Summary Nieuw Nederlands 4e editie 4/5 H

-
ISBN-10 9001704387 ISBN-13 9789001704384
381 Flashcards & Notes
349 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Nieuw Nederlands 4e editie 4/5 H ". The author(s) of the book is/are Willem Steenbergen Stijntje de Olde. The ISBN of the book is 9789001704384 or 9001704387. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

Summary - Nieuw Nederlands 4e editie 4/5 H

  • 1 Cursus Lezen

  • Persoonsvorm:

     

    verleden tijd

    sterk of zwak

    sterk : verandert van klank

    zwak: kijk naar t' ex kofschip wanneer de stam eindigt op een letter die in het kofschip zit dan stam+te(n)

     

    Tegenwoordige tijd

    1 ik vorm gewoon de stam

    2 jij vorm de stam +t

          let op als jij achter de stam staat geen t erbij

    3 hij/zij/het vorm altijd stam+t

    4 wij het hele werkwoord

  • Wanneer begon de tweede wereldoorlog?

    1940

  • Noem de leesstrategeën

    Oriënterend lezen, Globaal lezen, Intensief lezen, Kritisch lezen, Studerend lezen, Zoekend lezen

  • skaap

    met wol

  • Adolf Hitler

  • een schaap heeft gwn wol

  • Wat doe je bij orieënterend lezen zoal?

    Titel lezen, plaatjes kijken, auteur

  • 1.1 leesstrategieën

  • Waar geeft dit hoofdstuk inzicht in?

    welke verschillende manieren er zijn om een tekst te lezen

    wanneer je welke manier van lezen gebruikt

  • Welke zes leestrategieen zijn er?

    oriënterend lezen ,globaal lezen, intensief lezen, kritisch lezen, studerend lezen ,zoekend lezen

  • Hoeveel lees manieren zijn er en benoem ze.

    Er zijn 6 manieren van lezen:

    Oriënterend

    Globaal

    Intensief

    Kritisch

    Studerend

    Zoekend

     

     

     

  • Hoe heten de manieren van lezen?
    Leesstrategieën 
  • Wat houdt oriënterend lezen in en hoe doe je dat.

     

    Bij oriënterend lezen stel je snel vast of een tekst voor jou bruikbaar of interessant is.

    Bij een boek bekijk je de titel, flaptekst, inhoudsopgave, voorwoord en wie het geschreven heeft.

    Bij een artikel bekijk je de titel, lead, 1ste alinea, tussenkoppen, laatste alinea, auteur en publicatieplaats

  • Oriënterend lezen
    Titel, flaptekst, inhoudsopgave, voorwoord, auteur. 
    Eerste + Laatste alinea want dan weet je het onderwerp
  • Globaal lezen
    Kernzinnen van alle alinea's, alle eerste zinnen, dan weet je de hoofdgedachte. 
  • Intensief lezen
    De hele tekst lezen, stel betekenis van moeilijke woorden vast, kernzinnen zoeken en verbanden van signaalwoorden en bepaal de hoofdgedachte.
  • Kritisch lezen
    Stel vast, klopt de tekst, heb ik er wat aan, is de informatie juist, ect. 
  • Studerend lezen
    Uittreksel maken, Lees eerst de tekst oriënterend, globaal en intensief!
  • Zoekend lezen
    Kijk naar anders gedrukte woorden. Let op opvallende tekens. 
  • Wat zijn de 6 verschillende leesstrategieën?
    Oriënterend, globaal, intensief, kritisch, zoekend, studerend lezen
  • Wat is een hoofdgedachte van een zin?
    De hoofdgedachte is altijd een zin waarin een onderwerp staat plus belangrijkste wat daarover gezegd word in inleiding of slot. 
  • 1.2 schrijfdoelen en tekstsoorten

  • Welke verschillende schrijfdoelen heb je?
    • Informeren: Informatie geven
    • Opiniëren: Lezers mening laten vormen over het onderwerp
    • Overtuigen: Lezers met argumenten overhalen naar een bepaalde mening/standpunt.
    • Activeren: Lezers aanzetten om iets te doen
    • Amuseren: Lezers vermaken
  • Noem de vijf verschillende schrijfdoelen & de doelen ervan.
    - Amuseren - Lezen vermaken
    - Informeren - Informatie geven
    - Opiniëren - Lezers mening laten vormen over het onderwerp
    - Overtuigen - Lezers met argumenten overhalen naar een standpunt/ mening.
    - Activeren - Lezer moet iets gaan doen
  • Tekstverbanden:


    • Opsommend verband: Ook, bovendien, daarnaast, vervolgens.
    • Tegenstellend verband: Maar, echter, toch, desondanks
    • Chronologisch verband: Eerst, dan, daarna, uiteindelijk
    • Oorzakelijk verband: Doordat, daardoor, als gevolg van
    • Toelichtend verband: zo, bijvoorbeeld, zoals, neem nou
    • Voorwaardelijk verband: Als, indien, wanneer
    • Vergelijkend verband: Zoals, evenals, net zo, beter dan
    • Redengevend verband: Daarom, omdat, dus, want, immers
    • Doel-Middel verband: om te, met de bedoeling, opdat, zodat
    • Toegevend verband: Ook al, weliswaar, hoewel, ofschoon
    • Samenvattend verband: Kortom, samengevat, al met al
    • Concluderend verband: Dus, concluderend
  • Wat is een uiteenzetting?
    Een tekst die bedoeld is om lezers iets te laten leren aan de hand van feiten. (Informeren)
  • Wat is een betoog?
    Een tekst met als schrijfdoel iemand proberen te overtuigen (Overtuigen)
  • Wat is een beschouwing?
    De auteur wil zijn lezers zelf laten nadenken (Opiniëren)
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.