Summary Onderzoekspracticum kwantitatieve data-analyse : takenboek

-
ISBN-10 9035807928 ISBN-13 9789035807921
291 Flashcards & Notes
12 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Onderzoekspracticum kwantitatieve data-analyse : takenboek". The author(s) of the book is/are projectteam Francine Dehue Jan Hendriks. The ISBN of the book is 9789035807921 or 9035807928. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

Summary - Onderzoekspracticum kwantitatieve data-analyse : takenboek

  • 1 Studietaak A

  • Hoe vat je onderzoeksgegevens op de juiste wijze samen?

    methodisch

  • Doelstelling van casus 1?
    nagaan of de manier waarop statistiek onderwezen wordt van invloed is op de uiteindelijke statistiekkennis en de statistiekangst.
  • vraagstelling casus 1?

     

    levert de nieuwe, meer toegepaste methode van statistiekonderwijs meer statistiekkennis en minder statistiekangst op dan de meer traditionbele , abstracte methode van statistiekonderwijs?
  • doelstelling casus 2?
    nagaan of de werkwijze van de postbodes van invloed is op het inz\icht in de hoeveelheid werk en de hoeveelheid werktijd, op de betyrokkenheid van de postbodes bij de werkwijze en op de werkdruk van de postbodes.
  • vraagstelling casus 2?
    Is bij de postbodes die volgens de nieuwe werkwijze werken inzicht en de betrokkenheid groter en de werkdruk kleiner geworden dan bij de postbodes die volgens de traditionele werkwijze werken?
  • Doelstelling casus 3?

     

    Is inzicht krijgen in de ervaringen met ongewenste omgangsvormen, de gevolgen daarvan voor de gezondheid, en de invloed van de manier van omgaan met dergelijke ervaringen op gezondheidsproblemen.
  • Doelstelling casus 4
    is inzicht te krijgen in verschillen of overeenkomsten in opvoeding van jongens en meisjes en na te gaan in hoeverre de opvoedingskenmerken samenhangen met kenmerken van de ouders.
  • vraagstelling casus 4
    is er geen verschil tussen de opvoeding van jongens en meisjes en hangen kenmerken van de ouders samen met kenmerken van de opvoeding?

  • Vraagstelling casus 3?
    is er een relatie tussen ervaring met ongewenste omgangsvormen en gezondheidsproblemen en tussen de manier van omgaan met dergelijke ervaringen en gezondheidsproblemen?
     

  • Welke factoren dienen onderzocht te worden?
    de variabelen
  • 1.1 Studietaak B

  • Waarvoor staat de letter S?
    Variantie
  • Waarvoor staat X met een streep erboven?
    Gemiddelde
  • Waarvoor staat de letter N?
    Steekproefgrootte
  • Wat geeft de t-waarde aan?
    Hoe representatief een onderzoek is. T-waarde is afhankelijk van de gemiddelde, de variantie en de groepsgrootte. Hoe grotere t-waarde, hoe betrouwbaarder.
  • Waarvoor staat de mu?

    a. de onafhankelijke variabele(variabele die gemanipuleerd word)
    de onafhankelijke variabele( variabele die gemanipuleerd word)
  • Wat betekend populatie?
    a. de populatie is de totale groep waarover conclusies worden getrokken.
    De populatie is de totale groep waarover conclusies worden getrokken.
  • Wat is een gerichte hypothese?
    a. een alternatieve hypothese waarbij ingeschat word welke groep hoger scoort dan de andere.
    een alternatieve hypothese waarbij ingeschat word welke groep hoger scoort dan de andere.
  • wat is een ongerichte hypothese?
    een alternatieve hypothese waarbij ingeschat word dat er een verschil is, maar niet welke.
  • H1 (1 hoort een kleine 1 in subtext te staan)

    a.
    Alternatieve hypothese
    alternatieve hypothese
  • H0(nul hoort klein in subtext te zijn)

    a. Nulhypothese, bij onderzoek is dit het startpunt.
    Nulhypothese, bij onderzoek is dit het startpunt.
  • Wat zijn vormmaten?
    a. Antwoorden in een grafiek/histogram weergeven. Bijv. Skewness en Kurtosis
  • Wat voor maten zijn variantie en standaardafwijkingen en wat geven zij weer?

    a. spreidingsmaten. Geeft aan hoe de gevonden waarden verspreid liggen rondom het gemiddelde. Standaardafwijking is de wortel v.d variantie.
  • Wat is de variantiebreedte voor maat, wat geeft hij aan en wat is de engelse term?

    a. Spreidingsmaat die het verschil tussen de hoogste en laagst gemeten score aangeeft. Range
  • Spreidingsmaten?

    a. Maten die aangeven waartussen gemeten waarden liggen. bv. variantiebreedte en variantie.
  • Wat voor maat is het gemiddelde? En waarbij gebruikt?

    a.Het is een centrummaat die gebruikt word bij interval of ratiomeetniveau's 
  • Wat voor maat is de mediaan en wat geeft hij aan?

    a. de mediaan is een spreidingsmaat die de middelste score aangeeft. Hij ligt ongeveer bij 50% bij de cumulatiefpercentage. 
  • wat voor maat is de modus, waarbij kan die het beste gebruikt worden en wat geeft hioj aan?

    a. de modus is een centrummaat die het beste werkt bij nominale meetniveua's . Hij geeft de piek in de verdeling aan.
  • Wat zijn centrummaten?

    a. maten die aangeven waar het centrum van de uitkomsten ligt. bijv. modus, mediaan en gemiddelde.
  • Ratio meetniveau

    a. Is een kwantitatief meetniveau en heeft een vaste ordening, meeteenheid en 0 - punt. voorbeelden: lengte, leeftijd en tijdsduur.
  • Wat voor meetniveau is het ratiomeetniveau en wat zijn de kenmerken?

    a. is een kwantitatief meetniveau , met een vaste ordening, meeteenheid en 0-punt. 
  • Wat voor meetniveau is het interval meetniveau en wat zijn de kenmerken?

    Intervalmeetniveau is een kwantitatief meetniveau. Er is sprake van ordening en getallen. Er zijn vaste intervallen, maar geen vast 0-punt(0-punt is arbitrair)
  • Wat voor meetniveau is het ordinale meetnivau en wat zijn de kenmerken?

    a. ordinaal meetniveau is een kwalitatief meetniveau. Er is geen sprake van getallen, maar wel van ordening. bijv. opleidingsniveau's. 
  • Wat voor meetniveua is het nominale meetniveua en wat zijn de kenmerken?
    Het nominale meetniveau is een kwalitatief meetniveau. Er is geen sprake van getallen of ordening. bijv. oogkleur.
  • Wat is een continue variabele?
    Een variabele die zonder sprongen constant doorloopt, dus 1, 1.1, 1.2,1.3 enz
  • Wat is een discrete variabele?
    Een variabele die gemeten is in afzondelijke cijfers, dus wel 1,2,3, maar niet 1.2.
  • Welke meetniveau's vallen onder kwantitatieve meetniveau's?
    Ratio en interval meetniveau
  • Wat zijn kwalitatieve meetniveau's ?
    variabelen op nominaal of ordinaal niveau
  • WElke meetniveau's zijn er?
    nominaal, ordinaal interval en ratio
  • Wat is de p waarde?
    De waarde die bepaald of de t-waarde aan toeval wordt toegeschreven. Bij een p-waarden 5% is er geen sprake van toeval. Word in SPSS aangegeven als 'sig'
  • Waarvoor staat de D met een streepje erboven?
    Voor het verschil tussen beide gemiddelden
  • Waarvoor staat sigma?
    Voor de standaardafwijking
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Waarvoor staat de letter b?
Voor de variantie van 'between groups'
Waarvoor staat de eta-kwadraat? (tweede symbool in kwadraat)
Hoe groot het effect van de onafhankelijke variabele is op de afhankelijke variabele. Ook wel de correlatieratio genoemd (hkwadraat).
Wat wordt bedoeld met kanskapitalisatie?
Als er meer dan 2 groepen met elkaar vergeleken moet worden met t-toetsen is de kans groter dat een of meer nulhypothesen onterecht verworpen worden, dus groter dan 5%.
Naar welk betrouwbaarheidsinterval moet je kijken bij een eenzijdige toetsing?
Naar het 90% betrouwbaarheidsinterval.
Hoe kun je de betrouwbaarheidsinterval inzetten als een alternatieve manier om de t-toets te beoordelen?
Als de waarde 0 in het betrouwbaarheidsinterval ligt, dan wordt de hypothese verworpen.

Ligt het betrouwbaarheidsinterval in zijn geheel boven of onder 0 dan wordt de hypothese aangenomen.
Welke drie dingen zijn van belang bij het bepalen van de betrouwbaarheidsgrenzen?
  • De grootte van de steekproef (hoe meer personen, des te dichter liggen de grenzen bij elkaar en zijn de uitspraken nauwkeuriger)
  • De spreiding van waarden in de steekproef (grote spreiding, brede interval)
  • De gewenste betrouwbaarheid (hoe groter de betrouwbaarheid, des te breder het interval)
Hoe worden de onder- en bovengrens van een betrouwbaarheidsinterval ook wel genoemd?
De nauwkeurigheidsmarges of de betrouwbaarheidsgrenzen.
Wat is de betrouwbaarheidsinterval (confidence interval)?
Het gebied dat met een bepaalde betrouwbaarheid de waarde van de populatie bevat.
Wat is de invloed van de effectgrootte en de steekproefomvang op type II fouten?
Hoe groter de effectgrootte en de steekproefomvang, des te kleiner is de kans op een type II fout.
Wat is het minimale onderscheidingsvermogen?
.80