrevalidatie 
    4. (#4 niet door Gainotti benoemd) premorbide persoonlijkheids- of psychiatrische problematiek. 

  • Hoe wordt het begrip cognitieve revalidatie uitgelegd door Cicerone (2000)?
    Behandeling gericht op de directe gevolgen an hersenletsel in de zin van cognitieve stoornissen
  • Functietraining
    Herstel van cognitieve functies zou plaatsvinden door herhaalde oefening en stimulering (drill and practice,  net als bij spieren: ‘mental muscle approach’) 

    Vaak via computer:  gaat hierbij niet om leren van bepaalde taken / vaardigheden, maar om via taken in een bepaald domein te proberen de onderliggende cognitieve functie te beïnvloeden. : effectiviteit niet aangetoond. 
  • Hoe wordt het begrip cognitieve revalidatie uitgebreid door Wilson (1997)?
    Een proces waarbij mensen met hersenletsel samenwerken met professionals in GZ om cognitieve stoornissen ten gevolge van hersenletsel tegen te gaan of te verlichten.
  • Vaardigheidstraining
    Trainen van praktische vaardigheden op taakniveau: specifieke activiteiten. Vooral via herhaalde oefening van de uitvoering van de taak.  Forward of backward chainingen geleidelijke opbouw in moeilijkheidsgraad. Verschil met functietraining is dat niet gepoogd wordt de onderliggende cognitieve functie te verbeteren, maar enkel de uitvoer van de taak zelf. (Directe beïnvloeding vs indirect). Vaak gaat het om ADL taken. Veel gebruikt van hertraining, d.m.v. herhaling wordt de taak weer ingetraind zoals vroeger. Het zal vaak ook gaan om het compenseren van een cognitieve beperking. 
  • Leg het begrip neuropsychologische revalidatie (behandeling) uit
    Behandeling van pt. met hersenletsel gericht op cognitieve, emotionele, sociale en/of gedragsmatige problemen ten gevolge van hersenletsel en met als doel zo goed mogelijk om te gaan met deze problemen.
  • Strategietraining
    vaardigheden worden geleerd die van toepassing kunnen zijn op meerdere taken/situaties. Hierbij gaat het om het leren van een nieuwe uitvoeringswijze van taken (door middel van compensatiestrategieën) om in diverse situaties om te gaan met de gevolgen van een stoornis of te voorkomen dat ten gevolge van de stoornis problemen optreden.   
    Interne strategieën:Kunnen worden ingezet door de patiënt zelf.  
    Externe strategieën: inzetten van middelen. 
  • vijf soorten stimulatie- of revalidatiemethoden (Robertson en Murre):  
    • Non-specifieke stimulatie:  bijvoorbeeld in prikkelrijke omgeving plaatsen. Hierbij kunnen echter naast gewenste ook ongewenste verbindingen ontstaan.
    • Bottom-up gerichte stimulatiemethoden: doel is om door activatie van perifere zenuwcellen de betrokken neuronen te activeren
    • Top-down stimulatie: Via bewuste aandacht wordt geprobeerd de synaptische activiteit te bevorderen. 
    • Manipuleren van inhibitieprocessen:  b.v. Transcraniële Magnetische stimulatie of operatieve ingrepen. 
    • Manipuleren van arousalprocessen: met name medicatie die ingrijpt op het noradrenerge systeem. 
  • Gross en Schutzordening bestaat uit vijf interventiemethoden:
    1. Omgevingsaanpassing:  Hierbij wordt er vanuit gegaan dat de omgeving makkelijker aan te passen is dan de patiënt zelf.
    2. Stimulus-Response conditionering:  Aangenomen dat de patiënt kan leren en aangeleerd gedrag in stand blijft. Via bekrachtigers wordt nieuw gedrag aangeleerd. Er wordt niet uitgegaan van generalisatie. Gedragingen worden apart getraind.  
    3. Vaardigheidstraining:  Niet alleen vanuit gegaan (itt hiervoor beschreven definitie) dat een patiënt kan leren en in een bepaalde situatie bepaald gedrag kan laten zien, maar ook dat de vaardigheden die hiervoor nodig zijn verbeterd kunnen worden. Hierbij definiëren ze deze vaardigheden in termen van cognitieve vaardigheden en niet in termen van taken of activiteiten.  
    4. StrategiesubstitutieS:  (vergelijkbaar met strategie-training) gaat ervan uit dat het mogelijk is om een niet-werkende strategie die de patiënt hanteert te identificeren en te vervangen door een andere strategie. Strategie wordt gedefinieerd als ‘een keuze voor een bepaalde reeks van gedragingen om een bepaalde taak uit te voeren’.  Bij strategiesubstitutie gaat het om aanleren van strategieën die kunnen worden toegepast in een bepaalde categorie van situaties Wordt niet gestreefd naar verbeteren van onderliggende cognitieve / praktische vaardigheid, maar om aanleren van nieuw gedrag (n de vorm van compensatiegedrag.  Essentieel is dat patiënt beschikt over (zelf)monitoringsvaardigheden. 
    5. Cognitieve cyclus model :  Iemand stelt zich een doel, heeft een verwachting over de voorwaarden van slagen van zijn doel, maakt een plan, zet dit plan in gang en vergelijkt het uiteindelijk resultaat van de actie met het oorspronkelijke doel (feedback) en begint vervolgens opnieuw met het stellen van een doel.  ~ basis van executief functioneren. : Doel: algemene aanpassingsvermogen te verbeteren en gaat om het vergroten van het vermogen om allerlei problemen aan te kunnen pakken.  
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.