Summary Onderzoeksmethodologie

303 Flashcards & Notes
3 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Onderzoeksmethodologie

  • 2.1 Aantekeningen college

  • Natuurwetenschappen
    • Natuurwetenschap heeft een vergelijkbare logica, maar actieve rol onderzoeksobject
    • Natuurwetenschap heeft geen menselijke deelnemers. 
  • Positivisten
    Een stroming uit de wetenschapsfilosofie en stelt dat we de sociale wereld ook kunnen bestuderen, net zoals de natuurwetenschappers ook objecten bestuderen. 
    • Alle kennis dient empirisch gefundeerd te zijn 
    • Hierbij moet de basis liggen op het voorspellen en ingrijpen 
  • Metafysica
    Is een reactie op het positivisme. Een stroming waar het niet ging om toetsing van de empirie, maar er waren veel discussies.
  • Constructivisten
    Is een reactie op het positivisme. Zij stellen dat men mensen serieus met nemen en dat het positivisme dat niet doet. Je moet juist uitgaan van het perspectief van de deelnemers. Streven naar causale wetten kan niet, want mensen ervaren de wereld allemaal op een andere manier. Waren meer geïnteresseerd in het beschrijven
  • Andere kritiek op positivisme
    • Determinisme 
    • Reductionisme
    • Egocentrisme
    • Ontmenselijkt
  • Determinisme
    Miskent vrije wil en alternatieve realiteit
  • Reductionisme
    Het simplificeert de mensen te veel
  • Egocentrisme
    Onderzoeker gaat uit van zichzelf
  • Ontmenselijkt
    Een deelnemer kan zich zo gaan voelen, omdat hij een van velen is
  • Mixed-methods
    Er wordt niet gefocust op een bepaalde stroming, maar we gaan alles iets toepassen, zodat je op verschillende manieren naar de wereld kijkt
  • Covariation principle
    Het principe dat een onderzoeker wordt aangekeken op welke resultaten hij brengt
  • Informele observatie
    De dingen die je meemaakt in je eigen leven. We hebben in ons leven allerlei vermoedens en hypothesen over andermans gedrag verklaren en bepalen of de verklaring juist is
  • Construct
    Zaken die fysiek niet meetbaar zijn
  • Hypothese
    Stelling over een relatie tussen 2 of meer constructen
  • Causale verbanden
    Oorzaak en gevolg
  • Theorie
    Aaneenschakeling van heel veel hypothesen
  • Qualifying conditions
    Een voorwaarde
  • Naïve hypothesen
    Verwachtingen die we in het dagelijks leven maken naar aanleiding van informele observatie van een bepaald fenomeen
  • Hulpbronnen bij naïve hypothesen
    1. Logische analyse uitvoeren 
    2. Inconsistenties en bias 
    3. Autoriteit
    4. Consensus
    5. Observatie 
    6. Eerdere ervaringen 
  • Verschillen tussen sociale wetenschap en informele observatie
    • Bewust zijn van bias 
    • Zelfbewust te werk en laat werk kritisch beoordelen door andere wetenschappers 
    • Systematische bias voorkomen en gebruik gevestigde methoden 
    • Altijd gebaseerd op empirisch onderzoek 
    • Vertrouwen als niet weerlegd en als veel wordt verklaard
  • Wat is belangrijk bij op een wetenschappelijke manier kennis vergaren?
    • Overdraagbare kennis 
    • streven naar de waarheid 
    • grotere zekerheden 
    • empirische criteria 
    • sleutelrol voorspellen 
    • algemene samenhangen 
    • theorieën
  • Operationisme
    Constructen kunnen worden gemeten of geobserveerd
  • Ideaalbeeld van wetenschap
    • Uitwisseling en kritiek 
    • Regels voor onderzoeken 
    • Regels voor denken 
    • Onderzoek doen naar onderzoeksmethodologie 
  • De empirische cyclus
    1. Observatie 
    2. Inductie 
    3. Deductie 
    4. Toetsing 
    5. Evaluatie 
  • De empirische cyclus -> observatie
    De onderzoeker neemt een fenomeen waar, waardoor zich een vermoeden van een hypothesen vormt in zijn/haar hoofd
  • De empirische cyclus -> Inductie
    Ind deze fase zet de onderzoeker zijn idee om in een expliciete toetsbare hypothese, waaruit concrete voorspellingen gedaan kunnen worden. Van specifiek naar algemeen
  • De empirische cyclus -> Deductie
    Om de hypothesen te kunnen toetsen, moeten de theoretische constructen in de hypothese meetbaar worden gemaakt. De te meten begrippen worden geoperationaliseerd. Van algemeen naar specifiek
  • De empirische cyclus -> Toetsing
    In deze fase wordt het feitelijke onderzoek uitgevoerd
  • De empirische cyclus -> Evaluatie
    Hierbij wordt overwogen wat de uitkomsten van de toetsingsfase betekenen voor de theorie in breder kader
  • Psychologisch inductieproces
    Het vormen van hypothese, valt voornamelijk in de observatiefase
  • Methodologische inductie
    Het formuleren van hypothesen, wat bij de inductiefase hoort.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Quasi-experiment
(niet willekeurige) toewijzing aan experimentele conditie, met als doel maximalisatie interne validiteit. Belang: uitspraken over causaliteit. Moeilijkheid: bedreiging van selectie.
Niet-gerandomiseerde designs
Geen willekeurige toewijzing aan experimentele condities. En dus heb je geen bescherming tegen selectie, dus moet je ervan uitgaan dat er vooraf groepsverschillen zijn
Randomized design
Willekeurige toewijzing aan experimentele condities, met als doel maximalisatie van de interne validiteit. Belang: uitspraken over causaliteit
Wanneer gebruiken we nonrandomized experiments
  • Als randomiseren niet mogelijk is
  • Niet geïntereseerd in causaliteit
  • Het gebruik van randomized designs afdoet aan externe validiteit en of constructvaliditeit
Randomized experiment onderzoeksontwerpen
  • Randomized two-group design
  • Pretest-posttest two-group design
  • Solomon four-group design 
  • Factorial design 
  • Repeated measures design 
Random assigment
Alle deelnemers aan de steekproef hebben een gelijke kans om aan de verschillende experimentele condities te worden toegewezen
3 voorwaarden voor randomized experiments
  1. Manipulatie 
  2. vergelijking 
  3. Willekeurige opdracht
Randomized experiments
Een onderzoeksontwerp waarbij de onderzoeker een onafhankelijke variabele manipuleert onder gecontroleerde condities om zo het effect op de afhankelijke variabele te onderzoeken
Verschil binnen groepen
onafhankelijke steekproef: Je laat groep A iets lezen en groep B iets anders lezen. Kijken of A werkt, door bv het gemiddelde van beide groepen te vergelijken. > Het is een aselecte steekproef uit de populatie, je kunt maar in een groep terecht komen, en daarom zijn ze onafhankelijk van elkaar.
Verschil binnen personen:
  • Afhankelijke steekproef: dus iedere persoon doet zowel A als B, alleen verschilt wel de volgorde, dit gebeurt door loting. > omdat het dezelfde groep mensen betreft is het afhankelijk
  • Randomized experiment: onderzoeksontwerp dat wordt beschouwd als de gouden standaard voor het evalueren van causale relaties. Kenmerk: hoge interne validiteit