Summary Oncologie : handboek voor verpleegkundigen en andere hulpverleners

-
ISBN-10 9031342831 ISBN-13 9789031342839
696 Flashcards & Notes
4 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Oncologie : handboek voor verpleegkundigen en andere hulpverleners". The author(s) of the book is/are A D Klaren, C A van der Meer. The ISBN of the book is 9789031342839 or 9031342831. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Oncologie : handboek voor verpleegkundigen en andere hulpverleners

  • 2 immuno-en targeted therpie

  • Wat wordt verstaan over genetica?
    Genetica is de leer van de erfelijkheid, in het bijzonder de wetenschap van erfelijke overdraagbare menselijke eigenschappen.
  • Waar bestaat DNA uit?
    uit 22.000 genen.
  • Wat zijn genen
    Genen zijn kleine onderdelen van het DNA die op de chromosomen zitten. Genen zijn uniek voor ieder mens en zijn verantwoordelijk voor de structuur en functie van het lichaam. Apart of in combinatie bepalen ze alle menselijke eigenschappen.
  • Waarin kunnen genen worden getransformeerd?
    In eiwitten en enzymen
  • Hoe wordt informatie overgedragen naar andere cellen?
    Door middel van mitose (celdeling) en meiose (reproductie/erfelijkheid) wordt genetische informatie overgedragen aan andere cellen.
  • Wat doen regelgenen?
    zij sturen het gedrag van de cel aan (deling en functie)
  • Wat gebeurd er als de regelgenen worden beschadigd (mutatie)
    Dan wordt het celgedrag verstoord.
  • Hoe kunnen deze mutaties worden veroorzaakt?
    door zowel interne als externe factoren:

    V
  • Noem een voorbeeld van een internefactor
    Hormonen
  • Noem een voorbeeld van een externefactor
    sigarettenrook, virussen, radioactieve straling
  • Wat veranderd er van gezonde cel naar kankercel?
    Er worden andere eiwitten/enzymen gemaakt. Een veranderd eiwit(tumorceleiwit) komt op de celmembraan tot expressie (tumorantigeen). Hierdoor worden kankercellen mogelijk herkenbaar voor het imuunsysteem. Soms komen tumorantigenen vrij in het bloed: de zogeheten tumormarkers.
  • Wat wordt er verstaan onder immunologie?
    Immunologie is de wetenschap die de biologie van het immuunsysteem bestudeert.
  • Wat beschermt het lichaam tegen lichaamsvreemde stoffen?
    Het imuunsysteem: de interactie tussen gespecialiseerde organen, cellen en celproducten.
  • op welke cellen reageert het immuunsysteem?
    Lichaamsvreemde cellen, zoals virussen, parasieten/schimmels
    Lichaamseigen cellen. zoals tumorcellen, virusgeïnfecteerde cellen.
  • Hoe kan het imuunsysteem deze cellen herkennen en hoe gaat dit in zijn werk?
    Alle cellen hebben karakteristieken (antigenen) op hun celoppervlak (celmembraan, die door het afweersysteem worden herkend als lichaamseigen, lichaamsvreemd of lichaamseigen veranderd. 

    Bij herkenning van lichaamseigen cellen wordt het immuunsysteem niet gestimuleerd om te reageren. Bij lichaamsvreemde of lichaamseigen veranderde stoffen wordt het immuunsysteem wel gestimuleerd, om een immuunrespons op gang te brengen en deze stof te vernietigen.
  • Welke drie stappen zijn bij het afweer dus van belang?



    1. de herkenning van antigenen als lichaamsvreemd of lichaamseigen;
    2. de mobilisering van de afweer tegen lichaamsvreemde antigenen;
    3. de feitelijke vernietiging van dit antigeen (of de dragende cel). 
  • Welke organen horen bij het immuunsysteem?
    Lymfoïden organen 
    Thymus, milt, plaques van peyer (in de darm), alle lymfeklieren, de tonsillen en ook het beenmerg.
  • Door welke verbinden staan deze organen met elkaar in verbinding?
    lymfevatenstelsel, bloedvatenstelsel
  • Wat gebeurd er in tijden van ' nood' in het lichaam
    IN tijden van nood vermeigvuldigen de leukocyten zich, vooral de lymfocyten die zich in de lymfeklieren bevinden. Via de bloedbaan zoeken ze het orgaan waar de 'besmetting' heeft plaatsgevonden. Daar proberen ze deze onder controle te krijgen door middel van de immuunrespons.
  • Waar ligt de oorsprong van de witte bloedcel?
    In het pluriptente stamcel--> beenmerg Het proces van de ontwikkeling van de stamcel naar bloedcel wordt hematopoëse genoemd. Stamcellen vermenigvuldigen zich en rijpen uit tot 2 soorten voorlopercellen:
    myeloïde en lymfoìde voorlopercellen, deze vermenigvuldigen zich en rijpen uit tot granulocyten en monocyten.   


    De voorlopercellen: 
    Myeloïde --->  granulocyten/monocyten. 
    Lymfoïde ---> B-lymfocyten, T-lymfocyten, naturalkillercellen (NK-cellen)
  • Waaruit bestaan granulocyten en wat is hun rol?
    Granulocyten betaan uit basofielen/mestcellen, eosinofielen en neutrofielen. De rol van granulocyten is het bestrijden van bacteriële infecties  mestcellen spelen een rol bij allergische reacties

    (Behoren tot aan aangeboden immuunsysteem)
  • Waaruit komen monocyten?
    monocyten komen uit het beenmerg en rijpen in het weefsel uit tot macrofagen en dendritische cellen. Macrofagen en dendritische cellen zijn in staat antigenen te presenteren. ook deze cellen behoren tot het aangeboren inmmuunsysteem. Macrofagen kunnen tevens cellen/celproducten opruimen en lchaamvreemde cellen doden.
  • Waarvoor zijn B-lymfocyten?
    B-lymfocyten maken na differentiatie tot plasmacellen antilichamen aan die specifiek zijn voor antigenen, waardoor de lichaamsvreemde stoffen worden vernietigd. De aanmaak van antilichamen noemt men hormonale immuniteit. B-lymfocyten behoren tot het verworven immuunsysteem.
  • Onder welke 3 soorten kunnen de t-lymfocyten worden onderverdeeld.
    T-helpercellen, T-regulatoire cellen, cytotoxische T-cellen. Ook T-lymfocyten behoren tot het verworven imuunsysteem.
  • Waarvoor zijn T-helper cellen?
    Zij brengen na presentatie van een antigeen, door een macrofaag of dendritische cel, de immuunrespons op gang onder ander door cytokinen te gaan produceren.
  • Waarvoor zijn T-regulatoire cellen?
    deze cellen zijn instaat het proces van immuunrespons te dempen of te stoppen.
  • Waarvoor zijn Cytotoxische T-cellen?
    Deze zijn gericht tegen tumorspecifieke antigenen en virusgeïnfecteerde cellen. De aanmaak en vernietiging door deze cellen nomen we cellulaire immuniteit: de ene cel vernietigd de andere.
  • Waarvoor zijn NK-cellen?
    NK cellen zijn bepaalde leukocyten die in staat zijn om een breed scala aan afwijkende cellen te doden. het zijn dus aspecifieke killercellen gericht op virusgeïnfecteerde cellen en tumorcellen.

    NK cellen behoren tot het aangeboden immuunsysteem.
  • Wat is het verschil tussen verworven en aangeboren immuunsysteem?
    Het aangeboren immuunsystem is snel werkzaam, maar minder specifiek voor ziekeverwekkers. Het verworven daarentegen past zich aan het pathogeen aan, maar dit kost tijd, maar zou uiteindelijk een sterke afweer worden.
  • Wat doen cytokinen?
    Zij zorgen voor de aanmaak en uitrijping van leukocyten en sturen ze een aantal immuunprocessen aan. Zij hebben een signaalfunctie- en zijn in die zin te vergelijken met hormonen- voor cellen en organen van het immuunsysteem met als doel immuunrespons opgang te brengen tegen tegen lichaamsvreemde stoffen. In tijden van nood kan er in elk orgaan in ons lichaam cytokinen worden geactiveerd.
  • Waaruit bestaan cytokinen?
    Cytokinen bestaan uit interferonen, interleukinen, tumornercrosefactor (TNF), hematopoëtische groeifactoren.
  • Waarom kan er bij een 2de keer van het zelfde virus sneller en agressiever gereageerd worden door de `t en B-cellen.
    Omdat deze cellen een geheugen hebben, en het virus herkennen
  • Hoe ontstaat aangeboren immuniteit?
    aangeboren immuniteit ontstaat door onmiddelijke reactie van granulocyten, macrofagen en NK-cellen op de indringer.
  • Hoe ontstaat verworven immuniteit?
    Dit wordt opgebouwd tijdens het elven. De afweer die vanaf de geboorte aanwezig is, wordt via de placenta van de oeder na de geboorte via borstvoeding verkregen en bestaat voornamelijk uit antistoffen. `dit vorm de verworven afweer gedurende de eerste paar maanden. Waarna het vervolgens instaat is zelf immuniteit op te bouwen. (bijvoorbeeld waterpoken, 1x krijgen)
  • Leg het immuunrespons uit, aan de hand van een voorbeeld.
    Kankercel.

    Kankercellen kunnen antigenen op hun celoppervlak hebben die het immuunsysteem herkent.Macrofagen/dendritische cellen nemen stervende tumorcellen en tumorcelantigenen op en verwerken deze, zodat het antigeen van de tumorcel zichtbaar wordt op het oppervlak van de macrofaag---> antigeenpresentatie. 

    Worden gepresenteerd aan de T-helpercellen--> maken cytokinen)  en cytotoxische T-cellen--> zijn instaat tumorellen te herkenen en te doden.  
    Cytokinen zorgen ervoor dat B-cellen worden gestimuleerd en differentiëren zich tot plasmacellen en beginnen met de aanmaak van antilichamen die specifiek zijn voor het antigeen dat op de kankercel zit.
  • Wat zijn belangrijke relaties tussen kanker en het immuunsysteem?
    antigeen herkenning door het immuunsysteem en het op gang brengen van immuunrespons.
  • Kunnen tumorcellen het immuunsysteem ontwijken?
    Ja, ze zijn instaat om de antigenen op het celoppervlak terug te trekken waardoor ze voor het immuunsystem onherkenbaar kunnen worden. Bovendien kunnen tumorcellen stoffen, cytokinen en nog andere celproducten aanmaken die de antilichamen blokkeren of de immuunrespons onderdrukken. 

    Kortom:
    Tumorcellen kunnen door het immuunsuppressie aan het immuunsysteem ontsnappen. Deze relatie tussen immuunsysteem en kanker ligt ten grondslag aan de gedachte dat door de stimulering van het afweersysteem een anti tumoreffect kan worden bereikt.
  • Voor welke doeleinde kan immunotherapie worden toegepast?
    Diagnostisch: mt behulp van monoklonale antilichamen kan het stadium van de tumor worden bepaald. 
    ondersteunend: met behulp van hematopoëtische groeifactoren kan men de periode en ernst van neutropenie tijdens de chemotherapie beïnvloeden 
    Therapeutisch : door middel van cytokinen en monoklonale antilichamen worden bepaalde vormen van kanker behandeld.
  • Welke twee soort behandeling zijn er bij immunotherapie?
    cytokinetherapie
    monoklonale antilichamentherapie
  • Hoe vindt de behandeling met cytokinen gedaan?
    subcutaan
  • Horen hematopoëtische groeifactoren ook tot cytokinen?
    Hematopoëtische groeifactoren die worden gegeven tegen de behandeling met kanker, valt ook onder cytokinen. 


    ematopoëtische groeifactoren die worden gegeven als ondersteuning bij een antikan- kerbehandeling vallen ook onder de cytokinen. Het zijn eiwitten die in het lichaam worden geproduceerd en die zorgen voor de vermenigvuldiging en rijping van bloedcellen.
    Erytropoëse stimulerende groeifactoren zoals epoëtine en darbepoëtine stimuleren de uit- rijping en ontwikkeling van de late voorlopercellen van de erytrocyt.
  • Waarbij wordt gebruik gemaakt van granulocyte-stimulating-growth factor (G-CSF)?
    Dit middel stimuleert stamcellen in het beenmerg tot de productie van myeloblasen die uitrijpen tot granulocyten. Granulocyten spelen een belangrijke rol bij de afweer tegen bacteriële infecties.
    Door chemotherapie en radiotherapie wordt de aanmaak van leukocyten vaak geremd. Om deze beenmergsuppressie tegen te gaan, gebruikt men inmiddels voornamelijk G-CSF in de vorm van filgrastim of peg-filgrastim
  • Waarom maakt het lichaam geen goede antilichamen tegen tumorantigenen?



    Doordat de meeste tumorantigenen niet vreemd zijn voor het immuunsysteem, maakt het lichaam hiertegen geen goede antilichamen.  
  • Hoe heeft het monoklonale antistof een direct celdodende werking?



    De binding van de monoklonale antistof aan het tumorantigeen heeft een direct celdodend effect door blokkering van voor de kankercel noodzakelijke groeiprocessen of door aanzetten tot een zelfdodend programma (apoptose). Kankercellen worden echter door deze binding ook herkenbaar gemaakt voor het immuunsysteem en er treedt een immuunrespons op (antibody- dependant-cellular-cytotoxicity (ADCC) en complement-dependant-cytotoxicity (CDC). Deze middelen vallen dan naast targeted therapies tevens onder de immunotherapie. 
  • Noem een aantal antigenen (targets) waar monoklonale antilichamen zich op kunnen richten.
    bloedcellen: zijn te onderscheiden door een oppervlakteantigeen dat zij dragen (het cluster of differentation CD) Het Cd20- antigeen op B-lyfocyten en CD52 antigeen op B-/T- lymfocyten zijn hier voorbeelden van. Dit zijn targets voor bepaalde monoklinale antilichamen in behandeling van hematologische maligniteiten.

    Immuunrespons beïnvloeden: Bij een normale immuunrespons moet een signaal worden afgegeven om immuunreactie te starten en een signaal om deze te stoppen. Dit starten en stopen wordt gesignaleerd door antigenen op immuuncellen. Door een monoklonaalantilichaam te binden aan een van deze deactiverende signaaleiwitten. Wordt weer een immuunreactie opgewerkt . Dit is targeted therapie=immunotherapie
  • Hoe worden monoklonale antilichamen toegepast?
    Diagnostisch/therapeutisch. 

    Interaveneus
  • Hoe diagnostisch?



    Wanneer een radioactieve stof met een lage straling aan een antilichaam wordt gekoppeld, kunnen antigeendragende tumorcellen radioactief worden gelabeld en met een gammacamera worden aangetoond. Dit principe vindt toepassingen in de diagnostiek. 
  • Hoe therapeutisch ?
    Tevens kunnen zij worden ‘geladen’ met een ander therapeuticum. Er kunnen cytostatica, toxinen of een radioactieve stof met een hoge therapeutische straling worden gekoppeld, met als doel de aan het antilichaam gebonden zijnde tumorcellen te doden.
    Daarnaast kunnen ze worden gebruikt als een soort brug tussen de antigeendragende tumorcel en het cellulaire deel van het immuunsysteem. Dit noemt men bispecifieke monoklonale antilichamen. 
  •  Wat kunnen Bijwerkingen zijn
    Myelosuppressie, hypotensie, vermoeidheid, koorts, rillingen, rash, diarree, braken, bacteriële infecties, hoofdpijn, dyspneu. anemie, orale mucositits, slijmvliesbloedingen, botpijn, rugpijn, kortademigheid, hoesten, angio oedeem. Gestoorde wondgenezing, haarveranderingen, nagelintoxiciteit, cardiotoxiciteit, longtoxiciteit, nefrotoxiciteit, oculaire toxiciteit, slijmvliestoxiciteit, spier-en gewritchtsklachten, eletrolyt-en hormoonstoornissen. 

    INFUUSREACTIES!! ( zie vraag verderop) 


    Er kan een immuungerelateerde bijwerking optreden, zoals griep gevoel of cytokinerelasesyndroom
  • Wat kunnen imuungerelateerde bijwerkingen zijn?




    Colitis, dermatitis, hepatitis, hypofysitis en thyreoïditis: een afweerreactie tegen een van de eigen organen. 
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Verschil tussen monoklonale antilichamen en small molecules

Soorten medicijnen bij targeted therapy:

Monoklonale antilichamen

(antistoffen, medicijnnamen eindigend
op ‘mab’: monoclonal antibody). Werken aan de buitenkant van de
kankercel. Verhinderen extracellulaire groeifactoren zich te binden aan de receptoren van kankercellen. Dat belemmert de groei van de kankercel, of maakt deze beter herkenbaar voor het immuunsysteem

Small molecules
(‘ib’: inhibitory). Werken binnen in de cel door zich
te binden aan hun doeleiwit om zo de signaaloverdracht te verhin-
deren. De kankercel kan zich niet meer delen of gaat dood.
In het algemeen worden mab’s intraveneus toegediend in het ziekenhuis (soms subcutaan). Small molecules zijn beschikbaar in tabletten of capsules. De patiënt kan ze thuis slikken.
En bij mannen?
Mannen met een mutatie in het BRCA1-gen hebben een risico van ± 1% op mammacarcinoom. Bij mannen met een BRCA2-mutatie is dit risico ± 7%.'
Welk gen is bekend bij borstkanker? En wat betekend het indien je drager bent van dit gen?
Brca1 op chromosoom 17
Brca 2 op chromosoom 13

BRCA staat voor breast cancer 


'60-80% kans op mammacarcinoom;
maximaal 60% kans op een' tweede primair mammacarcinoom;

een kans op ovariumcarcinoom van 30-60% bij BRCA1-mutatiedraagsters en 5-20% bij BRCA2-mutatiedraagsters.'
Van hoeveel % van de vrouwen met een mammacarcinoom is het erfelijk?
  1. 5 tot 10%
Hoeveel vrouwen krijgt in haar leven een mammacarcinoom?
1 op de 8
Waarom niet?
Angst voor dreiging van de ziekte. Sommigen verdragen beter 50% kans op dragerschap te hebben, dan 100% zeker te weten drager te zijn.
Ethische en religieuze aspecten spelen soms een rol. Niet vanuit alle geloofsovertuigingen is het geaccepteerd om meer te leren over de eigen toekomst.

Erfelijkheidsonderzoek kan consequenties hebben bij het afsluiten van verzekeringen. 
Waarom kiezen mensen voor een pre-symptomatisch (voorspellend) onderzoek?
Zekerheid verkrijgen: men wil af van de onzekerheid of men mutatiedrager is.
Preventieve maatregelen kunnen nemen: regelmatige controle van bijvoorbeeld darmen geeft levenswinst bij risico op erfelijk colorectaalcarcinoom, maar dan moeten de controles'
'wel beginnen vóór kanker is ontstaan. Bij een verhoogde kans op kanker zijn er ook mogelijkheden tot preventieve operatie.


Onderzoek doen in het belang van directe familieleden: iemand kan onderzoek naar de eigen aanleg laten verrichten om de kinderen hun risico te laten weten.'
Wanneer komen patiënten in aanmerking voor een verwijzing naar de polikliniek voor familiaire tumoren

'één patiënt kanker kreeg op opvallend jonge leeftijd, ongeacht de familieanamnese (bijvoorbeeld mammacarcinoom voor het 40e jaar, colorectaalcarcinoom of endometriumcarcinoom voor het 50e jaar);
een bepaalde combinatie van kanker voorkomt (zoals mammacarcinoom en ovariumcarcinoom óf colorectaalcarcinoom' en endometriumcarcinoom);

dezelfde groep of bepaalde combinaties van kanker voorkomen bij ten minste drie familieleden aan dezelfde kant in de familie;
ten minste één of twee familieleden een niet vaak voorkomende vorm van kanker kregen (bijvoorbeeld niercelcarcinoom, sarcoom, glioom, melanoom, pancreascarcinoom, multipele endocriene neoplasie (MEN)).'
Wat wordt er aan mensen aangeboden die dragen zijn?

'Vervolgens biedt men familieleden onderzoek naar dragerschap aan: dragers van de mutatie in het kankergen kunnen geïnformeerd worden over mogelijkheden tot regelmatige controle of chirurgie uit voorzorg.'
Wat is kiembaan mutatie?
Dat is een mutatie die meegekregen is via de eicel of zaadcel en in alle cellen aanwezig is.